Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

staan - (overeind zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

staan ww. ‘overeind zijn’
Onl. stān ‘staan, stilstaan, bestaan, zich bevinden’ in Salig man ther ... in nuege (lees uuege) sundigero ne stunt ‘gelukkig is de mens die zich niet zou begeven op de weg van de zondaar’ [10e eeuw; W.Ps.], That bluod for stuond ‘het bloed stond vroeger stil’ [1001-50; ONW], so lange thiv werlt stat ‘zo lang de wereld bestaat’, an themo himile that gestirne ‘aan de hemel (stond) het gesternte’ [beide 1151-1200; Reimbibel]; mnl. staen.
Dit werkwoord heeft zich al vroeg, wrsch. al in de Proto-Germaanse periode, vermengd met het nauw verwante mnl. standen ‘staan’. Als verleden-tijdsvormen kwamen zowel stoet, stoeden als stont, stonden voor, maar al in de Middelnederlandse periode ontstond op den duur de huidige verdeling, met de stam sta- in de infinitief, tegenwoordige tijd en de deelwoorden, en stond- in de verleden tijd. De stam stand- komt ook voor in diverse afleidingen, bijv.stand 1, → stander, → gestand, → omstandigheid, → opstand.
Os. stān (mnd. stān); ohd. stān, stēn (nhd. stehen); ofri. stān (nfri. stean); ozw. stā (nzw. stå); alle ‘staan’; < pgm. *stē-. Daarnaast bestond met n-invoegsel een presensstam *stand-. Hierop berusten naast mnl. standen: os. standan (mnd. imp. stant); ohd. stantan (vnhd. imp. stand); ofri. stonda; oe. stondan, standan (ne. stand); on. standa (nno. standa); got. standan; alle ‘staan’.
Verwant met: Latijn stāre (verl.deelw. status) ‘staan’, sistere ‘doen staan’, statuere ‘id.’; Grieks histánai ‘stellen’; Sanskrit tíṣṭhati ‘hij staat’; Avestisch hištəṇti ‘staan, stellen’; Oudpruisisch po-stānimai ‘wij worden’; Oudkerkslavisch stati ‘gaan staan, stil blijven staan, worden’ (Russisch stat'); Oudiers táu ‘ik ben’; Armeens stanam ‘ik ga’; Albanees shton ‘hij voegt toe’; Tochaars A tāmäs ‘wij zullen zijn’; < pie. *steh2-, sth2- (LIV 590-592). Hierbij met t-achtervoegsel pgm. *stōþ- (preteritum, zie boven) en *stad- (in afleidingen, zie bijv.stad). De klinker in pgm. *stē- (i.p.v. klankwettig *stō- < pie. *steh2-) is wrsch. ontstaan naar analogie van pgm. *gē- ‘gaan’, zie → gaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

staan* [overeind zijn] {oudnederlands stan 901-1000, middelnederlands staen} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries stān, oudhd. ook stēn; nauw verwant is middelnederlands standen (vanwaar stond), oudsaksisch, oudengels, gotisch standan, oudhoogduits stantan, oudnoors standa; buiten het germ. latijn stare, grieks histèmi < ∗sistèmi [ik doe staan], oudiers ad-táu [ik ben], litouws stoti, oudkerkslavisch stati, oudindisch tiṣṭhati [hij staat].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

staan ww., mnl. staen, os. stān, ohd. stān en stēn (nhd. stehen), ofri. stān, nnoorw. nde. staa, nzw. stå. — lat. stāre ‘staan’, sistō ‘plaatsen’, gr. hístēmi ‘plaats’, estēn ‘sta’, oi. tisthati ‘staat’, osl. staną ‘zich plaatsen’, stojati ‘staan’, lit. stóju ‘plaats mij’, oiers -tāu, -tō (< *sthā-iō) ‘ik ben’, sessam ‘staan’ (IEW 1004-5). — Zie verder: stad, stade, stand, stal, stam, stonde, gestadig, twist en vorst 2.

Naast staan nog mnl. standen, os. standan, ohd. stantan, ofri. stonda, oe. stondan (ne. stand), on. standa, got. standan, waaraan herinnert het praet. stond, vgl. mnl. stōnt, os. stuond, ohd. stuont; maar het eig. praet. was germ. *stōð- vgl. mnl. stoet, os. stōd, ohd. stuot, ofri. oe. stōd (ne. stood), on. stōð, got. stōþ. Wij moeten uitgaan van deze vorm, die een t-afl. is van de idg. wt. *sthā en waarvan met nasalering de praesensstam *stand- gevormd werd. — De idg. wt. *sthā staat naast de thematische *sthe, waarvoor zie: staak; zij beduidt dus van den aanvang af ‘stevig, vast geplaatst zijn’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

staan ww., mnl. staen. =ohd. stân (ook stên, nhd. stehen), os., ofri. stân, de. staa, zw. stå “staan”. Met opvallende w.- en ngerm. â, die eer secundair is (naar gaan?) dan uit idg. ê ontstaan, naast de idg. basis st(h)â- “staan”, waarvan o.a. ier. tâu “ik ben”, lat. stô, stâre “staan”, gr. hístēmi “ik stel”, obg. staną, stati “gaan staan”, lit. stóju, stóti “id.”, oi. tíṣṭhati “hij staat”. Staan is in ’t Germ. paradigmatisch verbonden met het verwante mnl. standen, ohd. stantan, os. standan, ofri. stonda, ags. stondan (eng. to stand), on. standa, got. standan “staan”, in het Ndl. nog over in ’t praet. stond < mnl. stont = ohd. stuont, os. stuond. ’t Oergerm. praet. was *stôð(a): mnl. stoet, ohd. stuot, os., ofri., ags. stôd (eng. stood), on. stôð, got. stôþ. Germ. stanð- was oorspr. de genasaleerde praesensstam bij den verbaalstam stôð-, idg. st(h)â-t- of st(h)â-dh-, die aan genoemd praet. ten grondslag ligt. Zie nog stand, stad, stade, stal, stam, stonde, gestadig, twist, vorst II. Als de oorspr. bet. van idg. st(h)â- moeten wij “onbeweeglijk, recht, vast, stevig zijn” aannemen; vgl. de woordgroepen van staak, staal II, staar, staf, stamelen, stappen, steen, stouwen, stuurs.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

staan ono.w., Mnl. staen, Os. stân + Ohd. id. (Mhd. id.), Ofri. id., Zw. stå. De. staa: van Germ. wrt. stā, die ook nog voorkomt in stad, steeds, enz. + Skr. wrt. sthā, Gr. istánai. Lat. stare, Oier. tau (= ik ben), Osl. stati. Lit. stoti: Idg. wrt. stha. Een bijvorm stai vindt men in Ohd. stēn (Mhd. id., Nhd. stehen). Een afgeleide wrt. stand vertoont zich in al de Germ. talen bij ’t præter. en v.d., en in de meeste bij den infin.: Os. standan, Ohd. stantan (Mhd. standen), Ags. stondan (Eng. to stand), Ofri. stonda, On. standa, Go. standan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stoon (ww.) staan; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) stoon, Aajdnederlands stan <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

staan-staan bw.
1. Stadig, langsaam, talmend. 2. Al staande.
Reduplikasie van staan, in bet. 1 so genoem om te beklemtoon dat daar gereeld stilgestaan of gerus word, en in bet. 2 ter beklemtoning van die voortdurende of herhalende aard van die handeling.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

staan (stond, heeft gestaan), (ook:) bij bingo nog maar één vakje open hebben. Ik sta al een kwartier!

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

staan (hier sta ik, ik kan niet anders) (vert. van Duits hier stehe ich, ich kann nicht anders)

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

staan. — Terwijl men een.bepaling van D. stehen, kommen, sich setzen e.a. kan inleiden door het voorzetsel zu, gebruikt men bij de Nederlandsche equivalenten het voorzetsel bij. Aldus: bij haar staande.
|| Verslagen tot haar staande, verloor Warhold zijn evenwicht, onmachtig, om iets te kunnen zeggen; en zachtjes ging hij heen, Adriaan van Oordt, Warhold, I, 163.

staan, liggen (aan iemand of iets ver(re) staan, liggen). ― In het Duitsch zijn de werkwoorden stehen en liegen met een persoon of een zaak in den datief gebruikelijk; bij ons nooit. Fern stehen, gevolgd door den datief, beteekent in geen betrekking staan met, er niet mee gemoeid zijn of iets dergelijks. Es steht of es liegt mir fern, daran zu denken luidt in ’t Nederlandsch ik denk er in de verste verte niet aan, ik denk daar volstrekt niet (of geenszins) aan. Zie verder de toelichting bij de aanhalingen.
|| Zij kleurde het gesprek met een nuance van weemoed, die de alledaagschheid zeer verre stond, J. B. Ubink in Els. Maandschr., 5, 418 (D. welche der Alltäglichkeit sehr fern stand = die met alledaagschheid niets gemeens had, die (zeer) verre van alledaagsch was of die volstrekt geen alledaagschheid was). Boutens daarentegen “is niet alleen klassicus door studie en aanleg, door het zuivere vormschoon en door het gebeeldhouwde woord, doch ook is hij in het denken van Hellas gedrenkt, vond hij in deze bewuste schoonheidsgedachte zijn tweede natuur”. Maar daardoor “staat het devote middeleeuwsche hem ver”, zodat b.v. zijn Beatrijs “geheel het naieve, devote en vrome van het middeleeuwsche mist”, J. Petri, aangeh. in De Nieuwe Taalgids, XIII, 2, 109 (in dit verband kon men zeggen daardoor is (of staat) hij ver van het devote middeleeuwsche). Hij vond zichzelf de man van het juiste midden; reaktie en revolutie, autokratie en anarchie, lagen hem even ver, Nico van Suchtelen in De Gids, 84, 2, 199 (in dit verband zou passen van reaktie en revolutie ... was hij even ver verwijderd, met reaktie en revolutie ... had hij niets te stellen (of te doen) ofwel reaktie en revolutie ... lieten hem even onverschillig).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Staan, van den Idg. wt. stha = vast, stijf zijn; ook staan (zie Staaf); vandaar ook: stad, stede, stadig, steeds (zie die woorden). Een bijvorm van den Germ. wt. sta is stand (Os. standan), vandaar ons stand. Ook staat, dat ontleend is aan ’t Lat. status, verl. deelw. van stare = staan, behoort hierbij; het woord wil n.l zeggen: de stand, toestand waarin men zich bevindt. Maar ook staat (rijk, land) is hiervan afgeleid; het ziet oorspr. op de regeering, op de standen of stenden der maatschappij, die vertegenwoordigd waren, n.1. de Generale of Provinciale Staten. Zoo verkreeg het woord Staten de bet. van regeering en ook van het gebied, het land dier „Staten”.
Het woord staatsie (plechtigheid) is eveneens een verwant van deze rijke familie. Het woord is ontstaan uit ’t Fr. station, van ’t Lat. statio en bet. de plaats, waar men blijft staan; rust- of standplaats. Een statie is eig. de plaats, waar de processie telkens bij een der tafreelen uit Jezus’ lijden blijft staan, om deze episode met bijzondere plechtigheid te herdenken. (Ook de afbeelding heet „statie”.) Zoo verkreeg staatsie of statie de bet. van: bijzondere plechtigheid. Het gebruik wil, dat staatsie de plechtigheid bedoelt en statie de afbeelding zelf. – Statie is ook de Vlaamsche naam voor ons station = eig. rustplaats. Een grooten „staat” (staatsie) voeren bet. dus: weelderig, voornaam, deftig leven, vandaar ons bijv.nw. statig = deftig, met staatsie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

staan ‘overeind zijn’ -> Frans dialect stå ‘halt, stop, wees stil’; Biaks ve-stan ‘in de houding gaan staan’; Kupang-Maleis stan gargaji ‘standplaats voor een trekzaag’; Negerhollands staan, stān, tan ‘overeind zijn, blijven staan, gaan staan, bestand zijn’; Berbice-Nederlands tan ‘overeind zijn’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Er staat niet wat er staat [dichtregel] (1934). De dichter Martinus Nijhoff (1894-1953) publiceert in 1934 zijn gedicht ‘Awater’, waarin deze spreekwoordelijk geworden regel voorkomt: “Er staat niet wat er staat.” Het lange gedicht ‘Awater’ staat in de bundelNieuwe gedichten. Het ‘nieuwe’ zit hem in het eenvoudige, niet-verheven taalgebruik, zoals in het beroemde gedicht ‘De moeder de vrouw’, dat begint met “Ik ging naar Bommel om de brug te zien. / Ik zag de nieuwe brug.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

staan* overeind zijn 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1982. Niet in iemands schaduw kunnen staan,

d.w.z. niet met iemand kunnen vergeleken worden; niet in één adem genoemd kunnen worden; verreweg de mindere zijn; eig. niet in iemands nabijheid kunnen staan; vgl. Harreb. II, 242 a; Afrik. ek kan nie in sy skaduwee staan nie; Vondel, Maeghden, opdracht, 22: Wy volgen in hun schaduw, slechts van veer, de Grieken; Virg. I, 31: Naerdien niemant zich openbaerde, die in de renbaen der heldenpoëzye hem (Homerus) niet verre achter aen in zijne schaduwe volghde; Taal en Letteren IX, 125; 220, waar andere verklaringen gegeven worden.

2148. Zeggen waar het op staat,

iets onbewimpeld, ronduit zeggen, zonder er doekjes om te winden; eig. zeggen, waar het op neerkomt, op aankomt, op berust, dus de hoofdzaak, de kern van eene zaak zeggen. De uitdr. komt in de Middeleeuwen voor in Ons Heren Passie, vs. 10:

 Mer wilstu doen na minen raet,
 Ic sel di segghen waert op staet.Tijdschrift, XXV, 212.

C. Wildsch. V, 268: Ik ben Mevrouw flapuit, ik zeg daar het op staat, al stonden alle de groote paruiken voor mij.

2146. Iemand staan,

d.w.z. tegen iemand opgewassen zijn; eig. tegen iemand stand houden (vgl. Tuinman II, 146: Hij kan tegen hem staan), veelal in de zegswijze zijn man staan (ook in Zuid-Nederland), onvervaard zijn; vgl. Sewel, 747: Het gevaar staan, to stand the hazard; ik zal 't verlies staan, I'll stand the loss; Speenhoff I, 25:

 Maar potverdorie, ik laat me zoo niet villen,
 Wanneer die blauwe kerels rouzen willen,
 Ik sta mijn man, dan geef ik ze hun vet,
 Of 'k rijg ze aan mijn sabelbajonet.

Kunstl. 195: Met moedwil me beleedigen?..... Pas op, meneer, want dan sta ik u; Nkr. VIII, 17 Oct. p. 2: Een (vredes)engel die portuur is voor den oorlogsbullebak, een die haar man staat; IX, 13 Febr. p. 3: Dan word je gevierd als een man die zijn man durft staan; De Telegraaf, 9 Febr. 1915 (avondbl.), p. 5 k. 5: Het is, wat men noemt, iemand ‘die zijn mannetje staat’, een vechtgeneraal; Afrik. bij Celliers: Ik hou van 'n man wat sij man kan staan; fri. ik doar him wol stean, ik durf mij wel tegen hem verzetten; hd. einem stehen, stand houden voor iemand. Iemand of voor iemand (in)staan, eig. voor iemand in de plaats gaan staan; borg staan voor iemand, de verantwoordelijkheid voor iemand of iets op zich nemen; mnl. enen of iet (ge)staen naast staen te of vore enen, instaan voor, eig. voor iemand of iets te pand staan, zich zelf te pand zetten, gijzelaar worden voor een schuld, om daardoor zijn eigen aansprakelijkheid te vestigen; vgl. Kil. Staen, oft in-staen, veur iemanden, spondere pro aliquo; instand doen, compensare; fri. der for ynstean; hd. (ein)stehen für; eng. to stand for, borg zijn voor; to stand a th., instaan voor iets; iemand half staan, voor de helft borg blijven (Harreb. III, 64; eng. to stand halves); fri. immen heal stean. Uit deze beteekenis vloeit voort die van ‘iemand vertrouwen’, ‘staat maken op’; vgl. Gunnink, 217: iemand staan, iemand vertrouwen; Draaijer, 40; fri. ik stean dat spil net, ik vertrouw die zaak niet; De Bo, 1084: Staan, betrouwen, op iemand staat maken: Het weder is niet te staan. Ik zou dien man niet staan. Vele wilde dieren zijn niet te staan; Waasch Idiot. 621; Schuermans, 667: iets of iemand niet staan, er geen betrouwen in stellen of hebben.

2452. Met één voet in het graf staan,

oud en ziekelijk zijn, den dood nabij; vgl. voor 't Mnl. Doct. I, 127: Haddic enen voet int graf, nochtan soudic willen leren. Voor later tijd zie Serv. 174*: Hy staet met den eenen voet opt graft; Sart. II, 2, 25: Hy gaet met de eene voet int graft; De Brune, 298: Hij heeft den eenen voet in 't graf en d' ander moet er oock haest af; Tuinman I, 317: Hy gaat met zyn een been in 't graf; II, 233: Oude lieden gaan met een been in 't graf; Harreb. I, 40; Ndl. Wdb. V, 541. De uitdr. is oud blijkens 't voorkomen er van bij Lucianus, Hermotimos, c 78: και τον ετερον ποδα, φασιν, εν τγ σορω εχων; lat. alterum pedem in sepulcro habere. Zie Erasmus, IX en vgl. afrik. hy het al een voet in die graf; fr. il a un pied dans la fosse; hd. er steht mit einem Fusz im Grabe; eng. he has one foot already in the grave. (Aanv.) Vgl. nog Erasmus IX: alterum pedem in cymba Charontis habere; τον ετερον ποδα εν τη σορω εχειν.

2457. Op staanden voet,

d.i. onmiddellijk, terstond; eig. terwijl de voet nog staat, voordat men een voet verzet: vgl. het lat. statim, ilico (in loco); mnl. up die stede; vorevoets; hd. auf der Stelle; fr. sur le champ; eng. on the spot; mnl. op de(n) staende(n) voet, op den voet staendeCod. Dipl. Utr. II2, 226; Brab. Yeest. II, 628 b; Mnl. Wdb. VII, 1884; IX, 741.; op eenen voet staende (in Leenr. 19) of voetstaens, voetstandes, voetstaendesCout. v. Brugge I, 213; 350; Boëth. 241 a; R.v. Nedersticht, I, 194, 195; enz.; syn. van sonder ommekeeren; Kil.: Staendsvoets, voets-staends, statim, ilico, vulgo pede stante; voet-staens, statim, actutum, evestigio; bij Despars staensvoets; lat. stante pedeVgl. O.V. Rechtsb. V, 639: Item soe wye appelleert van eenighe sententie werdt ghehouden stante pede te consingneren in handen van den rechter.. In de vroegere rechtspraak moest hij, die niet met een gewezen vonnis tevreden was, dit dadelijk, op de plaats zelve schelden, wederspreken, op de staende voet appelleeren; standes, onverwandes voets of unverwandtes fuszes, im fuszstapfen, e er hinder sich tredeNoordewier, 409; Grimm, Rechtsalterth.4, II, 503.; up dem vote, er des votes wandelingeSchiller und Lübben, V, 515.; stehenden fuszes (vgl. Grimm, IV1, 973-974); Kluchtspel II, 18: op staenden voet; Huygens I, 176: op staende voet (Pers, 474 a; 602 b; Paffenr. 89); Een wijs Hovelingh, 368: staende voets; Vondel, Noah, 928: op staenden voet; Cats II, 85: op de staende voet; bij Coster, 399 vs. 586: op de voet; Van Effen, Spect. III, 147: op staande voet; Rusting, 24; 37; 42; 53: op staande voet (vgl. 220: staande beens); Halma, 737: op staande voet, terstond; Sewel, 748: op staande voet, immediately; Weiland: op staande voet. Thans algemeen op staanden voet; ook in Zuid-Nederland naast op staanden oogenblik (zie Antw. Idiot. 1171); afrik. op staande voet iets doen. Vgl. de syn. uitdr. gapens monts (bij Matthijsz. 161: Ist dat dieghene ... anders naseit dan die rechter voirseit ... hy bevalt in den eedt, opdat hy dairof ghevangen wort gapens monts (onmiddellijk nadat hij de fout begaan heeft, terwijl zijn mond nog open isMnl. Wdb. I, 1176.).

2479. Het vragen staat vrij, maar 't weigeren er bij.

Het eerste gedeelte van dit gezegde is in de 16de eeuw te lezen bij Gruterus I, 121; eveneens bij V.d. Venne, Bel. Werelt, 5: 't Vragen is vry. In de 17de eeuw wordt het volledig aangetroffen bij Vondel, Adonias, 413: Het vraegen staet ons vry, maer 't weigeren hier by; Tuinman I, 84: t Vragen staat vry; dog 't weigeren staat daar by; II, 62; Harreb. III, 79; Molema, 462: vroagen is vrei, 't waigren d'r bij, het vragen kan niemand kwalijk nemen, evenzoo goed heeft een ander vrijheid het verzoek af te slaan; fri. it freegjen is frij, en 't wegerjen der by. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1404: vragen is vrij, maar 't weigeren staat er bij; Tuerlinckx, 711; Waasch Idiot. 724; oostfri. fragen steid frei; man 't weigern d'r by (Ten Doornk. Koolm. I, 551Vgl. Lorr. II, 1927: Helene seide: Doch vrages hem, in machs emmer niet hebben men (minder) dan sijt wederseggen doch.).

2499. Voor heeter vuur gestaan hebben (of geweest zijn),

d.i. in grooter gevaar geweest zijn; eig. gezegd van den soldaat, die tegenover het vuur van den vijand staatOf kan gedacht worden aan de straffen der inquisitie om iemand met zijn bloote schenen voor een vuur te plaatsen (no. 2493)? Men zou dit kunnen opmaken uit Pers, 356 a: De Eedele en Steden van Holland hadden dit oock al ingewillight, soo dat Amsterdam, siende dat zy alleene mette bloote scheenen voor 't vyer stont, niet by gedoge, maer met overstemminge, daer in verwilghde.. Syn. van het 17de-eeuwsche groter zee overgevaren zijn (Witsen, 492 a; Sewel, 623). Vgl. Tuinman I, 56: Ik heb wel voor een heeter vuur gezeten; Boere-krakeel, 82: Hy heit al wel voor heeter vuur gezeten; bl. 173:

 'k Bin daer, zei Hans, niet voor bevreest:
 Want Joost, om 't jou maer kort te zeggen,
 Heit al voor heeter vuur geweest,
 En van zen craesie (courage) blyk gegeeven.

Harreb. II, 427 b: Hij is voor een heet vuur geweest; bl. 428 a: Ik heb wel voor heeter vuur gestaan, zei Lammert, en hij stond tot zijne keel toe in het water; Lvl. 180: Ik heb van m'n leven niet voor heeter vuren gestaan; Nkr. II, 5 Januari p. 3; A. Jodenh. II, 29: Ik heb in me leve al voor grootere vure gestaan; Nkr. V, 19 Maart p. 6: Voor Kolthek zou ik uit den weg niet gaan? Ik heb wel voor heetere vuren gestaan; De Arbeid, 29 Mei 1915 p. 4 k. 3: De revolutionaire arbeidersbeweging in ons land heeft wel voor heetere vuren gestaan, waarbij zij tot schrik harer vijanden bewonderenswaardige daden wist te verrichten.

2667. Staan als een zoutpilaar

is ontleend aan den bijbel, Genesis XIX, vs. 26: ‘waar van Lot's huisvrouw verhaald wordt, dat zij omzag, terwijl vuur en zwavel de steden Sodom en Gomorra verdelgden, en hiervoor door God gestraft werd door in een zoutpilaar te veranderen. - Groote onregelmatige brokken asphalt borrelen nu en dan uit de Doode Zee op en nemen dan allerlei grillige gedaanten aan, waarin de Oostersche verbeelding ook eene vrouwengestalte zien kon’ (Woordenschat, 1270). Zie ook de Leidsche bijbelvertaling I, bl. 65 noot 26; fri. hy steet dêr as en sâltpylder, een druiloor; afrik. hy staan soos 'n soutpielaar, hij staat stil.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

stā- : stǝ- ‘stehen, stellen’, redupliziert si-stā-, erweitert stāi- : stī̆-, stāu- : stū̆- und st-eu-, stā-dho- ‘Stand’, stā-lo- ‘Gestell’, stā-men- ‘Standort, Statur’, stā-no- ds., stā-ro- ‘groß’, stǝ-ro- ds., stā-ter- ‘Lenker’, stā-ti-, stā-to-, stā-tu- ‘das Stehen’, stǝ-to- ds., stǝ-ti̯o-, stǝ-ti- ‘stehend’, stā-tlo-, stǝ-tlo- ‘Stand’, -sti-, -sto- ‘stehend’, stāu-ro- : stǝu-ro- : stū̆-ro- ‘fest, stark, feststehend, Ständer’, st-eu-ro- ‘Stier’, stā-u̯o- ‘das Stehen, Stellung’

A. Ai. tiṣṭhati, av. hištaiti, ap. 3. Sg. Impf. a-ištata ‘stehn’ (: lat. sistō, ir. -sissiur; athem. noch gr. ἵστημι, während spät ahd. sestōn ‘disponere’ aus dem roman. ital. assestāre ‘in Ordnung bringen’ entlehnt ist), Aor. ai. á-sthā-m (= gr. ἔστην), Perf. tasthā́u, tasthimá, tasthivas-; gr. ἵστημι (dor. ἵστᾱμι) ‘stelle’, Aor. ἔστην, Perf. ἕστηκα, ἕσταμεν, ἑσταώς (ἐπί-σταμαι ‘verstehe’ wohl Neubildung nach Aor. ἐπι-σταίμην, ἐπι-στάμενος); ἱστός ‘Mastbaum, der senkrechte Weberbaum, Gewebe’;
av. ap. stāya- ‘stellen; Med. sich stellen’;
lat. sistō ‘stelle’, umbr. sestu ‘sistō’, volsk. sistiatiens ‘statuērunt’;
air. tair-(ś)issiur ‘stehe, bleibe stehen’, ar-sissedar ‘insistitur, innititur’, fo-sissedar ‘tritt ein für’ (sessam ‘das Stehen’, sessed ds. usw.);
lat. stō (stāre, stetī) = umbr. stahu ‘stehe’, *stā-i̯ō; altlat. wohl auch trans. ‘stellen’; osk. staít (*stai̯ei̯eti) ‘stat’ Pl. stahínt, eestínt (*ēstai̯ei̯ent) ‘extant’; air. ad-tāu, -tō ‘ich befinde mich, bin’ (*stā-i̯ō), 3. Sg. (ad)-tā = cymr. taw ‘daß es ist’ aus *stā-t, unpersönl. Passiv tāthar ‘man ist (böse)’aus *stā-to-ro (?), mcymr. Impersonale ny-m-dawr ‘es kümmert mich nicht’, corn. ny-m-deur (*tā-ro-) ‘ich will nicht’; air. ness- (*ni-stā-) ‘niedertreten’ in com-ness- ds., ‘verurteilen’, dī-ness ‘verachten’, to-ness- ‘betreten’, ar-ossa ‘erwartet’ (*are-uks-stā-); assae ‘leicht zu tun’ aus *ad-stā-i̯o- ‘adponendus’;
as. ahd. stān, stēn ‘stehen’; Reimwortbildungen zu gēn, gān ‘gehen’ (S. 419); mit t-Erweiterung: Prät. got. stōþ, aisl. stōð, as. stōd, ahd. stuot (meist stuont nach dem Präs.) ‘ich stand’, wozu mit präsentischer Nasalierung got. as. standan, aisl. standa, ags. stondan, ahd. stantan ‘stehen’; dazu ahd. stanta ‘Kübel, Kufe’ und mit neuem Ablaut aisl. stund ‘Zeit(punkt), Weile, Stunde, Länge’, ags. stund f. ‘bestimmte Zeit, Stunde, Mal’, as. stunda ‘Zeit(punkt)’, ahd. stunta ds., spätmhd. auch ‘Stunde’;
lit. stóju (*stāi̯ō), stóti ‘treten’, aksl. *stajǫ, stati ‘sich stellen’, stojǫ stojati (*stǝi̯ēti) ‘stehen’; toch. В ste ‘ist’, 3. Pl. stare.
B. idg. n-Präs. *stǝ-nā- in av. fra-stanvanti ‘sie kommen voran’, arm. stanam ‘erstehe, erwerbe’, gr. kret. στανύω ‘stelle’ (Neubildung gr. ἱστάνω); lat. prae-stināre ‘den Preis vorher feststellen, kaufen’, dēstināre ‘festmachen, festsetzen, fest beschließen’ (dēstina ‘Stütze’), obstināre ‘auf etwas bestehen’; alb. shtonj ‘vermehre’ (‘*stelle, staple auf’); aksl. stanǫ (Inf. stati) ‘werde mich stellen, treten’; apr. postānimai ‘wir werden’, postāt ‘werden’, stānintei ‘stehend’; toch. В stäm- ‘stehen’; vgl. auch die Nomina mit n-Formantien.
C. Wurzel-Nomina als 2. Kompositionsglieder:
ai. ni-ṣṭhā́- ‘hervorstehend, -ragend’, pari-ṣṭhā́- ‘(*herumstehend =) hemmend’, f. ‘Hindernis’, pr̥thivi-ṣṭhā- (und -ṣṭhá-) ‘auf dem Boden stehend, fest auftretend’, rathē-ṣṭhā́- ‘auf dem Wagen stehend, kämpfend’ = av. raθaē-štā- ‘Krieger’; gr. θέμις, -στος ‘Recht, Gesetz’ (ursprüngl. Göttername ‘die fest und unverbrüchlich Stehende’, *θεμί-στᾱ), gr. μετανάστης ‘wer seinen ursprünglichen Wohnsitz durch Aufstehen, Wegzug verändert hat’; air. hiress ‘Glaube’ (Präf.*[p]eri + stā).
D. -st-o-: ai. z. B. prati-ṣṭhá- ‘feststehend’ (-ṣṭhā f. ‘Stillestehen, Beharren’), duḥ-stha- = gr. δύσ[σ]τος “δύστηνος”, bala-stha- ‘in voller Kraft stehend’ u. dgl.; Subst. pra-stha- m. ‘Bergebene’ (‘hervorstehend’) = air. ross ‘Vorgebirge, Wald’, mbret. ross ‘Hügel’, cymr. rhos ‘Moor’, aksl. Adj. ‘gerade, schlicht, einfach’; ai. pr̥-ṣṭhá- n. ‘Rücken’ usw. (S. 813); gr. παστός ‘Bettvorhang’ (vgl. mit d-Suffix gr. παραστάς, παστάς usw. ebenda); ai. gōṣṭhá- m. n. ‘Kuhstall’, bhayá-stha- m. n. ‘gefahrvolle Lage’, ahd. ewi-st m. ‘Schafstall, Schafhürde’, aisl. nau-st n. ‘Schuppen für Schiffe, Schiffshaus’; alb. breshtë, bresht f. ‘Tannenwald’ (: brē ‘Tanne’) u. dgl.; altillyr. Tergeste, Λαδεστα, -στον usw.; ai. tri-ṣṭhá- ‘auf drei Unterlagen stehend’, osk. trstus ‘testes’ (tristaamentud ‘testamento’), lat. (zum. i-St. geworden) testis (*tri-sto-) ‘wer als dritter, als Zeuge bei zwei Streitenden steht’, air. tress- ‘dritter’; lat. caelestis ‘incaelo stationem habens’ (ursprüngl. o-St., vgl. ἅπαξ λεγ. Veneris caelestae), agrestis ‘ländlich’; lit. atstùs ‘fern’ (: atstóti ‘sich entfernen’; vom Adverb atstù = Instr. auf -ṓ ausgegangen), lett. nuô-st Adv. ‘weg, hinweg, fort’; lat. praestō ‘gegenwärtig, da, zur Hand, zu Diensten’; praestōlarī ‘bereitstehen’ wohl aus *praestōdārī;
als idg. *st[ǝ]ti-s mit in der Komposition geschwundenem ǝ sind hingegen aufzufassen:
ai. pr̥-ṣṭi- f. ‘Rücken’ usw. (S. 813 Mitte) und prati-ṣṭhi- ‘Widerstand’; gr. ἔξαστις ‘aus dem Gewebe vorstehender Faden’ (*ἔξ-αν-στις), κατ’ ἄντηστιν ‘gegenüber’ (*αντην-στι-); lit. dim-stis ‘Hofraum, Hof, Gut’.
E. Nomina mit Dental-Suffixen:
1. lat. super-stes, anti-stes (*stǝ-t-);
2. Partiz. ai. sthitá- ‘stehend’ (av. stāti- ‘stehend’ mit geneuerter Hochstufe), gr. στατός ‘gestellt, stehend’, lat. (osk.-volsk.) status ‘gestellt’; air. fossad ‘fest’, cymr. gwastad ‘planus, constans, aequus’ (*upo-statos); aisl. staðr ‘zum Stehen geneigt, stätig’ (bes. von Pferden) Ableitung mhd. stetec ds.; ahd. stata f. ‘bequemer Ort oder Zeitpunkt, Hilfe’, nhd. zustatten; ahd. gistatōn ‘gute Gelegenheit geben, gestatten’, aisl. steðja ‘stellen, bestätigen, gestatten’, mnd. steden ds., ags. stæþþan ‘zum Stehen bringen’; lit. stataũ, -ýti ‘stellen’;
3. alb. mështet, pshtet ‘stütze, lehne an’, fstetem ‘bleibe’ (zum Verbaladj. *stǝ-to-);
4. ai. sthíti- f. ‘das Stehen, Stand, Bestand’, av. stāti- ‘Stehen, Aufstellung’; gr. στάσις, -εως ‘Stellung, Stand; Aufstand’ (στατικός, στάσιμος);
lat. statim ‘während des Stehens, stehend’; klass. ‘auf der Stelle’, statiō = osk. statíf ‘Standort’, got. staþs m. (i-St.), aisl. staðr m., ahd. stat f. ‘Ort, Stelle, Stätte, Stadt’, ags. stede, styde f. ‘das Stehen, Stehenbleiben, Stätte’ (vgl. auch anord. en-St. steði m., Gen. steðja ‘Amboß’ aus *staþjan-, eigentlich ‘Ständer’); hochstufig av. stāiti- ‘Stehen, Stand, Aufstellung’, aksl. postatь ‘Bestimmung’, Inf. lit. stóti, lett. stāt, apr. stāt, aksl. stati ‘sich stellen, treten’;
lat. status, -ūs ‘das Stehen, Stellung, Stand’, statuō, -ere ‘hin-, aufstellen’, umbr. statita ‘statūta’; bret. steut, cymr. ystawd ‘Garben’ (*stā-tā), bret. steudenn ‘Zapfen, Nagel’ (*stā-t-), Loth RC. 43, 154 f.; lit. statùs ‘stehend, steil’, got. staþa Dat., as. stath m., ahd.stad, stado m. ‘Landungsort, Ufer, Gestade’; aisl. stǫð f. ‘Landungsort, Stellung’, stǫðva ‘zum Stehen bringen’ (*staþwō(n), vgl. lat. statu-s, -ere); staði ‘Heustapel in der Scheune’ (= mnd. stade ‘Ort, wo die Ernte aufgehäuft wird’).
5. mit dh-Suffix: cymr. an-sawdd ‘das Festmachen’, air. sādud (*stādh-ī-tu-) ds.; aisl. stōð n. ‘Standort, Herde von Stuten mit einem oder mehreren Hengsten’, ags. stōd n. ‘Pferdeherde’, mnd. stōt (-d-) f. ‘Einzäunung für Pferde, Herde von Zuchtpferden’, ahd. stuot f. ‘Herde von Zuchtpferden’, auch ‘Stute’, nhd. Stute; aisl. (z. B. hug-) stø̄ðr ‘feststehend, fest’ (eher idg. t wegen got. ungastoþai ‘ohne festen Stand’; t oder dh mit analog. Ablaut ē: ahd. stāti ‘fest, dauerhaft, stet’, mnd. stēde ‘fest, beständig’); Kaus. got. ana-, du-stōdjan ‘anfangen’, aisl. stø̄ða ‘zum Stehen bringen’; mit germ. *stōþia- lautet ab lit. stãčias ‘stehend’; lit. statìnė ‘große Holzwanne’;
6. ai. sthātar- ‘Lenker’, sthātr̥ n. ‘das Stehende’, lat. stātor; gr. στατήρ, -ῆρος ‘ein Gewicht und eine Münze’; *st[ǝ]-ter mit Schwund des ǝ im Kompositum, vielleicht in ai. savya(ē)-ṣṭhar- ‘der links stehende Wagenkämpfer’, av. raθaē-štar- ‘Krieger, Kriegsheld’ (wie raθaē-štā-, s. oben; vielleicht aber Umbildung von -ṣṭhā nach den Nomina agentis auf -tar);
7. lat. obstāculum ‘Hindernis’ n.; cymr. cystadl ‘gleichwertig’, distadl ‘wertlos’ (*stǝ-tlo-); aisl. stǫðull m. ‘Melkplatz, Senne’ = ags. staþol ‘Grundlage, Stellung, Platz’, as. stathal ‘Stellung’, mnd. stadel ‘Scheune’, ahd. stadal ‘Stand, Kornscheuer’, nhd. (süddt.) Stadel, älter dän. stedel ‘Grund, Hofstätte’; lit. stãklės Pl. ‘Webstuhl’; lit. stãklė ‘Pfahl’, lett. staklis ‘ds. Zacke, Zinne, Gabel’, apr. stakle ‘Stütze’ (mit kl aus tl).
8. mit Formans -dhlo-: lat. stabulum ‘Standort, Aufenthalt; Lager wilder Tiere, Stall’ (prōstibulum ‘Ding zum öffentlich Ausstehen, Dirne’, naustibulum ‘Schiffstandort, Gefäß in Schiffsform’), stabilis ‘feststehend, standhaft’, umbr. staflarem ‘stabulārem’, osk. staflatas-set ‘statutae sunt’, pälign. pri-stafalacirix ‘*praestibulātrix, antistita’;
vereinzeltere Dentalableitungen: -dh- in gr. σταθμός, meist Pl. σταθμά ‘Stand, Standort, Gewicht’, σταθερός ‘stehend, unbeweglich, fest’; -d- in στάδιος ‘stehend, unbeweglich, steif, zugewogen’, στάδην ‘stehend’, ἀπο-σταδόν ‘fern abstehend’.
9. mit l-Formantien:
cymr. cystal ‘ebensogut’ (*kom-sta-lo-); got. stōls ‘Thron’, ahd. stuol, ags. stōl, anord. stōll ‘Stuhl’, lit. pastõlai ‘Gestell für Bienenkörbe’, tiefstufig aksl. stolъ ‘Thron, Sitz’, in den neuern slav. Spr. ‘Stuhl’ oder ‘Tisch’.
10. mit m-Formantien:
ai. sthā́man- n. ‘Standort, Kraft’; gr. στήμων m., στήμεναι ‘stehen’, lat. stāmen n. ‘Aufzug am aufrecht stehenden Webstuhl, usw.’, umbr. Dat. stahmei ‘statiōni’; stahmito ‘statūtum’; air. sessam ‘das Stehen’ (*si-stā-mu-), foessam ‘Schutz’ (*upo-si-sta-mu-) = mcymr. gwaessaw ‘Garantie’; got. stōma ‘ὑπόστασις, Grundlage, Stoff’; lit. stomuõ, -eñs ‘Statur’; russ. stamík ‘Stützbalken’;
gr. στάμνος ‘Krug’, σταμῖν-ες Pl. ‘Ständer, Seitenbalken’; cymr. cysefin ‘erster’ (*kentu-stamīno-); mir. samaigim ‘stelle’, cymr. sefyll, corn. sevell ‘stehen’, bret. sévell (*stamili̯o-) ‘errichten, bauen’ (daneben mit kelt. t air. tamun ‘Baumstamm’; ahd. stam, stammes ‘Stamm’ usw. scheint Verquikkung eines verwandten *stamna- mit einem staƀna-, s. *steb- ‘Pfosten’); toch. A ṣtām, В stām ‘Baum’; aber ahd. ungistuomi ‘ungestüm’ zu stem- ‘hemmen’, s. dort.
11. mit n-Formantien (vgl. die Präsensbildungen mit n):
ai. sthā́na- n., av. ap. stāna- n. ‘Standort, Ort, Platz’, npers. sitān, gr. δύσ-[σ]τηνος, dor. δύστᾱνος ‘(in schlechtem Zustande) unglücklich’, ἄστηνος ds., lit. stónas ‘Stand’, aksl. stanъ ‘Stand, Lager’, alb. shtuarë ‘stehend’, shtorazë ‘aufrecht’ (*stā-no-di̯o-, vgl. zum d-Suffix gr. ἀποσταδόν usw.), shtâzë, shtėzë ‘Vieh’ (*stan-zë).
12. mit r-Formans: ai. sthirá- ‘fest, unbeweglich’; lit. stóras ‘dick, umfangreich’ (eigentlich ‘stämmig’), aksl. starъ ‘alt’ (‘*stämmig’ im Gegensatz zur zarteren Jugend), anord. stōrr ‘groß’, as. stōri ‘groß, berühmt’, ags. stōr ‘gewaltig’;
13. mit dem von *stā-i̯ō weitergebildet: ai. jala-sthāya- m. ‘Wasserbehälter’, sthāyin- ‘stille stehend, verweilend, stetig’ u. dgl., sthēmán- m. ‘Festigkeit, Ruhe, Dauer’ (*sthayiman-).
F. st(h)āu-: st(h)ū-: lit. stóviu, -ė́ti ‘stehen’ (Memel stáunu), stovà ‘Stelle’, stõvis ‘Zustand’, stovùs ‘stehend (vom Wasser)’, lett. stãvu, stãvêt ‘stehen’, stãvus ‘stehend, aufrecht’; stãvs ‘steil’, stāvs ‘Gestalt’, stāvi, stāve ‘Webstuhl’; aksl. staviti ‘stellen’, stavъ ‘Stand, Gefüge’; ags. stōw, afries. stō f. ‘Stelle’, aisl. eld-stō ‘Feuerstätte’; got. stōjan ‘richten’ (vielleicht *stōwjan : aksl. staviti), staua f. ‘Gericht’ (*stōwō), staua m. ‘Richter’, ags. stōwian ‘zurückhalten’, engl. stow ‘stauen’, ahd. mhd. stouwen (*stawjan) ‘(au)klagen; (scheltend) gebieten; Refl. sich stauen’, nhd. stauen; mit ū: ahd. stūatago ‘Gerichtstag’, stūan ‘anklagen, schelten, hemmen’, mnd. stūwen (= stouwen, stōwen) ‘stauen’, usw.;
mit Abtönung stōu-: gr. *στωϝ-ός ‘Säule’ in att. στοιά, στοά (*στωϝι̯ᾱ), äol. στωΐα ‘Säulenhalle’, στωΐδιον Demin., στωικός ‘zur Schule der Stoa gehörig’, στώμιξ· δοκὶς ξυλίνη Hes.;
schwachstufig: ai. sthūṇā ‘Säule’ (mind. aus n), av. stū̆na, stunā ‘Säule’; gr. στύ̄ω ‘steife, richte empor’, Med. ‘bin steil aufgerichtet’, στῦμα n. ‘erectio penis’, στύμος· στέλεχος, κορμός; στῦλος m. ‘Säule, Griffel’, στύραξ ‘das untere Ende der Lanze’; aisl. stūmi ‘ein Riese’; mhd. stūnende ‘widersetzlich’, nhd. staunen als ‘starr blicken’; keine Belege für diese Ablautstufe sind hingegen die u-St. ai. su-ṣṭhú Adv. ‘gut, schön’, anu-ṣṭhú, anu-ṣṭhuyā́ ‘sogleich’;
mit t-Formans dazu: aisl. stoð (Pl. stoðir, støðr, steðr) f. ‘Stütze, Pfosten, Unterstützung’, ags. stuðu, studu f. ‘Stütze, Pfosten’, mhd. stud f. ds., aisl. stuðill m.ds., mhd. studel ‘Pfosten, Turpfosten’;
aisl. styðja ‘stützen’, ahd. studen ‘festmachen, statuere’, aisl. stoða ‘unterstützen, helfen’; mit intens. Konsonantendehnung: mnd. stutten ‘(unter-)stützen’, ahd. (unter)stutzen, nhd. (unter)stützen; auch ahd. stūdaStaude’; lett. stute, stuta ‘Reis, Rute’;
reduktionsstufig stǝu-: gr. σταυρός ‘Pfahl’ = aisl. staurr ‘Pfahl’ (ablaut. norw. dial.styr, styrja ‘lange Stange, steife Person’); lat. in: instaurāre ‘instand setzen’ (ursprünglich von Stangen, Ständern beim Bau), restaurāre ‘wiederinstandsetzen’.
G. st-eu-, st-eu̯ǝ- ‘massiv, fest, dick, breit’ (germ. stiura s. u.) als ‘standsicher, feststehend’ in ai. sthāvará- ‘dick, feststehend, beständig’ (letztere Bed. und die Vokallänge vielleicht durch Anlehnung an sthā- ‘stehen’), sthávira- ‘breit, dick, derb, dicht, alt’, (oder nach dem Komp. Sup. erfolgter Ersatz für:) ai. sthūrá-, sthūlá- ‘dick’ = av. stūra- ‘umfangreich, stark, derb’ (Kompositionsform stūi-, stvi-, d. i. *stuvi-), Kompar. Superl. ai. sthávīyas-, av. staoyā̊ ‘der Umfangreichere, Stärkere, Größere’, ai. sthá-viṣṭha-, av. stāvišta- ‘der Stärkste, Derbste, Gröbste’, ai. stháviman- n. ‘Breite’, av. stavah- n. ‘Dicke, Starke’; arm. stvar ‘dick’ (*stuu̯ar-);
aschw. stūr ‘groß’ (neben stōr, s. oben), stȳras ‘großtun’, mnd. stūr ‘groß, stark, schwer; störrisch, grob, unfreundlich’ (vgl. ai. ni-ṣṭhura- ‘rauh, hart, grob’, ni-ṣṭhūrin- ‘grob, roh’), aisl. stūra ‘Düsterheit’, Vb. ‘betrübt sein’ (nschw. stūra ‘starr hinsehen’ in der Bed. nach der Sippe von nhd. stieren umgeändert), hochstufig ahd. stiuri ‘stark, stattlich, stolz’;
mit anderer Bedeutung: ahd. stiura, mhd. stiure ‘Stütze, Steuerruder, Unterstützung, Steuer’, nhd. Steuer f. und (aus dem Nd.) n., ags. stēor f. ‘Steuerruder’, aisl. stȳri n. ‘Steuerruder’, mnd. stür(e) n. ‘Steuerruder’, f. n. ‘Regierung; Hilfe, Gegenwehr’, f. ‘Unterstützung’, got. us-stiurei ‘Zügellosigkeit’, mnd. unstǖre ds., got. stiurjan ‘feststellen, behaupten’, nhd.zur Steuer der Wahrheit, aisl. stȳra ‘ein Schiff steuern; regieren’, ags. stīeran ds., ahd. stiurren ‘stützen, steuern, lenken’; wohl ursprüngl. ‘Pfahl, Steuerruder (sekundär: damit stützen, lenken)’, mit aisl. staurr, gr. σταυρός (s. oben) unter *stēu-ro- : *stǝu̯-ro- vereinbar, das von *st(h)āu- nicht ganz getrennt werden könnte;
zu ai. sthūrá- usw. stellt sich wohl idg. steu-ro- ‘Stier (und anderes Großvieh)’:
av. staora- ‘Großvieh’, mpers. stōr ‘Zugtier, Roß’, got. stiur m. ‘Stierkalb, Stier’ (nach W. Schulze Kl. Schr. 483 = ai. sthávira-); ahd. stior, ags. stēor, aisl. stiōrr (neben þjōrr) ‘Stier’.

WP. II 603 ff., WH. I 343 f., 705 f., Trautmann 280 ff., Vasmer 3, 2 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal