Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stad - (grotere gemeente, oorspronkelijk met stadsrechten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stad zn. ‘grotere gemeente, oorspronkelijk met stadsrechten’
Onl. stat, datief ev. stat en stede, ‘plek, plaats’ in de plaatsnaam Hostede (datief) ‘Hoogstade (West-Vlaanderen)’, letterlijk ‘hoge plaats’ [857, kopie 961; Gysseling 1960], Hostadis ‘id.’ [899, kopie ca. 1300; Gysseling 1960], in Got an stede heilegono (lees heilegoro) sinro ‘God op zijn heilige plaats’ [10e eeuw; W.Ps.], eyn stad, thar ther wassent arbusculę ‘een plek waar veel boompjes groeien’ [ca. 1100; Will.], ‘versterkte plaats, stad’ [T]ho her quam zo there stat ‘toen hij bij de stad (t.w. Jeruzalem) kwam’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. stat ‘plaats, ruimte; grote plaats, stad’ [1240; Bern.], ook stede ‘plaats, ruimte’, in niwent el Dan grote cirheit daer die stede Algader was ueruroijet mede ‘niets anders dan grote heerlijkheid waardoor die (hemelse) plaats een en al vreugde was’ [1265-70; CG II], ende die veruullden al die stat ‘en die vervulden die gehele plaats’ [1265-70; CG II], die hare gaf wille ende stade ‘die haar (de) wil en (de) mogelijkheid gaf’ [1265-70; CG II], Ic heinric ... doe bekent ... dat jc sette in mine stede ‘Ik Hendrik, maak bekend dat ik in mijn plaats (ambt) aanstel ...’ [1279; CG I], Babylonie die stede. Hadde .lx. milen ommeganc ‘de stad Babel had een omtrek van 60 mijl’ [1285; CG II].
De oorspronkelijke betekenis was ‘plaats’; in de huidige betekenis ‘grote agglomeratie’, oorspr. ‘versterkte plaats’, is stad ontleend aan Middelhoogduits stat ‘plaats, stad’ [13e eeuw; Kluge] (Nieuwhoogduits Stadt). De klankwettige vorm in het Nederlands was stede (Schönfeld, par. 106), dat vooral in het westelijke Middelnederlands in gebruik was. De vorm stat (in de verbogen naamvallen stede(n), maar in het ev. ook wel stat) was vooral oostelijk Middelnederlands. Beide vormen lopen al vroeg door elkaar, zie onder.
Os. stedi ‘(stand)plaats, stad’, ohd. stat ‘id.’ (nhd. Stadt ‘stad’, statt ‘in plaats van’, Stätte ‘plaats, plek’); ofri. sted(e) ‘plaats, stad’ (nfri. stêd ‘id.’; stee(d) ‘plaats’ < nl.); oe. stede ‘plaats, stad’ (ne. stead ‘hofstede, plaats’); on. staðr ‘plaats, onbebouwd stuk land’ (nzw. stad ‘stad’ > mhd.); got. staþs ‘id.’; < pgm. *stadi-.
Verwant met: Latijn statiō ‘het stilstaan, standplaats’ (zie ook → station), statim ‘onmiddellijk’; Grieks stásis ‘het stilstaan, standplaats, opstand’; Sanskrit sthíti- ‘staan, stand’; Oudkerkslavisch postatĭ ‘richting’; Oudiers fossad ‘feest’; < pie. *sth2-ti-, nomen actionis bij de wortel van → staan.
De oorspronkelijke betekenis komt alleen nog voor in enkele samenstellingen, bijv.bedstee ‘ingebouwde slaapplaats’, hofstede (zie → hof) en stadhouder ‘plaatsvervanger’ (zie onder), en in enkele vaste uitdrukkingen, bijv, hier ter stede ‘in deze plaats’, in stede van ‘in plaats van’.
De vorm stat, stede in de huidige betekenis verving rond 1200 (ook in toponiemen) het oudere burg, zie → burcht (Kluge), en het iets jongere poort ‘(haven)stad’, zie → poort. De opkomst van het begrip stad is wrsch. begonnen in Keulen en loopt parallel met (en is mogelijk beïnvloed door) de opvolging van civitas ‘(stads)gemeenschap’ door villa ‘stad’ in het middeleeuws Latijn en van cité ‘binnenstad’ door ville ‘stad’ in het Frans. De vervanging hangt wrsch. samen met de territoriale uitbreiding van veel steden en met de rechtsgevolgen voor de inwoners (Van Loon 2000).
In het meervoud steden en in afleidingen van stad krijgt het woord de inheemse vorm stede-, bijv. in stedelijk ‘stads’, stedeling ‘stadsbewoner’.
stadhouder zn. ‘plaatsvervanger van een vorst’. Mnl. stadhouder ‘id.’ [1481; MNW], by ... synen stehouwer ‘id.’ [1482; MNW]. Gevormd met het achtervoegsel -er (zie → -aar) uit stad in de Middelnederlandse betekenis ‘plaats, ambt’ en → houden. Wrsch. als leenvertaling van Duits Statthalter ‘id.’ [begin 15e eeuw; Kluge], Frans lieutenant ‘plaatsvervanger’ [1260; Rey] of direct van Latijn locum tenens ‘id.’, letterlijk ‘plaats houdend’, zie ook → luitenant. Het woord wordt tegenwoordig voornamelijk nog in historische zin gebruikt, verwijzend naar de stadhouders ten tijde van de Republiek (1588-1795). In de 15e eeuw was de functie van stadhouder belangrijk geworden, toen grote delen van de Nederlanden onder het Bourgondische huis vielen.
Lit.: J. van Loon (2000), De ontstaansgeschiedenis van het begrip ‘Stad’. Een bijdrage tot de diachrone semantiek en de sociaal-economische geschiedenis van Noord-West-Europa, inzonderheid de Nederlanden, Gent

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stad* [grote plaats] {in de plaatsnaam Hostede, nu Hoogstade (W.-Vl.) <857>, oudnederlands stede (3e nv.) 901-1000, middelnederlands stede (de klankwettige vorm; de 1e en 4e nv. stat zijn niet klankwettig, maar analogievormingen) stat, stad(t) [plaats, ruimte, stad, stand] 1200} oudsaksisch stedi, oudhoogduits stat, oudfries sted(e), stidi, oudengels stede, oudnoors staðr, gotisch staþs; van dezelfde stam als staan.

stee* [plek of vlek, boerderij] {1599 in de betekenis ‘boerderij’; de betekenis ‘vlek’ 1612} < middelnederlands stede {1285} de klankwettige vorm tegenover stad.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stad znw. v., mnl. stat, stēde v. ‘plaats, stad’, onfrank. 3de nv. enk. stede, os. stedi, ohd. stat (nhd. stadt, statt en stätte), ofri. stede, stidi, sted (ook met th) v., oe. stede (ne. stead), on. staðr got, staþs. — Uit idg. grondvorm *st(h)ǝti-, vgl. lat. statim ‘dadelijk’, statio ‘staan, standplaats’, gr. stásis, oi. sthíti- ‘het staan’, osl. postatĭ ‘bestemming’ (IEW 1006). — Van de wortel van het ww. staan.

Uit de bet. ‘het staan, plaats waar men staat’ ontwikkelde zich in de Middeleeuwen die van ‘stad’, evenals on. staðir gebruikt werd voor bebouwd stuk land’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stad, stede znw., mnl. stat (d), stēde v. “plaats, stad”. De nomin. acc. stat is niet klankwettig, maar naar analogie van de talrijke langsilbige i-stammen opgekomen, waar de i in den nomin. acc. enk. afgevallen was. = onfr. *stat of *stede (dat. enk. stede), ohd. stat (nhd. stadt, statt, stätte), os. stedi, ofri. stede, stidi, sted (ook met th) v., ags. stede (eng. stead), on. staðr, got. staþs (d) m. “plaats”. De bet. “stad” ontwikkelt zich in den loop der middeleeuwen: ’t oudere woord voor “stad” was burg. Ags. stede, on. staðr vertoonen ook de alleroudste bet. van het woord: “het staan, het blijven staan”: germ. *staði-, idg. *st(h)ǝ-ti- is nomen actionis bij den wortel st(h)â- (zie staan), = lat. *stati- (statim acc, als bijw. “dadelijk”; verder de afl. statio “het staan, (stand-)plaats”), gr. stásis “id., opstand”, oi. sthíti- “staan, stand”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stede, stee, is het 1e lid in de samenst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stad v., Mnl. stat, Os. stedi + Ohd. stat (Mhd. id., Nhd. statt en stadt), Ofri. sted, On. stađr, Go. staþs: van denz. wortel als staan met de bet. van standplaats; eerst in ’t Mnl. en in ’t Mhd. komt de bet. stad op (z. stede).

stede, stee v., Mnl. stede, Os. stedi + Ags. stede (Eng. stead), Ofr. stede, is de regelmatige nom.-accus. van stad, welke vorm de slot-i verloren heeft, naar analogie van de langlettergrepige i-stammen. Daar de regelm. nom. steti in ’t Ohd. niet voorkomt, berust Nhd. stätte op het meerv. (z. stad).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stad (zn.) stad; Aajdnederlands stat <857>.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

stee zn. v.: plaats, plek; boerderij, hofstede. Door d-syncope uit Mnl. stede ‘plaats’, Vnnl. stede ‘plaats; landhuis, hoeve’ (Kiliaan). Stede, stee is eigenlijk de klankwettige vorm, want met umlaut uit Germ. *staði-. Vgl. Lat. statio ‘het staan’. In stee van ‘in plaats van’, vgl. E. instead of, D. statt.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

stad s.nw.
Uitgebreide geheel van geboue, strate en pleine, groter as 'n dorp.
Uit Ndl. stad (al Mnl.). Ndl. stad 'uitgebreide geheel van geboue, strate en pleine, groter as 'n dorp' uit stad (Mnl. stat) 'plek'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Stadt (12de eeu).

stat s.nw.
Plek in 'n landelike gebied waar 'n aantal swart families saamwoon.
Vervorm uit stad 'uitgebreide geheel van geboue, strate en pleine, groter as 'n dorp'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1896).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

stad: de stad of Stad, Paramaribo. What* about het logeergebouw*? vroeg er een. - Het logeergebouw is voor hoge gasten uit de stad of uit het buitenland (Vianen 1971: 14). Als losgeslagen waterplanten/ drijvende op de stroom/ etmalen ver/ zijt gij mij:/ Kronenburg en Nijssenweg/ Nickerie en de Stad/ Domburg, Kwatta/ Blauwgrond en Corneliskondre (Shrinivâsi 1968; 1984: 54). - Etym.: Ook in AN zegt men ’de stad’ als men het in een streek heeft over de stad waarop men georiënteerd is. In Suriname is er echter maar één stad, Paramaribo. Ook de inwoners van Nieuw-Nickerie, dat wel een ’stadje’ wordt genoemd, verstaan onder de stad Paramaribo. Zie ook: Town*, stads-*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

stad: mv. stede, doeb. v. stat (q.v.) en v. stede/stee (invan); Ndl. stad (Mnl. stat), Hd. stadt (vgl. ook statt, stätte), Eng. stead, ouer bet. “staanplek”, dan “woonplek”, en reeds i. d. Middeleeue in bet. “stad”, hou verb. m. stade, “plek” (bv. tekom) en m. Lat. statim, “dadelik”, d.w.s. “op die plek”, statio, “standplaas”, en m. Gr. stasis, “plek, posisie; staanhouding; opstand” – sem. ontw. ong.: “staan ... staanplek ... stad.”

stat: mv. statte, doeb. v. stad (q.v.), versameling inboorlinghutte of strooise op platteland (teenoor lokasie by stede en dorpe).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

stad 'plaats met bepaalde rechten'
stat, stede was oorspronkelijk de aanduiding voor een plaats met bepaalde rechten. Zo was een hofstede een plaats waar een boerderij rechtens kon staan en een molenstad een plaats met maalrechten. De huidige betekenis van stad dateert van ten vroegste 1100 en is waarschijnlijk ontstaan te Keulen1. Het verving de oudere begrippen burg en poort ter aanduiding van een stad.
Lit. 1Van Loon 2000 192.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Stad Gods, (het hemelse) Jeruzalem; stad.

In de bijbel wordt met de stad Gods wel Jeruzalem bedoeld, zoals in Psalmen 87:3, 'Heerlijke dingen zijn van u te zeggen, o gij stad Gods!' (NBG-vertaling). De archaïsche verbinding met genitief treffen we niet meer in de NBV aan; hier staat 'stad van God'. Gebruik van deze verbinding in de betekenis 'stad', zoals wij die in hedendaags Nederlands hebben aangetroffen, is ook niet meer in de NBG-vertaling te vinden, maar wel in de Statenvertaling (1637) in Jona 3:3, 'Nineve nu was eene groote stadt Godts, van drie dachreysen'. Op deze plaats zal de uitdrukking dan ook teruggaan.

Liesveldtbijbel (1526), Jona 3:3. Ni[n]e[u]e was een grote stadt Gods, drie dach reysen groot.
De reeds zeer oude Mandalasymbolen uit het Verre Oosten, het beeld van het hemelse Jeruzalem, de Stad Gods uit de Apocalyps, zoals dit in het derde boek van de 'Divina Comedia' verschijnt in de vorm van een grote, doorlichte hemelroos'. (De Nieuwe Eeuw, 19-6-1948)
Hij genoot van de heldere vlakken van land, lucht en water en bedacht dat het schip toch een mooie uitvinding was: het had van een hindernis een hulpmiddel gemaakt -- de zeeën en rivieren tot pleinen en straten van een grote stad Gods. (P.F. Thomése, Zuidland, 1990, p. 62)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stad, afl. van staan en bet. oorspr.: de plaats waar men staat; vgl. in zijn stad = in zijn plaats, waarvoor ook stede wordt gebruikt. Zoo spreekt Hooft van steehouders voor plaats-houders of plaatsbewaarders, plaatsvervangers: „de aardbezen zijn de steehouders van de pruimen”. Daar stad, stede dus oorspr. bet.: de plaats, waar men staat, verviel allengs deze laatste beperking en kreeg stad, stede ook de bet. van plaats in ’t algemeen, b.v. waar men zit (stadhouder), slaapt (bedstede), stookt (haardstede), of ook woont (woonstede, woonstad). Vgl. ’t Mnl.: „Hi vertelt ’t te 7 staden = plaatsen. Eerst in het Mnl. verkreeg stad, stede meer de thans gebruikelijke bet. van versterkte woonplaats (vroeger „poort” of „burg”; vgl. poorters of burgers).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stad ‘grote plaats’ -> Engels † stade ‘belangrijkste plaats, hoofdstad’; Zweeds stad ‘grote plaats’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels stat ‘zwarte nederzetting’ <via Afrikaans>; Negerhollands stadt, stad ‘grote plaats’; Berbice-Nederlands stati ‘grote plaats’; Skepi-Nederlands stat ‘grote plaats’; Papiaments stat, stad ‘grote plaats’; Surinaams-Javaans setat ‘de stad (Paramaribo)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stad* grote plaats 0857 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2151. Het kan beter van de stad dan van het dorp,

Men bezigt deze zegswijze, om te kennen te geven, dat eene uitgaaf beter door een rijke (of meer gegoede) kan worden betaald dan door een arme (of minder gegoede); Harreb. I, 149 b; Nest, 30; Handelingen der Stat. Gen. 1913-1914, p. 700: Het (onderhoud eener haven) kan beter van een stad dan van een dorp en beter van het Rijk dan van de provincie; syn. het kan beter van den zak dan van den band (o.a. Bergsma, 27); bij Joos, 210; Rutten, 110 b; Antw. Idiot. 639 en Claes, 106: 't kan beter van de kerk als van den arme (of den disch, de kapelle); in het Antw. Idiot. 1617: 't kan beter van de broek als van den band, het past beter aan een jongen te trakteeren dan aan een meisje; 't kan beter van een schip dan van een schuit (Van Eijk, 122; Harreb. II, 250); in 't fri.: it kin better fen 'e skeaf (schoof) as fen 'e bân (band).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

stā- : stǝ- ‘stehen, stellen’, redupliziert si-stā-, erweitert stāi- : stī̆-, stāu- : stū̆- und st-eu-, stā-dho- ‘Stand’, stā-lo- ‘Gestell’, stā-men- ‘Standort, Statur’, stā-no- ds., stā-ro- ‘groß’, stǝ-ro- ds., stā-ter- ‘Lenker’, stā-ti-, stā-to-, stā-tu- ‘das Stehen’, stǝ-to- ds., stǝ-ti̯o-, stǝ-ti- ‘stehend’, stā-tlo-, stǝ-tlo- ‘Stand’, -sti-, -sto- ‘stehend’, stāu-ro- : stǝu-ro- : stū̆-ro- ‘fest, stark, feststehend, Ständer’, st-eu-ro- ‘Stier’, stā-u̯o- ‘das Stehen, Stellung’

A. Ai. tiṣṭhati, av. hištaiti, ap. 3. Sg. Impf. a-ištata ‘stehn’ (: lat. sistō, ir. -sissiur; athem. noch gr. ἵστημι, während spät ahd. sestōn ‘disponere’ aus dem roman. ital. assestāre ‘in Ordnung bringen’ entlehnt ist), Aor. ai. á-sthā-m (= gr. ἔστην), Perf. tasthā́u, tasthimá, tasthivas-; gr. ἵστημι (dor. ἵστᾱμι) ‘stelle’, Aor. ἔστην, Perf. ἕστηκα, ἕσταμεν, ἑσταώς (ἐπί-σταμαι ‘verstehe’ wohl Neubildung nach Aor. ἐπι-σταίμην, ἐπι-στάμενος); ἱστός ‘Mastbaum, der senkrechte Weberbaum, Gewebe’;
av. ap. stāya- ‘stellen; Med. sich stellen’;
lat. sistō ‘stelle’, umbr. sestu ‘sistō’, volsk. sistiatiens ‘statuērunt’;
air. tair-(ś)issiur ‘stehe, bleibe stehen’, ar-sissedar ‘insistitur, innititur’, fo-sissedar ‘tritt ein für’ (sessam ‘das Stehen’, sessed ds. usw.);
lat. stō (stāre, stetī) = umbr. stahu ‘stehe’, *stā-i̯ō; altlat. wohl auch trans. ‘stellen’; osk. staít (*stai̯ei̯eti) ‘stat’ Pl. stahínt, eestínt (*ēstai̯ei̯ent) ‘extant’; air. ad-tāu, -tō ‘ich befinde mich, bin’ (*stā-i̯ō), 3. Sg. (ad)-tā = cymr. taw ‘daß es ist’ aus *stā-t, unpersönl. Passiv tāthar ‘man ist (böse)’aus *stā-to-ro (?), mcymr. Impersonale ny-m-dawr ‘es kümmert mich nicht’, corn. ny-m-deur (*tā-ro-) ‘ich will nicht’; air. ness- (*ni-stā-) ‘niedertreten’ in com-ness- ds., ‘verurteilen’, dī-ness ‘verachten’, to-ness- ‘betreten’, ar-ossa ‘erwartet’ (*are-uks-stā-); assae ‘leicht zu tun’ aus *ad-stā-i̯o- ‘adponendus’;
as. ahd. stān, stēn ‘stehen’; Reimwortbildungen zu gēn, gān ‘gehen’ (S. 419); mit t-Erweiterung: Prät. got. stōþ, aisl. stōð, as. stōd, ahd. stuot (meist stuont nach dem Präs.) ‘ich stand’, wozu mit präsentischer Nasalierung got. as. standan, aisl. standa, ags. stondan, ahd. stantan ‘stehen’; dazu ahd. stanta ‘Kübel, Kufe’ und mit neuem Ablaut aisl. stund ‘Zeit(punkt), Weile, Stunde, Länge’, ags. stund f. ‘bestimmte Zeit, Stunde, Mal’, as. stunda ‘Zeit(punkt)’, ahd. stunta ds., spätmhd. auch ‘Stunde’;
lit. stóju (*stāi̯ō), stóti ‘treten’, aksl. *stajǫ, stati ‘sich stellen’, stojǫ stojati (*stǝi̯ēti) ‘stehen’; toch. В ste ‘ist’, 3. Pl. stare.
B. idg. n-Präs. *stǝ-nā- in av. fra-stanvanti ‘sie kommen voran’, arm. stanam ‘erstehe, erwerbe’, gr. kret. στανύω ‘stelle’ (Neubildung gr. ἱστάνω); lat. prae-stināre ‘den Preis vorher feststellen, kaufen’, dēstināre ‘festmachen, festsetzen, fest beschließen’ (dēstina ‘Stütze’), obstināre ‘auf etwas bestehen’; alb. shtonj ‘vermehre’ (‘*stelle, staple auf’); aksl. stanǫ (Inf. stati) ‘werde mich stellen, treten’; apr. postānimai ‘wir werden’, postāt ‘werden’, stānintei ‘stehend’; toch. В stäm- ‘stehen’; vgl. auch die Nomina mit n-Formantien.
C. Wurzel-Nomina als 2. Kompositionsglieder:
ai. ni-ṣṭhā́- ‘hervorstehend, -ragend’, pari-ṣṭhā́- ‘(*herumstehend =) hemmend’, f. ‘Hindernis’, pr̥thivi-ṣṭhā- (und -ṣṭhá-) ‘auf dem Boden stehend, fest auftretend’, rathē-ṣṭhā́- ‘auf dem Wagen stehend, kämpfend’ = av. raθaē-štā- ‘Krieger’; gr. θέμις, -στος ‘Recht, Gesetz’ (ursprüngl. Göttername ‘die fest und unverbrüchlich Stehende’, *θεμί-στᾱ), gr. μετανάστης ‘wer seinen ursprünglichen Wohnsitz durch Aufstehen, Wegzug verändert hat’; air. hiress ‘Glaube’ (Präf.*[p]eri + stā).
D. -st-o-: ai. z. B. prati-ṣṭhá- ‘feststehend’ (-ṣṭhā f. ‘Stillestehen, Beharren’), duḥ-stha- = gr. δύσ[σ]τος “δύστηνος”, bala-stha- ‘in voller Kraft stehend’ u. dgl.; Subst. pra-stha- m. ‘Bergebene’ (‘hervorstehend’) = air. ross ‘Vorgebirge, Wald’, mbret. ross ‘Hügel’, cymr. rhos ‘Moor’, aksl. Adj. ‘gerade, schlicht, einfach’; ai. pr̥-ṣṭhá- n. ‘Rücken’ usw. (S. 813); gr. παστός ‘Bettvorhang’ (vgl. mit d-Suffix gr. παραστάς, παστάς usw. ebenda); ai. gōṣṭhá- m. n. ‘Kuhstall’, bhayá-stha- m. n. ‘gefahrvolle Lage’, ahd. ewi-st m. ‘Schafstall, Schafhürde’, aisl. nau-st n. ‘Schuppen für Schiffe, Schiffshaus’; alb. breshtë, bresht f. ‘Tannenwald’ (: brē ‘Tanne’) u. dgl.; altillyr. Tergeste, Λαδεστα, -στον usw.; ai. tri-ṣṭhá- ‘auf drei Unterlagen stehend’, osk. trstus ‘testes’ (tristaamentud ‘testamento’), lat. (zum. i-St. geworden) testis (*tri-sto-) ‘wer als dritter, als Zeuge bei zwei Streitenden steht’, air. tress- ‘dritter’; lat. caelestis ‘incaelo stationem habens’ (ursprüngl. o-St., vgl. ἅπαξ λεγ. Veneris caelestae), agrestis ‘ländlich’; lit. atstùs ‘fern’ (: atstóti ‘sich entfernen’; vom Adverb atstù = Instr. auf -ṓ ausgegangen), lett. nuô-st Adv. ‘weg, hinweg, fort’; lat. praestō ‘gegenwärtig, da, zur Hand, zu Diensten’; praestōlarī ‘bereitstehen’ wohl aus *praestōdārī;
als idg. *st[ǝ]ti-s mit in der Komposition geschwundenem ǝ sind hingegen aufzufassen:
ai. pr̥-ṣṭi- f. ‘Rücken’ usw. (S. 813 Mitte) und prati-ṣṭhi- ‘Widerstand’; gr. ἔξαστις ‘aus dem Gewebe vorstehender Faden’ (*ἔξ-αν-στις), κατ’ ἄντηστιν ‘gegenüber’ (*αντην-στι-); lit. dim-stis ‘Hofraum, Hof, Gut’.
E. Nomina mit Dental-Suffixen:
1. lat. super-stes, anti-stes (*stǝ-t-);
2. Partiz. ai. sthitá- ‘stehend’ (av. stāti- ‘stehend’ mit geneuerter Hochstufe), gr. στατός ‘gestellt, stehend’, lat. (osk.-volsk.) status ‘gestellt’; air. fossad ‘fest’, cymr. gwastad ‘planus, constans, aequus’ (*upo-statos); aisl. staðr ‘zum Stehen geneigt, stätig’ (bes. von Pferden) Ableitung mhd. stetec ds.; ahd. stata f. ‘bequemer Ort oder Zeitpunkt, Hilfe’, nhd. zustatten; ahd. gistatōn ‘gute Gelegenheit geben, gestatten’, aisl. steðja ‘stellen, bestätigen, gestatten’, mnd. steden ds., ags. stæþþan ‘zum Stehen bringen’; lit. stataũ, -ýti ‘stellen’;
3. alb. mështet, pshtet ‘stütze, lehne an’, fstetem ‘bleibe’ (zum Verbaladj. *stǝ-to-);
4. ai. sthíti- f. ‘das Stehen, Stand, Bestand’, av. stāti- ‘Stehen, Aufstellung’; gr. στάσις, -εως ‘Stellung, Stand; Aufstand’ (στατικός, στάσιμος);
lat. statim ‘während des Stehens, stehend’; klass. ‘auf der Stelle’, statiō = osk. statíf ‘Standort’, got. staþs m. (i-St.), aisl. staðr m., ahd. stat f. ‘Ort, Stelle, Stätte, Stadt’, ags. stede, styde f. ‘das Stehen, Stehenbleiben, Stätte’ (vgl. auch anord. en-St. steði m., Gen. steðja ‘Amboß’ aus *staþjan-, eigentlich ‘Ständer’); hochstufig av. stāiti- ‘Stehen, Stand, Aufstellung’, aksl. postatь ‘Bestimmung’, Inf. lit. stóti, lett. stāt, apr. stāt, aksl. stati ‘sich stellen, treten’;
lat. status, -ūs ‘das Stehen, Stellung, Stand’, statuō, -ere ‘hin-, aufstellen’, umbr. statita ‘statūta’; bret. steut, cymr. ystawd ‘Garben’ (*stā-tā), bret. steudenn ‘Zapfen, Nagel’ (*stā-t-), Loth RC. 43, 154 f.; lit. statùs ‘stehend, steil’, got. staþa Dat., as. stath m., ahd.stad, stado m. ‘Landungsort, Ufer, Gestade’; aisl. stǫð f. ‘Landungsort, Stellung’, stǫðva ‘zum Stehen bringen’ (*staþwō(n), vgl. lat. statu-s, -ere); staði ‘Heustapel in der Scheune’ (= mnd. stade ‘Ort, wo die Ernte aufgehäuft wird’).
5. mit dh-Suffix: cymr. an-sawdd ‘das Festmachen’, air. sādud (*stādh-ī-tu-) ds.; aisl. stōð n. ‘Standort, Herde von Stuten mit einem oder mehreren Hengsten’, ags. stōd n. ‘Pferdeherde’, mnd. stōt (-d-) f. ‘Einzäunung für Pferde, Herde von Zuchtpferden’, ahd. stuot f. ‘Herde von Zuchtpferden’, auch ‘Stute’, nhd. Stute; aisl. (z. B. hug-) stø̄ðr ‘feststehend, fest’ (eher idg. t wegen got. ungastoþai ‘ohne festen Stand’; t oder dh mit analog. Ablaut ē: ahd. stāti ‘fest, dauerhaft, stet’, mnd. stēde ‘fest, beständig’); Kaus. got. ana-, du-stōdjan ‘anfangen’, aisl. stø̄ða ‘zum Stehen bringen’; mit germ. *stōþia- lautet ab lit. stãčias ‘stehend’; lit. statìnė ‘große Holzwanne’;
6. ai. sthātar- ‘Lenker’, sthātr̥ n. ‘das Stehende’, lat. stātor; gr. στατήρ, -ῆρος ‘ein Gewicht und eine Münze’; *st[ǝ]-ter mit Schwund des ǝ im Kompositum, vielleicht in ai. savya(ē)-ṣṭhar- ‘der links stehende Wagenkämpfer’, av. raθaē-štar- ‘Krieger, Kriegsheld’ (wie raθaē-štā-, s. oben; vielleicht aber Umbildung von -ṣṭhā nach den Nomina agentis auf -tar);
7. lat. obstāculum ‘Hindernis’ n.; cymr. cystadl ‘gleichwertig’, distadl ‘wertlos’ (*stǝ-tlo-); aisl. stǫðull m. ‘Melkplatz, Senne’ = ags. staþol ‘Grundlage, Stellung, Platz’, as. stathal ‘Stellung’, mnd. stadel ‘Scheune’, ahd. stadal ‘Stand, Kornscheuer’, nhd. (süddt.) Stadel, älter dän. stedel ‘Grund, Hofstätte’; lit. stãklės Pl. ‘Webstuhl’; lit. stãklė ‘Pfahl’, lett. staklis ‘ds. Zacke, Zinne, Gabel’, apr. stakle ‘Stütze’ (mit kl aus tl).
8. mit Formans -dhlo-: lat. stabulum ‘Standort, Aufenthalt; Lager wilder Tiere, Stall’ (prōstibulum ‘Ding zum öffentlich Ausstehen, Dirne’, naustibulum ‘Schiffstandort, Gefäß in Schiffsform’), stabilis ‘feststehend, standhaft’, umbr. staflarem ‘stabulārem’, osk. staflatas-set ‘statutae sunt’, pälign. pri-stafalacirix ‘*praestibulātrix, antistita’;
vereinzeltere Dentalableitungen: -dh- in gr. σταθμός, meist Pl. σταθμά ‘Stand, Standort, Gewicht’, σταθερός ‘stehend, unbeweglich, fest’; -d- in στάδιος ‘stehend, unbeweglich, steif, zugewogen’, στάδην ‘stehend’, ἀπο-σταδόν ‘fern abstehend’.
9. mit l-Formantien:
cymr. cystal ‘ebensogut’ (*kom-sta-lo-); got. stōls ‘Thron’, ahd. stuol, ags. stōl, anord. stōll ‘Stuhl’, lit. pastõlai ‘Gestell für Bienenkörbe’, tiefstufig aksl. stolъ ‘Thron, Sitz’, in den neuern slav. Spr. ‘Stuhl’ oder ‘Tisch’.
10. mit m-Formantien:
ai. sthā́man- n. ‘Standort, Kraft’; gr. στήμων m., στήμεναι ‘stehen’, lat. stāmen n. ‘Aufzug am aufrecht stehenden Webstuhl, usw.’, umbr. Dat. stahmei ‘statiōni’; stahmito ‘statūtum’; air. sessam ‘das Stehen’ (*si-stā-mu-), foessam ‘Schutz’ (*upo-si-sta-mu-) = mcymr. gwaessaw ‘Garantie’; got. stōma ‘ὑπόστασις, Grundlage, Stoff’; lit. stomuõ, -eñs ‘Statur’; russ. stamík ‘Stützbalken’;
gr. στάμνος ‘Krug’, σταμῖν-ες Pl. ‘Ständer, Seitenbalken’; cymr. cysefin ‘erster’ (*kentu-stamīno-); mir. samaigim ‘stelle’, cymr. sefyll, corn. sevell ‘stehen’, bret. sévell (*stamili̯o-) ‘errichten, bauen’ (daneben mit kelt. t air. tamun ‘Baumstamm’; ahd. stam, stammes ‘Stamm’ usw. scheint Verquikkung eines verwandten *stamna- mit einem staƀna-, s. *steb- ‘Pfosten’); toch. A ṣtām, В stām ‘Baum’; aber ahd. ungistuomi ‘ungestüm’ zu stem- ‘hemmen’, s. dort.
11. mit n-Formantien (vgl. die Präsensbildungen mit n):
ai. sthā́na- n., av. ap. stāna- n. ‘Standort, Ort, Platz’, npers. sitān, gr. δύσ-[σ]τηνος, dor. δύστᾱνος ‘(in schlechtem Zustande) unglücklich’, ἄστηνος ds., lit. stónas ‘Stand’, aksl. stanъ ‘Stand, Lager’, alb. shtuarë ‘stehend’, shtorazë ‘aufrecht’ (*stā-no-di̯o-, vgl. zum d-Suffix gr. ἀποσταδόν usw.), shtâzë, shtėzë ‘Vieh’ (*stan-zë).
12. mit r-Formans: ai. sthirá- ‘fest, unbeweglich’; lit. stóras ‘dick, umfangreich’ (eigentlich ‘stämmig’), aksl. starъ ‘alt’ (‘*stämmig’ im Gegensatz zur zarteren Jugend), anord. stōrr ‘groß’, as. stōri ‘groß, berühmt’, ags. stōr ‘gewaltig’;
13. mit dem von *stā-i̯ō weitergebildet: ai. jala-sthāya- m. ‘Wasserbehälter’, sthāyin- ‘stille stehend, verweilend, stetig’ u. dgl., sthēmán- m. ‘Festigkeit, Ruhe, Dauer’ (*sthayiman-).
F. st(h)āu-: st(h)ū-: lit. stóviu, -ė́ti ‘stehen’ (Memel stáunu), stovà ‘Stelle’, stõvis ‘Zustand’, stovùs ‘stehend (vom Wasser)’, lett. stãvu, stãvêt ‘stehen’, stãvus ‘stehend, aufrecht’; stãvs ‘steil’, stāvs ‘Gestalt’, stāvi, stāve ‘Webstuhl’; aksl. staviti ‘stellen’, stavъ ‘Stand, Gefüge’; ags. stōw, afries. stō f. ‘Stelle’, aisl. eld-stō ‘Feuerstätte’; got. stōjan ‘richten’ (vielleicht *stōwjan : aksl. staviti), staua f. ‘Gericht’ (*stōwō), staua m. ‘Richter’, ags. stōwian ‘zurückhalten’, engl. stow ‘stauen’, ahd. mhd. stouwen (*stawjan) ‘(au)klagen; (scheltend) gebieten; Refl. sich stauen’, nhd. stauen; mit ū: ahd. stūatago ‘Gerichtstag’, stūan ‘anklagen, schelten, hemmen’, mnd. stūwen (= stouwen, stōwen) ‘stauen’, usw.;
mit Abtönung stōu-: gr. *στωϝ-ός ‘Säule’ in att. στοιά, στοά (*στωϝι̯ᾱ), äol. στωΐα ‘Säulenhalle’, στωΐδιον Demin., στωικός ‘zur Schule der Stoa gehörig’, στώμιξ· δοκὶς ξυλίνη Hes.;
schwachstufig: ai. sthūṇā ‘Säule’ (mind. aus n), av. stū̆na, stunā ‘Säule’; gr. στύ̄ω ‘steife, richte empor’, Med. ‘bin steil aufgerichtet’, στῦμα n. ‘erectio penis’, στύμος· στέλεχος, κορμός; στῦλος m. ‘Säule, Griffel’, στύραξ ‘das untere Ende der Lanze’; aisl. stūmi ‘ein Riese’; mhd. stūnende ‘widersetzlich’, nhd. staunen als ‘starr blicken’; keine Belege für diese Ablautstufe sind hingegen die u-St. ai. su-ṣṭhú Adv. ‘gut, schön’, anu-ṣṭhú, anu-ṣṭhuyā́ ‘sogleich’;
mit t-Formans dazu: aisl. stoð (Pl. stoðir, støðr, steðr) f. ‘Stütze, Pfosten, Unterstützung’, ags. stuðu, studu f. ‘Stütze, Pfosten’, mhd. stud f. ds., aisl. stuðill m.ds., mhd. studel ‘Pfosten, Turpfosten’;
aisl. styðja ‘stützen’, ahd. studen ‘festmachen, statuere’, aisl. stoða ‘unterstützen, helfen’; mit intens. Konsonantendehnung: mnd. stutten ‘(unter-)stützen’, ahd. (unter)stutzen, nhd. (unter)stützen; auch ahd. stūdaStaude’; lett. stute, stuta ‘Reis, Rute’;
reduktionsstufig stǝu-: gr. σταυρός ‘Pfahl’ = aisl. staurr ‘Pfahl’ (ablaut. norw. dial.styr, styrja ‘lange Stange, steife Person’); lat. in: instaurāre ‘instand setzen’ (ursprünglich von Stangen, Ständern beim Bau), restaurāre ‘wiederinstandsetzen’.
G. st-eu-, st-eu̯ǝ- ‘massiv, fest, dick, breit’ (germ. stiura s. u.) als ‘standsicher, feststehend’ in ai. sthāvará- ‘dick, feststehend, beständig’ (letztere Bed. und die Vokallänge vielleicht durch Anlehnung an sthā- ‘stehen’), sthávira- ‘breit, dick, derb, dicht, alt’, (oder nach dem Komp. Sup. erfolgter Ersatz für:) ai. sthūrá-, sthūlá- ‘dick’ = av. stūra- ‘umfangreich, stark, derb’ (Kompositionsform stūi-, stvi-, d. i. *stuvi-), Kompar. Superl. ai. sthávīyas-, av. staoyā̊ ‘der Umfangreichere, Stärkere, Größere’, ai. sthá-viṣṭha-, av. stāvišta- ‘der Stärkste, Derbste, Gröbste’, ai. stháviman- n. ‘Breite’, av. stavah- n. ‘Dicke, Starke’; arm. stvar ‘dick’ (*stuu̯ar-);
aschw. stūr ‘groß’ (neben stōr, s. oben), stȳras ‘großtun’, mnd. stūr ‘groß, stark, schwer; störrisch, grob, unfreundlich’ (vgl. ai. ni-ṣṭhura- ‘rauh, hart, grob’, ni-ṣṭhūrin- ‘grob, roh’), aisl. stūra ‘Düsterheit’, Vb. ‘betrübt sein’ (nschw. stūra ‘starr hinsehen’ in der Bed. nach der Sippe von nhd. stieren umgeändert), hochstufig ahd. stiuri ‘stark, stattlich, stolz’;
mit anderer Bedeutung: ahd. stiura, mhd. stiure ‘Stütze, Steuerruder, Unterstützung, Steuer’, nhd. Steuer f. und (aus dem Nd.) n., ags. stēor f. ‘Steuerruder’, aisl. stȳri n. ‘Steuerruder’, mnd. stür(e) n. ‘Steuerruder’, f. n. ‘Regierung; Hilfe, Gegenwehr’, f. ‘Unterstützung’, got. us-stiurei ‘Zügellosigkeit’, mnd. unstǖre ds., got. stiurjan ‘feststellen, behaupten’, nhd.zur Steuer der Wahrheit, aisl. stȳra ‘ein Schiff steuern; regieren’, ags. stīeran ds., ahd. stiurren ‘stützen, steuern, lenken’; wohl ursprüngl. ‘Pfahl, Steuerruder (sekundär: damit stützen, lenken)’, mit aisl. staurr, gr. σταυρός (s. oben) unter *stēu-ro- : *stǝu̯-ro- vereinbar, das von *st(h)āu- nicht ganz getrennt werden könnte;
zu ai. sthūrá- usw. stellt sich wohl idg. steu-ro- ‘Stier (und anderes Großvieh)’:
av. staora- ‘Großvieh’, mpers. stōr ‘Zugtier, Roß’, got. stiur m. ‘Stierkalb, Stier’ (nach W. Schulze Kl. Schr. 483 = ai. sthávira-); ahd. stior, ags. stēor, aisl. stiōrr (neben þjōrr) ‘Stier’.

WP. II 603 ff., WH. I 343 f., 705 f., Trautmann 280 ff., Vasmer 3, 2 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal