Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

star - = ster (voorhoofd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

star bn. ‘strak, stijf’
Vnnl. sterre, starre ‘stijf, star, ruw’ (met de vermelding dat het verouderd is) [1599; Kil.]; nnl. star in Haar oog wordt star [1823; iWNT].
Ontleend aan Duits starr ‘stijf, star’ [16e eeuw; Kluge], de Vroegnieuwnederlandse vormen aan Middelhoogduits stärr, sterre ‘id.’. De Vroegnieuwhoogduitse vorm starr is een terugvorming bij het werkwoord starren ‘stijf worden of zijn’ en heeft de Middelhoogduitse umlautsvormen verdrongen.
Mhd. sterre, stärr; on. starr ‘strak, stijf’; < pgm. *starra-, *starrja- ‘stijf, star’. Ohd. storrēn ‘star uitsteken’ (nhd. starren ‘stijf worden of zijn’) < pgm. *sturrēn-.
Verwant met: Grieks sterrós, stereós ‘star, vast, hard’; Litouws stérti ‘verstarren’; Tochaars A ṣtare ‘inspanning’; < pie. *sterh1- ‘stijf, star zijn’ (IEW 1022).
Star wordt elders veelvuldig, maar ten onrechte, in verband gebracht met → staar en → staren. Dit komt wrsch. mede door de (opzichzelfstaande) vermelding bij Kiliaan, die sterre, starre wrsch. opnam als grondwoord voor de eropvolgende sterblind(heyd), steroogigh. Zie ook → halsstarrig.
Lit.: W. Wissmann (1932), Nomina postverbalia in den altgermanischen Sprachen, Tl. 1: Deverbative ōMACRON-Verba, 146 m. Anm. 3; R. Lühr (1976), ‘Germanische Resonantengemination durch Laryngal’, in: Münchener Studien zur Sprachwissenschaft, 73-93, hier 74; Heidermanns 1993, 547; S. Müller (2007), Zum Germanischen aus laryngaltheoretischer Sicht, 88 en 300

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal