Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stander - (opstaande stutbalk; kuip)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stander zn. ‘opstaande stutbalk; kuip’
Mnl. stander ‘kuip, ton’ in standerden ..., daer men dat bronwater in pet ‘tonnen waarmee men het bronwater put’ [1374-94; MNW] en ‘post, paal’ [1467; MNW].
Nomen agentis bij mnl. standen ‘staan’, nevenvorm van → staan. Enkele bijzondere betekenissen heeft het overgenomen van → standaard 1 en van mnl. stande ‘kuip’. Daarnaast bestaat de vorm staander ‘iemand die staat, iets wat staat’, een nomen agentis bij staan, dat sommige deelbetekenissen, zoals ‘kuip’ en ‘paraplubak’, gemeen heeft met stander en daarom ook deels opgevat kan worden als nevenvorm daarvan. Het Hoogduits, Nederduits en Engels hebben soortgelijke vormen als stander, met in hoofdzaak dezelfde betekenissen.
In samenstellingen wordt stander ook gebruikt voor personen, bijv. in omstander, voorstander.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stander znw. m. ‘opstaande steunbalk, molenas’, mnd. stender, laatohd. stanter (nhd. ständer) is een afl. van *standan, waarvoor zie: staan. — Hetzelfde woord in de bet. ‘grote kuip om vlees in te zouten’, mnl. stander (Haarlem) naast stande, mnd. stande, ohd. stanta, standa ‘kuip’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stander znw. Zie standaard. In de bet. “kuip” (niet bij Kil., wel mnl. (Haarlem)) = laat-ohd. stanter, mnd. stander naast mnl. (nog dial.) stande, ohd. stanta, standa, mnd. stande v. “kuip”. Bij mnl. standen enz. (zie staan).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stander m. (kuip), + Ohd. stanter; daarnevens Mnl. stande + Ohd. stanta, bij standen (z. staan). Stander = standaard, is vervormd uit standaard.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stander ‘(verouderd) opstaand touw (van een jacobsladder)’ -> Zweeds † stander ‘touwladder’ (uit Nederlands of Fries).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal