Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

staar - (oogziekte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

staar zn. ‘oogziekte’
Vnnl. sterre, starre ‘grauwe staar’, met de aantekening ‘Duits, Rijnlands’ [1599; Kil.], star in Dit gebreck noemen de Geneesmeesters ... in Duytsch de swarte Star ‘dit gebrek noemen de artsen in de volkstaal (hier: het Nederlands) de zwarte staar’ [1642; iWNT star V]; nnl. staar in Als de Staar zal geligt worden ‘als de staar (beschouwd als een vlies op het oog) verwijderd wordt’ [1777; Buys], Het geen in 't nederduitsch een vlies agter of in het Oog genoemt word, heeten de hoogduitsche Geneesmeesters ... de Staar [1778; Chomel].
Ontleend aan Duits Star ‘staar’ [16e eeuw; Kluge], een relatief jong zn. dat is gevormd bij het bn. starblind ‘staarblind’ < Oudhoogduits starablint, dat al vanaf de 8e eeuw in verscheidene Germaanse talen is geattesteerd; zo ook mnl. stareblint in Ghi sijt ... stareblent [1285; VMNW], maar het is niet aannemelijk dat de ziektenaam staar hieruit in het Nederlands zelf is gevormd.
Het eerste lid in deze samenstelling moet een woord zijn geweest dat ‘troebel, vervuild e.d.’ betekende en dat slechts is overgeleverd als mnl. staer ‘donker, troebel’ [1485; MNW] en in het Noors, zie onder.
Evenzo ontleend zijn: mnd. stār; nfri. staar; nzw. starr; alle ‘staar’.
Een met mnl. staer ‘donker, troebel’ < pgm. *stara- vergelijkbare betekenis is in de Germaanse talen alleen te vinden bij ablautend nno. stor ‘rotting’.
Misschien verwant met: Latijn stercus ‘fecaliën’; Grieks stergános ‘wijnazijn’; Litouws traškanos ‘etter in de ogen’; Oudkerkslavisch stĭrvŭ ‘kadaver’; Welsh trwnc ‘urine; bezinksel’; Armeens t'arax ‘etter’; < pie. *(s)ter- resp. met velaar-uitbreiding *(s)terḱ- en *(s)terǵ- (IEW 1031-32).
Kenmerkend voor staar is de vertroebeling of verduistering van het zicht: veelvoorkomende vormen zijn grauwe staar of cataract, die zich kenmerkt door een vertroebeling van de ooglens, en groene staar of glaucoom, die wel werd omschreven als “een verduistering van het Christallynen vocht” (d.w.z. glasvocht) (Buys 1777). Tot in de 19e eeuw treft men in de medische literatuur de opvatting aan, dat grauwe staar ontstaat door het doordringen van onrein vocht in het oog, dat daarin stolt en een vlies of schil vormt.
De 16e- en 17e-eeuwse, slechts sporadisch aangetroffen vormen met korte a en e zijn eveneens ontleend aan het Duits; in het Vroegnieuwhoogduits is er namelijk een contaminatie opgetreden van het van staar afgeleide werkwoord → staren met starren ‘stijf worden of zijn’, dat een geheel andere herkomst heeft, zie → star. Onder invloed hiervan verschenen er nevenvormen met korte klinker als starr, sterre en starrblind. Onder invloed van datzelfde bn. star ‘stijf’ (Duits starr) is de oorspr. betekenis van staarblind, namelijk ‘door staar (vertroebeling) in het zien belemmerd’ in een aantal talen en dialecten veranderd in ‘met open, starre ogen’, en/of ‘geheel blind’. Dit is echter een geheel ander benoemingsmotief, dat niet past voor staar, waarbij de ogen juist niet star en zonder elk gezichtsvermogen zijn.
Lit.: E. Buys (1777), Nieuw en Volkomen Woordenboek van Konsten en Wetenschappen, Amsterdam, deel 9, 666

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

staar1* [oogziekte] {1778} < hoogduits Star, vgl. verouderd nederlands sterre, starre [idem] {1599} en middelnederlands te stare staen [starogen] (als stare hier een vr. zn. is), anders van star [strak, stijf, onbeweeglijk], vgl. middelnederlands staerblint [stekeblind]; behorend bij staren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

staar znw. v., eerst sedert Kiliaen, is te vergelijken met mnd. star ‘staar, starheid in het oog’. Evenals nhd. star kan het nnl. staar geabstraheerd zijn uit de samenstelling mnl. staerblint, mnd. starblint, ohd. staraplint, ofri. starublind, oe. stærblind ‘met starende ogen blind’. — Zie verder: star en staren. De vorm met lange a kan ook uitgegaan zijn van uitdrukkingen als mnl. te stāre staen ‘het strak zijn van de ogen, zoals bij een dode. — Het ne. stark blind is een vervorming van de oe. vormen stareblind, stærblind.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

staar znw., nog niet bij Kil. Of uit nhd. star m. “staar”, dat als uit starblind geabstraheerd wordt beschouwd, òf in ’t Ndl. gevormd bij de casus obliqui van mnl. *star “starheid van ’t oog”, alleen bekend in de uitdr. te stāre staen “strak, onbeweeglijk zijn” (van de oogen, bijv. bij een doode) = mnd. star o. “staar, starheid van ’t oog”, ’t Zelfde woord in de samenst. mnl. staerblint (d; nnl. staarblind), ohd. staraplint (nhd. starblind), mnd. stā̆rblint, ofri. starublind, stareblind, ags. stareblind, stær(e)blind “staarblind, geheel blind” (eng. vervormd tot stark blind). Hierbij het ww. staren, mnl. stāren, ohd. starên, mnd. stāren, ags. starian (eng. to stare), on. stara “staren”. Het bnw. star, Kil. sterre, starre (“vetus”), nhd. starr “strak” is blijkbaar bij Kil. starren, sterren, mhd., mnd. starren “star kijken, staren” gevormd, dat zelf ook wel eerst een secundaire vorm naast staren zal wezen. Met ablaut ohd. storrên “stijf zijn of worden”, got. and-staúrran “bedreigen, morren tegen”. De bet. maakt verwantschap met gr. stereós “stijf, hard” en hoogerop met de idg. basis st(h)â- (zie staan) wsch. Germ. *stara- zou ook = oi. sthirá- “vast, strak, hard” kunnen zijn; dit is met ’t idg. nominaalformans -ro- direct van de basis st(h)â-, st(h)ǝ- gevormd. Ook os. stôri, ofri., ags. stôr, on. stôrr “groot”, oier. sâr “iets van belang”, nier. sâr-, târ- versterkend prefix, obg. starŭ “oud”, lit. stóras “dik” hooren hierbij (voor de bet. vgl. ndl. stevig en oi. sthûrá- bij stuurs). Zie nog sterven, sterk, streng I, streng II, strijden, stroef, strompelen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

staar znw., is niet vóór het eind van de 18e eeuw opgetekend en dus wsch. aan het Hd. ontleend, resp. onder hd. invloed vervormd uit 17e-eeuws star, Kil. sterre, starre ‘staar’, dat zich bij het bnw. star aansluit.
Of oier. sâr, nier. sâr-, târ- terecht in dit verband worden genoemd, is twijfelachtig: zie WP. II, 607, 482.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

staar v., + Hgd. star: een moderne vorming uit *staarblind: z. sterblind.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

staar ‘oogziekte’ -> Duits Starraugen ‘oogziekte’; Deens stær ‘oogziekte’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stær ‘oogziekte’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds starr ‘oogziekte’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch star ‘oogziekte’; Sranantongo star ‘oogziekte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

staar* oogziekte 1778 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

stāi-, stī̆-, sti̯-ā- ‘verdichten, zusammendrängen, stopfen; sich verdichten, gerinnen, stocken’, dazu stē̆ib(h)-, stē̆ip- ‘Stange usw.’, stī̆-i̯ā ‘etwas Dichtes’, stī-mo-, stī̆-ro- ‘dicht’

Ai. styā́yatē ‘gerinnt, wird hart’, Partiz. styāna-; (Gramm.) prastīma- ‘gedrängt, gehäuft’, stīmá- ‘träge’ (eig. ‘gestockt’), viṣṭīmín- Bez. des cunnus, stíyā f. ‘träges, stehendes Wasser’, stimita- ‘schwerfällig, träge, unbeweglich, naß’; av. stā(y)- ‘Haufen, Masse’;
gr. στέᾱρ, στέᾱτος ‘stehendes Fett, Talg’ (*stāi̯r̥); hom. ἀγχι-στῖνος ‘nahe aneinandergedrängt’ (vgl. ai. styā-na-); στί̄α f., στῖον n. ‘Steinchen’; στίλη ‘Tropfen’ (vgl. lat. stīria, stīlla);
lat. stīria ‘gefrorener Tropfen, Eiszapfen’, Demin. stīlla ‘Tropfen’ (*stīr[e]);
nisl. stīrur ‘stiffness in the eyes’, norw. stīra, aisl. stira, dän. schwed. stirra ‘starren, stieren’, ostfries. stīr ‘steif, starr’, nhd. stier, stieren; lit. styrstù, stỹrti ‘erstarren’, stýrau, -oti ‘steif und lümmelhaft dastehen’;
aisl. stīm n. ‘Unruhe, Lärm’, norw. stīm ‘Fischschwarm’, mhd. stīm, steim ‘bunte Menge, Getümmel’;
got. stains, aisl. steinn, ags. stān, ahd. stein ‘Stein’;
aksl. sténa ‘Wand, Mauer’, stěnьnъ ‘steinig’;
vielleicht auch aisl. stī n. ‘Stall’, stīa ‘einhegen’, ags. stig, stī ‘Schweinestall; Halle’, mnd. stege ‘Pferch’, ahd. stīga, mhd. stīge, stīje ‘Stall oder Lattenverschlag für Kleinvieh’;
lit. stìngti ‘gerinnen’, lett. stingt ‘kompakt werden’, stingrs ‘stramm, starr, zusammenhaltend, gespannt, steif’;
über lat. timeō ‘fürchte mich’, usw. s. WH. II 682.

WP. II 610 f., WH. II 595;s. auch steu̯ǝ- S. 1035.

(s)ter-1, (s)terǝ- : (s)trē- ‘starr, steif sein, starrer, fester Gegenstand, bes. Pflanzenstamm oder -stengel; steif gehen, stolpern, fallen, stolzieren’, s. auch ster- ‘unfruchtbar’ und ster- ‘steifer Pflanzenschaft’, weiter treg- ‘alle Kräfte anstrengen’, strenk- ‘straff’

A. Gr. στερεός (att. auch στερρός aus *στερεός) ‘starr, fest, hart’, στέριφος ds. (auch ‘unfruchtbar’, s. ster-6 ‘unfruchtbar’), στερέμνιος ds.; στεῖρα ‘Kielbalken’, dehnstufig: στῆρα· τὰ λίθινα πρόθυρα Hes., στηρίζω (Fut. -ξω) ‘fest stützen, stemmen’, Med. Pass. ‘sich stützen, sich feststemmen’, στῆριγξ, -γγος ‘Stütze’, wozu σκηρίπτω ‘stütze’, Med. ‘stütze mich, stemme mich’, dissimil. aus *στηρίπτω;
στρηνής, στρηνός ‘hart, scharf, kraftvoll’, στρῆνος n. ‘heftiges Verlangen, Kraft, Übermut’, στρηνιᾶν ‘übermütig sein’, στρηνύζω ‘schreie rauh’ (in formant. Bez. zu lat. strēnuus??), lat. strēnuus ‘voll rüstiger Tatkraft, betriebsam, wacker’; alb. shterr (*ster-n-) ‘lege trocken, macheversiegen’; über strēnā ‘gutes Vorzeichen’ s. WH. II 601; lat. consternō, -āre, auch exsternō ‘bestürzen, aus der Fassung bringen’, sternāx ‘scheu, störrisch’;
cymr. trin ‘Mühe, Kampf’ (*strēnā?);
germ. *stara- ‘starr, bes. vom Auge’ in mnl. star m. ‘Starrheit des Auges’, ahd. stara-blint, ags. stær(e)blind ‘starblind’, aisl. stara, ags. starian, ahd. starēn ‘starren, stieren’; mit-rr- (aus -rn-) aisl. stǫrr f. ‘Carex’ (eig. ‘die Steife’), starr (Akk. starran) ‘steif, starr, hart’, nhd. starr, mhd. sterre, nhd. bair. sterr ‘starr, steif’, wovon mhd. starren, sterren ‘starr sein oder werden’, nhd. erstarren, starren, norw. stara und sterra (*starrian) ‘sichsträuben, sich anstrengen’; *sturra- (*sturna-) ‘sich steif aufrichtend, stemmend’ in got. and-staúrran ‘unmutig sein’, ahd. stōrren ‘steif herausstehen, hervorragen’, ahd. storro ‘Baumstumpf, Klotz’, nhd. störrig, störrisch; ags. stierne ‘ernst, hart, streng’, ahd. stornēn ‘stutzen, erschrecken’ (*‘steif, starr vor Schrecken’), sturni ‘stupor’, schwed. sturna ‘stutzen’;
aisl. stirðr ‘steif, unbeugsam, hart, unfreundlich’;
apr. stūrnawiskan Instr. Sg. ‘Ernst’, stūrnawingisku Adv. ‘ernstlich’, stūrni-tickrōms ‘eifrig’; lit. starinù, -ìnti ‘steif machen’;
russ. starátьsja ‘sich abmühen’; mit Ablaut *strō- (zu στρη-νής, strē-nuus) und Dentalformans: aksl. strada ‘harte Arbeit, Mühe’, stradati ‘leiden’; dazu aksl. strastь ‘Leid’ (*strad-tь), lett.struôstêt ‘bedrohen’; mit Formans -mo- vermutlich aksl. strьmo ‘steil, abschüssig’, ablaut. poln. stromy ds. (Trautmann 290, Vasmer 3, 25).

1. Gutturalerweiterungen:
(s)ter-g- und (s)tre-g-:
Aisl. Partiz. storkinn ‘geronnen, erstarrt’; got. ga-staúrknan ‘erstarren’, aisl. storkna ‘gerinnen’, ahd. ki-, er-storchanēn ‘erstarren, erkalten’; nhd. tirol. stork ‘Knorren, Stumpf eines Baumes’, bair. stork ‘Fischerstange’, mhd. storch ‘penis’; auch (vom steifen Gange) aisl. storkr, ags. storc, ahd. stork, storah(h)Storch’; (ob dazu gr. τόργος ‘Geier’, eig. ‘steif = groß’?), vgl. tirol. storke(l)n ‘mit langen Beinen einherschreiten’, thüring. storchen ‘wie ein Storch gehen’, westfäl. storkeln ‘straucheln, stolpern’;
Adj. *starku- in ags. stearc ‘steif, streng, stark’, ahd. starc, starah ‘stark, groß’, aisl. sterkr, aschwed. starker ‘stark’, schwundstufig aisl. styrkr (*sturki-) m. ‘Stärke’;
mnd. strak (-ck-) ‘steif, straff, gerade emporgerichtet; störrig’, mhd. strac (-ck-) ‘straff, gestreckt, gerade’: ags. strec, stræc (strǣk?) ‘starr, fest, streng, heftig’; Denom. (oder umgekehrt strak Postverbale?) ahd. stracchēn ‘ausgestreckt sein’ und strecchan, strecken ‘ausstrecken, gerade machen’, ags. streccan ‘ausstrecken’; vgl. noch treg- ‘die Kräfte anstrengen’;
lett. terglis ‘eigensinniger, störrischer Mensch’, terglāties ‘sich auf etwas versteifen’;
lit. strė́gti ‘erstarren, zu Eis werden’; unsicher, ob dazu abg. strachъ ‘Schrecken’ als *strōgso-, vgl. Vasmer 3, 23;
vielleicht beruht auf (s)terg-: lat. tergus, -oris ‘harte Rückenhaut der Tiere, Fell, Rücken’ (wohl von dem am Rücken am stärksten gesträubten Haare), tergum ‘ds., bes. Rücken’, tergīnum ‘Peitsche aus Leder’;
hierher vielleicht als nasalierte Form strenk-, streng-, s. dort.
(s)ter-k-:
klr. storčáty, storčity ‘ragen, starren’, torčáti, torčity ds., čech. strčeti, trčeti ds.

2. Dentalerweiterungen:
(s)tert-, richtiger *ster-to- in cymr. serth ‘steil, obszön’, aisl. stirðr ‘steif’ (s. oben) und storð ‘Gras, grüner Stengel’;
(s)terd-:
aisl. stertr ‘Schwanz’, ags. steort, ahd. sterz ds., mhd. auch ‘Stengel, Stiel’ (wie engl. start), nhd. Sterz; ablaut. norw. dial. start ‘steifer Zweig, stumpf’, mhd. stürzel ‘Stengel’; aisl. upp-stertr ‘hochmütig’, aisl. sterta ‘spannen’, mhd. sterzen (auch st. Verb.) ‘steif emporragen, sich rasch bewegen’, trans. (auch starzen) ‘starr aufwärtsrichten’, mengl. sterten ‘auffahren, erschrecken’, engl. start; aisl. stirtla ‘aufrichten’, ags. steartlian ‘stolpern’, engl. startle ‘vor Schreck auffahren’; westgerm. *sturtjan, ahd sturzen, mhd. stürzen, mnd. storten ‘stürzen, ausgießen, bestürzt machen’, afries. stirta ‘umstoßen’; mhd. storzen ‘strotzen’; ohne anlaut. s: norw. tart (und start) ‘Steißbein’, turt ‘Sonchus alpinus’ (t- aus anord. þ-), vgl. gr. τόρδυλον ‘eine Doldenpflanze’; cymr. tarddu ‘to break out, spring, issue’;
(s)terǝ-d-: cymr. tardd m. ‘eruption, issue, flow’, corn. tardh ‘Anbruch (des Tages)’, bret. tarz ‘rupture, éclat’, tarz-ann-deiz ‘Tagesanbruch’ (*tr̥̄d-);
mit ähnlicher Bed. wie nhd. Sterz, norw. (s)tart, hierher: lit. tursóti ‘mit ausgestrecktem Hintern dastehen’, tursė́ti ‘den Hintern hinausstrecken’ (turs- aus *tort-s-) und air. tarr ‘Bauch’ (*tortso-); identisch scheint ir. torrach ‘schwanger’, cymr. torrog ds., corn. tor, abret. tar, bret. tor, teur, cymr. tor(r) ‘Bauch, Unterleib’.
(s)terdh-:
Gr. στόρθη Hes., στόρθυγξ ‘Spitze’; eventuell hierher cymr. tardd s. oben;
eine nas. Wz. *strend- im Germ., z. B. mhd. strunz ‘Stumpf, Lanzensplitter, grober Bengel’, engl. dial. to strunt ‘steif, gespreizt umhergehen’ usw.

3. Labialerweiterungen:
(s)terp-:
Lat. stirps ‘Stamm eines Baumes (übertr. Nachkommenschaft, Ursprung)’;
lit. stir̃pti ‘etwas emporkommen, heranwachsen’ (eig. ‘*sich straffen’), ster̃ptis ‘auf seinem Rechte bestehen’ (‘sich versteifen’), stùrplis ‘Hinterteil des Pferdes’;
alb. shterpë ‘unfruchtbar’ (vgl. auch 6. ster- ‘unfruchtbar’); ir. serrach ‘Füllen’ (von den langen Beinen);
ohne s-: torpeō, -ēre ‘starr, gefühllos, betäubt sein’ (= abg. u-trъpěti oder = russ. toropétь); lit. tir̃pti ‘erstarren, gefühllos werden’, lett. tìrpt ds.;
serb.-ksl. utrъpěti ‘erstarren’, russ. térpnutь ‘ds., auch vor Furcht’, r.-ksl. terpkij “αὐστηρός”, r. térpkij ‘herb, sauer’; russ. toropétь, otoropétь ‘bestürzt werden’ (Trautmann Bsl. Wb. 325), klr. torópa ‘unbeweglicher Mensch’, slov. tràp ‘Dummkopf’; auf der Bedeut. ‘starr, steif = ausdauernd sein’ beruht wohl aksl. trъpěti ‘leiden’, russ. terpétь ds.; urslav. *torpiti (Kaus.) in čech. trápiti, apoln. tropić ‘quälen’, russ. toropítь ‘antreiben’; als ‘starr, stumpf, vomStandpunkte des Geschmacks’: aksl. *trъръkъ ‘acerbus, asper’, russ. térpkij ‘herb, sauer’, wie np. turuš ‘sauer’ (wenn aus *tr̥fša-) und nhd. derb (s. unten).
Teils auf (s)terp-, teils auf (s)terbh- können zurückgehen:
aisl. þiarfr, ags. ðeorf, as. thervi, ahd. derbi ‘ungesäuert’, nhd. bair. derb ‘dürr, trocken, mager’;
mit anlaut. s-: aisl. stjarfi m. ‘Arbeit, Mühe’, stjarfr ‘hartmäulig (von Pferden)’, stirfinn ‘halsstarrig’, starf n. ‘Arbeit, Streben, Amt’, starfa ‘sich abmühen’;
ahd. sterban ‘sterben’ (‘*erstarren’; s. unten mir. ussarb); as. sterƀan, afries. sterva, ags. steorfan ds. (engl. starve ‘umkommen, bes. vor Hunger’); ahd. sterbo, ags. steorfa ‘Pest’; nhd.-tirol. storfn ‘Strunk, Baumstumpf’, westfäl. storpeln ‘straucheln’ können auf einer Wurzelform auf b beruhen.
strep-:
Lit. par-strapìnti ‘heimtorkeln’, strỹpti ‘trampeln’, stripinỹs, stráipis ‘Leitersprosse’; spätmhd. straf (-ff-) ‘straff, strenge’, wfläm. strāf (*strēpo-) ‘stark, kräftig, streng’, ostfries. strabben ‘sich widerspenstig gebärden’, mhd. strabbeln ‘zappeln’; schweiz. strapfen ‘straff ziehen’ (*strappōn); wohl als ‘streng behandeln’ hierher: afries. straffia ‘bestreiten, schelten’, mnl. mnd. straffen, woraus entlehnt mhd. strāfen, ds. ‘strafen’, strāfe ‘Schelte, Tadel, Strafe’.
sterbh-, strebh-:
gr. στέρφνιον, σκληρόν, στερεόν Hes. (vgl. auch στέριφoς, στριφνός unten u. streibh-), στέρφος, τέρφος, dor. στρέφος ‘Rückenhaut der Tiere, Fell, Leder’; mir. ussarb ‘Tod’ (*uks-sterbhā); cymr. serfyll ‘hinfällig’ (Loth RC. 43, 147); mir. srebann m. ‘Haut’;
aksl. u-strabiti ‘recreāre’, poln. postrobić ‘stärken’ (urslav. *storbiti); ablaut. aruss. u-strebe Aor. ‘wurde reif’, ksl. strъblъ ‘gesund, fest’, russ. stérbnutь ‘erstarren, absterben’, usw. (Trautmann 284 f., Vasmer 3, 11 f.);
ob die gr. Gruppen von στρεβλός ‘gedreht’, στρέφειν ‘drehen’, ablaut. στραβός ‘verdreht’, στράβων ‘schielend’, στροβέω ‘drehe herum’, στροφή ‘Wendung’ usw. aus einer Bed. ‘straff zusammenziehen’ (s. unten nhd. bestremmen dieser Bed.) erklärt werden dürfen, ist höchst fragwürdig; eher zu einer besonderen Wurzel streb-, strebh- ‘drehen, winden’.
stremb-, stremp-:
mnd. strampe(le)n ‘mit den Füßen heftig auftreten’, nhd. (eigent. nd.) strampeln, mnd. strumpe(le)n ‘straucheln, anstoßen’ u. dgl.; mhd. strumpf, mnd. strump ‘Strumpf, Stummel’ (nhd. ‘gestutzte Hosen, Strumpf’), norw. dial. strump ‘kleine Holzschüssel u. dgl.’ (‘*ausgehöhlter Baumstamm’, ebenso stropp ‘ein Maß’); norw. dial. stremba ‘anspannen; Brust oder Magen aufblähen’, isl. strembinn ‘straff, hart, stolz’, norw. dial. stramb ‘scharfer Geruch’; mit -mm-: mnd. stram (-mm-) ‘straff, stark, gedrungen, kräftig’ (nhd. stramm aus dem Nd.), nhd. bair. bestremmen, bestrempen ‘zusammenziehen, beengen’;
apr. strambo ‘Stoppel’, lett. strìebs und struobs (*strambas) ‘Halm, Schilf’, strumbulis ‘Knüttel’;
lit. stram̃pas ‘Knüttel’, strampalióti ‘wankend (*steif) gehen’; lett. strampul(i)s ‘Strunk, kleines Holzstück; hartgefrorener Kot’.

B. strē̆i-, steri-:
ags. strīmendi ‘resisting, striving’ Gloss.; engl. dial. to strime = to stride; lit. strainùs ‘strebsam, widerspenstig’, pasistraĩnyti ‘streben, sich feststemmen’.

1. Mit Gutturalerweiterung: s. streig-
‘steif’.

2. Mit Dentalerweiterungen:
mit idg. -dh-: ags. strīdan st. V. ‘schreiten’, engl. to stride, mnd. strīden ‘die Beine spreizen, weit ausschreiten’ (über lat. strittabellae ‘Buhldirnen’ s. WH. II 605 f.); ahd. strītan st V. ‘streiten, sich bemühen’, schw. V. aisl. strīða ‘streiten, quälen’, ags. strīdian ‘streiten’; aisl. strīð ‘Streit, Plage, Sorge, Strenge’, as. strīd ‘Mühe, Kampf’, ahd. strīt ‘Streit’, einstrīti ‘hartnäckig’; aisl. strīðr ‘steif, hart, streng, stark’; mit idg. -d-: aisl. strita ‘streben, sich anstrengen’, streita ds.; ohne anlaut. s-: aschwed. þrēsker ‘widerspenstig’, norw. dial. treisk ‘trotzig, beschwerlich, mühsam’.

3. Mit bh-Erweit.: gr. στέριφος ‘starr, hart, fest, unfruchtbar’, subst. ‘Kielbalken’ (wie στεῖρα), στριφνός ‘hart, fest’ (vgl. oben στέρφνιον, στέρφος); mnd. nnd. strif, stref ‘steif, fest’, streven ‘steif sein, sich strecken’, mhd. streben ‘sich aufrichten, sich strecken, ragen’, nhd. streben, Strebe-balken, -pfeiler; ablaut. md. strīben st. V., nld. strijven ‘streben, streiten’.

C. strē̆u-:
1. Mit Gutturalerweiterungen:
ndl. struik, mnd. strūk, mhd. strūch, nhd. Strauch; mhd. strūch ‘struppig’; nisl. striūgr ‘Gericht aus geronnener Milch’, strūga ‘rauh, struppig machen’, aisl. strūgr ‘Widerwille, Hochmut’, mengl. nengl. to struggle ‘sich abmühen, kämpfen’;
lett. strūkuls ‘Eiszapfen’, auch alit. strungas, lit. strùgas, striùgas, strùkas ‘kurz, gestutzt’.

2. Mit Dentalerweiterungen:
lit. strustìs f. ‘Baststreifen im Siebe’; ohne anlaut. s-: urslav. *trъstь in aksl. trъstь ‘Rohr’; gr. θρυόν n. ‘Binse’ (*trusom); lit. trùšiai m. Pl. ‘Rohr’, trušìs, triušìs f. ‘Rohr, Schilfrohr’, lett. trusis ‘Binse, Schilf’, aksl. trъsa, trъsina ‘steifes Haar, Borste’; lett.trums ‘Beule, Geschwür’, (wenn für *trud-mo-, vgl.:) lat. strūma f. ‘geschwollene Drüsen, Kropf’ (*streud-stroud-, strūd-mā); nach Vasmer 3, 145 dazu lit. traũšti ‘zerbröckeln’, lett. trausls ‘zerbrechlich’, trust ‘faulen, modern’;
aisl. strūtr ‘Spitze’, dän. strude, strutte ‘steif stehen, widerstreben’, schwed. strutta ‘stolpernd gehen’, ags. strūtian ‘steif stehen’, nd. strutt ‘steif’, nhd. strotz ds., mhd. nhd. strotzen, mhd. striuzen ‘sträuben, spreizen’, strūz ‘Widerstand’, Streit’, nhd. Strauß ds. = mengl. strūt ‘das Schwellen, Streit’; mhd. strūzach ‘Gebüsch’, gestriuze ‘Buschwerk’, nhd. (Blumen-)Strauß; hierher auch as. strota ‘tuba, guttur’, mnd. strote, strotte f., mhd. strozze ‘Kehle, Luftröhre’, afries. strot-bolla ds.; ohne anl. s-: ags. ðrotu, ðrote, engl. throat, throttle ‘Kehle, Luftröhre’, ags. ðrot-bolla ‘Luftröhre’, (engl. thropple), ahd. drozza ‘Kehle, Luftröhre’, nhd. Drossel mit der Ableitung erdrosseln, mhd. drüzzel ‘Kehle’ und ‘Schnauze’, aisl. þrūtr ‘Schnauze’;
aisl. þrūtinn ‘geschwollen’, þrūtna ‘schwellen, auch vor Hochmut’, þroti ‘Anschwellung’, ags. ðrūtian ‘vor Hochmut oder Zorn schwellen’;
dieselben Bedeutungen ‘schwellen, Streit’ auch in mir. trot, nir. troid ‘Streit’ (*truzdā?), cymr. trythu ‘schwellen’, trythyll ‘wollüstig’;

3. Mit Labialerweiterungen:
gr. στρῡφνός ‘herb (von Geschmack); mürrisch; fest, steif’;
as. strūf ‘struppig, rauh’, strūvian ‘sträuben’, mhd. strup (-b-), strūbe ‘struppig’, ahd. strūbēn, mhd. strūben, *striuben ‘starren’, nhd. sträuben, mhd. strobel ‘struppig’, agerm. Strubiloscalleo ‘Strubbelkopf’; mhd. Struppe (germ. -bb-), nhd. Gestrüpp, nl. strobbe ‘Stumpf, Strauch’, strobbelen ‘straucheln’, schwed. strubbla ds.; mit germ. -p- (idg. -b-): norw. strøypa ‘klemmen’, nhd. schweiz. stru(m)pfen, mnd. strumpen ‘zusammenziehen’, struppe ‘Stumpf’;
aisl. str(j)ūpi ‘Kehle, Gurgel’, norw. strop ‘enge Öffnung’;
lit. strùbas, lett. stru(m)ps ‘kurz abgestutzt’, strubikis, strupikis, strupastis ‘Stumpfschwanz’, lett. strupulis ‘kurzer dicker Mensch; Stück Holz, Klotz’, alit. strupas ‘abgelebter Mann’.

WP. II 627 ff., WH. II 595, 601 f., 606 f., 692, Trautmann 284 f., 325, Vasmer 3, 98 f., 126.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal