Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stampen - (krachtig stoten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stampen ww. ‘krachtig stoten’
Mnl. stampen ‘fijnstampen’ in esscheblade met aisine ghestampet ‘essenbladeren met azijn fijngestampt’ [1287; VMNW], ‘stampvoeten’ [ca. 1460; MNW]; vnnl. ook ‘met kracht trappen’ in ende stampte met de voeten soo seere op haren buyck ‘en trapte met zijn voeten zo hard op haar buik’ [1540; iWNT] en ‘op en neergaan van een schip’ in het scheepje stampte [1693; iWNT]. Daarnaast staat een inmiddels verouderd synoniem stempen dat naast ‘stampvoeten, fijnstampen’ ook ‘stempelen, waarmerken’ betekende, in dat der stat iker geijket ende gestempet heeft ‘dat de stadsijker geijkt en gestempeld heeft’ [1454-73; MNW stempen].
Bij stampen: mnd. stampen; ohd. stampfōn (nhd. stampfen); nfri. stampe; me. stampen (ne. stamp); on. stappa (nwz. stampa); alle ‘stampen’; < pgm. *stampōn-.
Bij stempen: mnd. stempen ‘stempelen, graveren’; ohd. stempfen ‘fijnstampen; graveren’ (nhd. vero. stempfen); nfri. stimpe ‘fijnmaken; stelpen, verstoppen’; oe. stempan ‘fijnstampen’; < pgm. *stampijan-.
Beide woorden zijn ontleend in het Oudfrans, als estamper ‘fijnstampen, pletten’, later ook ‘stempelen, opdrukken’ (Nieuwfrans estamper ‘id.’), respectievelijk estampir ‘stampvoeten’ (beperkt gebleven tot Noord-Franse dialecten, maar zie → stampij, stampei).
Stampen is te herleiden tot dezelfde wortel als die van → stappen. Deze wortel moet, afgaande op de zustertalen van het Germaans, varianten hebben gehad zonder en met nasalering en, wat de laatste betreft, met respectievelijk een geaspireerde en een ongeaspireerde slotlabiaal: *stembh- naast *stemb-. Klankwettig valt stampen rechtstreeks te herleiden tot de variant *stomb- (o-trap van *stemb-). In dat geval zijn het naast verwant: Grieks stémbein ‘hevig schudden, mishandelen’, Sanskrit stambá- ‘struik, bosje’ en Litouws stámbas ‘koolstronk’ (IEW 1011). Maar op grond van de nauwe samenhang met stappen zou men voor stampen ook een grondvorm met beklemtoond n-achtervoegsel en o-trap in de wortel kunnen veronderstellen: pie. *stombh-n-. De naastverwante woorden zijn dan: Grieks astemphḗs ‘onwankelbaar’, Sanskrit stambhayati ‘maakt stijf, bevestigt’ en Middeliers semmor ‘klaver’ (< *stembhro-) (IEW 1012).
De oorspr. betekenis zal dus ‘stampvoeten’ zijn geweest; deze sluit aan bij de betekenissen ‘met stijve benen lopen’ en ‘stoten’, die men tegenkomt bij → stappen en → stompen en hun verwanten in de andere Germaanse talen. De betekenisuitbreiding van ‘stampvoeten’ naar ‘fijnstampen’ heeft al in de Oudgermaanse tijd plaatsgehad. Het vele gebruik van wollen stoffen door de noordelijke volken leidde bij hen tot de vinding van een nieuwe techniek voor het vollen (het ineenwerken van wolvezels tot een dichte massa). Deze techniek hield in dat wollen weefsels met de voeten werden gestampt in houten vaten. Al vroeg werd de betekenis verder uitgebreid tot het fijnstoten van stoffen in een vijzel met een stamper. In de zeevaart worden bij het stampen van een schip voor- en achtersteven beurtelings diep in een golf gestoten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stampen* [stoten] {1287} middelnederduits stampen, oudhoogduits stampfon, oudengels stempan, oudnoors stappa; buiten het germ. grieks stembein [doen dreunen], oudindisch stamba- [bosje gras, tros]; vgl. stempel1, stomp1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stampen ww., mnl. stampen, mnd. stampen, ohd. stam(p)fōn (nhd. stampfen), ne. stamp, on. stappa ‘stampen, stoten’. Daarnaast mnl. stempen, mnd. stempen, mhd. stempfen, oe. stempen ‘stampen’. Verder: os. stamp, ohd. stampf m. ‘stamper’ (Kiliaen stamp ‘slaghout’) en mnd. stampe, nhd. stampfe, nde. stampe ‘gereedschap om te stampen’, ofri. stempene v. ‘verstopping, hindernis’. — gr. stémbō ‘stampen, treden, mishandelen’, oi. stamba ‘tros’ (IEW 1011) en zonder begin-s lat. temno (< *tembno) ‘verachten’ van idg. wt. *(s)temb. — Zie ook: stempel. — Uit ofrank. *stampōn is ontleend ofra. estamper (nfra. étamper) ‘opdrukken’ en uit het germ. eveneens ital. stampāre, spa. port. estampar, evenals ook osl. stąpa ‘mortier’.

Men kan zeker stampen niet van stappen scheiden; daarvoor stemmen de betekenissen te zeer overeen; dat wijst er op dat *stemb een nasalering zal zijn van *steb; beide behoren tot de onder staak behandelde woordengroep. — Het verdere verband met on. stampr ‘houten vat’ en nnl. stomp wijzen de weg voor de bet. ontw. Men moet uit gaan van ‘met de voeten stampen’ en dan bedenken dat wollen weefsels oudtijds in houten vaten met de voeten gevold werden. Dit verklaart, dat het slav. stopa ‘volmolen’ betekent; de naam van het oude mortier met stamper werd op de nieuwe techniek overgedragen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stampen ww., mnl. stampen. = ohd. stam(p)fôn. (nhd. stampfen), mnd. stampen, eng. to stamp, on. stappa “stampen, stooten”. Evenals mnl., oudnnl. stempen (volgens Kil. “Fris.”), mhd. stempfen, mnd. stempen, ags. stempan “id.” van germ. *stampa-, Kil. *stamp. j. slaghhout. Telum ruidum”, ohd. stampf, os. stamp m. “stamper”. Hierbij nog stempel en met ablaut stomp I, stomp II. Deze woordgroep kan met gr. stémbō “ik stamp” (zie verder bij stomp I, stomp II) van een idg. basis stemb- komen, verlengd uit stem-, waarvan lit. stúmti “stooten” (zie bij stamelen). Anderzijds echter zijn de bij stappen besproken woordfamilies niet geheel van stampen te scheiden; maar de onderlinge betrekkingen zijn niet zeker vast te stellen. Uit ’t Germ. slav. woorden als čech. stoupa “stampwerktuig” en de rom. woordgroep van fr. estampe “stempel”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stampen ono.w., Mnl. id. + Ohd. stampfôn (Mhd. stampfen, Nhd. id.), Eng. to stamp, On. stappa (Zw. stampa, De. stampe), daarnevens met uml. Mhd. stempfen, Ags. stempan: denom. van stamp + Skr. stambhas = staak, Gr. stémbein = met de voeten treden. Nog verwant met stap en stempel. Hieruit Fr. estampe en étamper.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

stampen: een afro stampen (stampte, heeft gestampt), (scholierentaal) een afrokapsel* na het uitkammen weer in zijn model brengen door kloppende bewegingen met de handen. Die jongens zijn zo ijdel. Ze zitten de hele dag hun afro te stampen (mond.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

stamp: s.nw. en ww., harde hou, slag, stoot; skok; rukkerig beweeg; fynmaak; ruimer gebr. as Ndl. s.nw. stamp en ww. stampen (in bep. verb. alleen nog ooreenkoms m. SNdl.) en beantw. aan Ndl. stamp(en) en stomp(en), asook aan stoot en sto(o)ten, terwyl dit Ndl. duw(en) in Afr. verdring het (v. Scho TWK/NR 7, 2, p. 28).

stonk: versk. wd. het blb. deureengeloop: 1. die paaltjies laat spat (by krieket), wsk. uit Eng. stump; 2. met ghoen albasters/knope wegstamp; met draaiende tol op hand ’n lêende tol stamp, wsk. albei uit Ndl. stompen = stampen (v. stamp); 3. die afskietlyn oorskry (by albasterspel), wsk. deur byg. aan fonk (q.v.); 4. in aansl. by Mans (KHI) se stonk, “deur gooi/skiet met ghoen beslis wie eerste skiet/speel”, betoog Frank (TE 15-6) dat Afr. stonk beantw. aan Vl. stuiken (Mnl. stūken, “stoot”, by Kil stuycken).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stampen, van den Germ. wt. stamp = stooten (oorspr. met de voeten, later ook met een stok, enz.); vgl. stempel en zie Stappen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stampen ‘stoten’ -> Fins tampata ‘stoten, hevig op en neer gaan (bijvoorbeeld van een schip); platlopen, plattrappen’ (uit Nederlands of Duits); Frans estamper ‘stempelen’ Frankisch; Koerdisch stempa ‘stempel’ <via Frans>; Perzisch estâmp ‘stempel’ <via Frans>; Zuid-Afrikaans-Engels stamp ‘maïsgries(pap)’ <via Afrikaans>; Zuid-Afrikaans-Engels stamp ‘door stoten fijn maken’ <via Afrikaans>; Negerhollands stamp, stam ‘(fijn)stampen, slaan’; Berbice-Nederlands tambu ‘stoten’; Papiaments † stamp ‘heien’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stampen* stoten 1225 [Rey]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

steb(h)- und stēb(h)- : stǝbh-, nasaliert stemb(h)-; step- (auch stēp-?), nasaliert stemp-; nominal stǝbho-s, stemb(h)ro-s, stomb(h)o-s Bedeutungsumfang: ‘Pfosten, Pfeiler, Stamm, Baumstumpf (auch ‘Busch, Büschel’); verbal: ‘stützen, versteifen, feststellen, anhalten, (auch ‘hemmen’), (auf)stampfen, treten (Tritt, Stufe, Fußspur); beschimpfen (steif und herausfordernd dastehen; prahlen), staunen (aus erstarrt dastehen)’, Beziehung zu *stā- ‘stehen’ ist möglich.

Wurzelform mit -b:
ai. stábaka- m. n. ‘Büschel’, stambá- m. ‘Busch, Büschel’ (= lit. stámbas ‘Kohlstrunk’);
gr. στέμβω ‘stampfe, mißhandle, schmähe’, στεμβάζειν· λοιδορεῖν, Hes. στόβος m. ‘Schelten, Prahlerei’, στοβέω, στοβάζω ‘schmähe’;
as. Prät. stōp ‘trat fest auf’, ags. stæppan (steppan), stōp ‘fest treten, schreiten’, ahd. stepfen und stapfōn ‘fest auftreten, fest auftretend schreiten’, dazu Kaus. ags. stǣpan ‘einweihen’, ahd. (Hildebrandslied) stoptun tosamane ‘liessen zusammenstapfen’; mnd. stappe, ahd. stapf, stapfo (stāffo) ‘Stapfe, Fußspur’ (germ. *stapp-); aisl. stǫpull m. ‘Pfosten, Pfeiler, Turm’, afries. stapul ‘Richtblock; Krone eines Zahnes’, ags. stapol m. ‘Stamm, Pfosten, Säule’, mnd. stapel m. ‘Säule, Unterlage, aufgeschichteter Haufe, Stapelplatz’ (daraus nhd. Stapel), ahd. stapfal, staffal ‘Grundlage, Schritt, Stufe’, nhd. Staffel ‘Leitersprosse, Treppenabsatz’; as. stōpo m. ‘Tritt, Fußspur’, ags. stōpel ds., ahd. stuoffa, stuofa, nhd. Stufe, mhd. stüefe ‘fest, stark’; ags. stǣpe, stepe, Pl. stapas ‘Schritt, Stufe’, afries. stepe ds., aisl. stapi m. ‘hoher und steiler Felsen’; afries. stēpa ‘beisteuern’ (Denominativ von:) afries. ield-stōpe ‘Beisteuer; Wergeld’, ahd. stuopfa ds. (Aksl. stapъ ‘Steigbügel’ aus dem Germ.);
nasaliert and. stamp, ahd. stampf m. ‘Werkzeug zum Stoßen’, (aksl. stopa ‘Mörser’ aus dem Germ.), davon aisl. stappa ‘stoßen, stampfen, zermalmen’, ags. stempan ‘im Mörser zerstoßen’ (engl. stamp auch ‘prägen’), mhd. stempfen und ahd. stampfōn, mhd. stampfen ‘stampfen, schlagen, prägen’ und weiter mnd. stempel, ahd. stempfil ‘Stämpfel, Stößel’; mnd. stump m. ‘Baumstumpf; adj. ‘stumpf, dumm’, ahd. stumpf m. ‘Stumpf, Stummel, Baumstumpf’; Adj. ‘stumpf, verstümmelt, abgekürzt’;
problematisch mir. sibal ‘a walking, marching’ (*stebulo-).
Wurzelform mit -bh-:
Ai. stabhnā́ti, stabhnṓti, stambhatē, -ti ‘stützen, hemmen’, Med. ‘steif werden, erstarren’, stabhitá- ‘gestützt’, stabdha- ‘steif, starr; hochmütig’, Kaus. stambhayati, -te ‘befestigt, macht steif, lähmt, halt an, unterdrückt’, stambha- m. ‘Pfosten, Säule; Hemmung, Lähmung; Aufgeblasenheit’, (vgl. np. sitamba ‘gewalttätig, streitsüchtig’), stambhanam ‘Befestigung, Festhalten, Hemmung’ = av. stǝmbana- ‘Stütze’, av. stawra- ‘fest’, np. sitabr, istabr ‘stark, gewaltig’; ved. stabhūyán, stabhūyámāna- ‘sich nicht von der Stelle rührend, unbeweglich’, ap. stambava ‘leiste Widerstand! lehne dich auf!’ (indoiran. *stambhau-);
gr. ἀστεμφής ‘unerschütterlich’ (eigentlich ‘wer nicht gepreßt werden kann’), στέμφυλα n. Pl. ‘ausgepreßte Oliven oder Trauben’, σταφυλή ‘Weintraube, Weinstock; Zäpfchen im Munde’, σταφύλη ‘Senkblei’;
mir. sab f. ‘Schaft, Pfeiler, Stock’ (*stǝb[h]ā); semmor ‘Klee’ (*stemb[h]ro-);
aisl. stefja (*staƀjan) ‘hindern’, stefna ‘stauen’ (*steif machen, zum Stehen bringen’), ahd. stabēn ‘starr, steif sein’, ostfries. staf ‘steif, lahm’; got. *stafs (Nom. Pl. stabeis) στοιχεῖα ‘Buchstaben’ (Unterricht durch Runenstäbchen), aisl. stafr ‘Stab, Stütze, Buchstabe’, ags. stæf ‘Stab, Buchstabe’, ahd. mhd. stap (-b-) ‘Stock, Stütze, Stab’; schwed. dän. staver ‘Zaunpfahl’ (vgl. aksl. stoborъ, lit. stãbaras); afries. stef ‘Stab’;
aisl. stef n. (*stabja-), stefna f. (*staƀanjōn-) ‘bestimmte, feste Zeit usw.’, ags. stefn, stemm m. ‘Zeit, Mal, Periode’; aisl. stafn n. ‘Steven, Hausgiebel’, as. stamn m. ‘Steven’, ags. stefn, stemn m. ‘Stamm, Wurzel, Steven’, ahd. stam (-mm-) ‘Baumstamm, Geschlechtsstamm’, nhd. Stamm (Verquikkung eines *staƀ-na- mit einem *stam-na-: air. tamun ‘Baumstamm’);
nasaliert ahd. stumbal ‘abgeschnittenes Stück, Stummel’, stumbilōn ‘verstümmeln’, afries. stemblinge ‘Verstümmelung’.
lit. stem̃bti ‘Stengel ansetzen’, stem̃bras, stembrỹs ‘Stengel’ (= mir. semmor), stim̃bras ‘Schwanzstumpf, -stummel’, žem. stámbris ‘Stengel’, lit. stambùs ‘grob, grobkörnig’, stámbas ‘Kohlstrunk’, lett. stuobrs ‘Halm, Rohr’; lit. stebulė̃ f. ‘Radnabe’, lett. stebe ‘Mast’, russ. stebátь, klr. stebnuty ‘peitschen; steppen, nähen’; stabýti, stabdýti ‘zum Stehen bringen’, stãbas ‘Pfosten, Schlagfluß’, alit. stabas ‘Götzenbild’ (göttlich verehrter Pflock), lett. stabs ‘Pfeiler, Säule’, apr. stabis m. ‘Stein’, stabni f. ‘(steinerner) Ofen’, lit. stãbaras ‘trockener Ast’, aksl. stoborъ ‘Säule’; mit der Bed. ‘staunen’: lit. stebė́tis;
Wurzelform auf -p-:
ai. im Kaus. sthāpáyāmi ‘stelle, gründe’;
aksl. stopa ‘Fußspur’, stepenь ‘Stufe’, altlit. stapýtis ‘stehen bleiben’, lit. stẽpas ‘Schlagfluß’, stapìnti ‘penem erigere’;
aksl. stǫpiti, stǫpati ‘treten’.

WP. II 623 ff., Trautmann 280, 284, Kniper Nasalpräs. 195 ff., Vasmer 3, 16, 19, 35.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal