Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

station - (treinhalte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

station zn. ‘treinhalte’
Nnl. ‘streek tussen twee pleisterplaatsen’ [1800; iWNT], ‘pleisterplaats om de paarden te wisselen’ [1808; iWNT], ‘standplaats, post van oorlogsschepen’ [1810; iWNT], station ‘plaats waar treinen stoppen’ in Het Station Amsterdam [1839; iWNT], ‘observatieplaats’ in Door oprichting van eenige meteorologische stations [1882; iWNT].
Ontleend aan Frans station ‘treinhalte’ [1827; Rey], eerder al ‘plek waar men observaties doet’ [1690; Rey], ‘halte, plek waar men aankomt’ [1636; Rey], uit ouder estacion ‘Romeinse militaire post’ [ca. 1213; Rey], eerder al ‘standplaats’ [1191; Rey], ‘(stilstaan tijdens een) processie; kerkbezoek ter verkrijging van een aflaat’ [ca. 1190]. Het Franse woord is in de kerkelijke betekenis ontleend aan christelijk Latijn statio ‘stilstaan tijdens een verplaatsing, bijv. de kruisweg’ en in andere betekenissen direct aan klassiek Latijn statiō (genitief -iōnis) ‘militaire post’, ‘standplaats’, een afleiding van het werkwoord stāre ‘(stil)staan’, zie → staan.
Gewoonlijk wordt de Franse uitgang -ion in het Nederlands overgenomen als -ie, zoals in → natie, → relatie enz. De vorm statie waartoe dit leidt, zoals in bij den uitgang der statie [1868; iWNT], is vooral in België in gebruik geweest, maar is in de algemene BN omgangstaal en zelfs in de dialecten op zijn retour. Bepaalde stationsgebouwen worden nog wel met statie aangeduid, bijv. de Middenstatie ‘centraal station’ van Antwerpen.
Het woord statie is daarnaast ook gebruikelijk binnen de katholieke kerk en in de kunstgeschiedenis, waar het ‘plaats van stilstand bij de kruisweg’ en ‘afbeelding van een van de veertien gedeelten van de kruisweg’ betekent. Dit woord is al oud en is rechtstreeks ontleend aan het Latijn: mnl. stacie ‘het stilstaan (tijdens de kruisweg)’ [1406; MNW], ‘standplaats, legerplaats’ [ca. 1425; MNW], maar vooral ‘(stilstaan tijdens een) processie’ [1360; MNW], daarnaast via het Frans ook stacioen in Hi maecte die statioene Diemen te vasten pleeght te doene ‘Hij (Gregorius) stelde vast waar men tijdens de vastenprocessie moest stilstaan’ [1340-60; MNW-R].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

station [plaats waar treinen stoppen] {1800 voor een pleisterplaats voor paarden; de huidige betekenis 1839} < frans station [stilstand, stopplaats voor treinen], mogelijk echter < engels station < latijn stationem, 4e nv. van statio [stilstand, standplaats], van stare [staan] (vgl. statie). Het woord was al eerder uit het fr. geleend als statioen [halteplaats, staanplaats, garnizoensplaats] {1350}.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

station znw. o. eerst nnl. < fra. station < lat. statio ‘het staan, oponthoud, standplaats’. — Reeds mnl. stacie ‘het stilstaan; statie van de kruisweg; plaats van legering van een garnizoen; plaats waar een processie stilhoudt; processie’, mnd. stacie v. ‘plaats waar men ophoudt, bijzonder bij een processie. — Het vla. woord statie ‘station’ zal daarvan geen voortzetting zijn, maar met andere uitgang van fra. station komen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

station znw. o., nog niet bij Kil. < fr. station (< lat. statio). Ook elders ontleend. Met gewijzigden uitgang zuidndl. statie. Direct uit ’t Lat. mnl. stacie “standplaats, garnizoen, processie” (: Lekenspieghel statioen), vooral als Katholiek woord nog in verschill. bett. bekend, mnd. stacie v. “plaats waar halt gemaakt wordt, speciaal bij een processie”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

statie 2 v. (station), uit Fr. station, van Lat. stationem (-io) = stilstand, afgel. van ’t v.d. van stare: z. staan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

statie (zn.) station; Nuinederlands station <1839> < Frans station.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

station (Frans station)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Staan, van den Idg. wt. stha = vast, stijf zijn; ook staan (zie Staaf); vandaar ook: stad, stede, stadig, steeds (zie die woorden). Een bijvorm van den Germ. wt. sta is stand (Os. standan), vandaar ons stand. Ook staat, dat ontleend is aan ’t Lat. status, verl. deelw. van stare = staan, behoort hierbij; het woord wil n.l zeggen: de stand, toestand waarin men zich bevindt. Maar ook staat (rijk, land) is hiervan afgeleid; het ziet oorspr. op de regeering, op de standen of stenden der maatschappij, die vertegenwoordigd waren, n.1. de Generale of Provinciale Staten. Zoo verkreeg het woord Staten de bet. van regeering en ook van het gebied, het land dier „Staten”.
Het woord staatsie (plechtigheid) is eveneens een verwant van deze rijke familie. Het woord is ontstaan uit ’t Fr. station, van ’t Lat. statio en bet. de plaats, waar men blijft staan; rust- of standplaats. Een statie is eig. de plaats, waar de processie telkens bij een der tafreelen uit Jezus’ lijden blijft staan, om deze episode met bijzondere plechtigheid te herdenken. (Ook de afbeelding heet „statie”.) Zoo verkreeg staatsie of statie de bet. van: bijzondere plechtigheid. Het gebruik wil, dat staatsie de plechtigheid bedoelt en statie de afbeelding zelf. – Statie is ook de Vlaamsche naam voor ons station = eig. rustplaats. Een grooten „staat” (staatsie) voeren bet. dus: weelderig, voornaam, deftig leven, vandaar ons bijv.nw. statig = deftig, met staatsie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

station ‘plaats waar treinen stoppen’ -> Indonesisch setapsiun, setasion, stasion, stasiun, tapsiun, tasiun ‘plaats waar treinen stoppen’; Jakartaans-Maleis tapsiun ‘plaats waar treinen stoppen’; Javaans setasiyun, setasyun, tasiyun ‘plaats waar treinen stoppen’; Madoerees tapsiyūn ‘plaats waar treinen stoppen’; Makassaars tansiông ‘plaats waar treinen stoppen’; Menadonees stasion ‘plaats waar treinen stoppen’; Minangkabaus stasiun ‘plaats waar treinen stoppen’; Soendanees sĕtasiyun ‘plaats waar treinen stoppen’; Sranantongo stâsyon ‘plaats waar treinen stoppen’; Surinaams-Javaans stasiyun, setasiyun ‘plaats waar treinen stoppen’.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

station zn. Ontleend aan het Engels.
= zender, kanaal.

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

locomotief [voorspan van een spoortrein] (1839). In 1839 werd de eerste spoorlijn van Nederland in gebruik genomen, tussen Amsterdam en Haarlem. In deze periode worden uit het Engels, waar de techniek vandaan kwam, de woorden bus, cokes (‘soort kolen’), locomotief, lorrie (‘laag en vlak dienstwagentje dat door mankracht kan worden voortbewogen’), rail, tender (‘kolenwagen’), tram, trein en tunnel geleend. Neerlandicus Jan te Winkel constateert in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898: “De spoorwegen zijn bij ons al een jaar of tien ouder, dan het midden onzer eeuw. Toch zijn de meeste woorden, die daarop betrekking hebben, eerst in de tweede helft der eeuw gevormd of algemeen in gebruik gekomen. De samenstelling locaalspoor dagteekent van omstreeks 1878. Nieuw zijn alzoo spoorwet, spoornet, spoorlijn, spoortrein, ook verkort tot spoor en tot trein, waarnaast goederentrein, sneltrein, bommeltrein (een te vergeefs bestreden germanisme), pleiziertrein en ten slotte zelfs harmonicatrein. Voor spoorwagen heeft men ook wagon, dat wat ouder, en coupé, dat wat jonger is. Vvoor kolenwagen gebruikt men ook tender. Station was niet nieuw, wel stationschef, evenals wisselwachter. Aan de Duitschers ontleende men halte, aan de Engelschen stoppen. Nieuw is retourbiljet, nieuwer rondreisbiljet, allernieuwst kilometerboekje. Ook de tram, aanvankelijk tramway en toen door het volk tramwáái genoemd, is bij ons nog geen vijftig jaar oud. Sinds er aanleiding was gekomen om van stoomtram te spreken, ontstond als tegenstelling ook paardentram. De oudere “omnibus” is er grootendeels, de “diligence” bijna geheel door verdrongen. Den vroegeren “char-à-bancs” kent niemand meer.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

station plaats waar treinen stoppen 1839 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal