Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sprok - (bros)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sprok* [bros] {sporck, sprock 1599} van middelnederlands sproc [takje, rijsje], de verkleiningsvorm sprockel en het ww. sprockelen, waarnaast ook sprocken, ablautend bij oudengels spræc [twijg]; vgl. de vormen met n onder sprank.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sprok bijv., Mnl. sproc + Hgd. sprock; hierbij Zw. sprikka, De. sprœkke = breken, bersten + Lit. sprogti = splijten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sprok, bn.: bros, broos; veranderlijk (van het weer). Ook Vlaams en Brabants. Vnnl. sproc, cortbrakigh ‘fragille’ (Lambrecht), sprock, sporck ‘breekbaar’ (Kiliaan). Hetzelfde woord als Mnl. sproc ‘takje’ > ‘droge tak’, Mnd. sprock, Oe. spræc ‘twijg’, On. sprek ‘broze tak’, Gr. spargê ‘spruit’, Lit. sprógti ‘uitbotten’. Vgl. sprokkelen ‘droog hout rapen’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

sprok, sprot, sprokkel, bn.: bros, broos; ruw (huid); lichtgeraakt; veranderlijk (van het weer). Ook Vlaams. Vnnl. sproc, cortbrakigh ‘fragille’ (Lambrecht), sprock, sporck ‘breekbaar’ (Kiliaan). Hetzelfde woord als Mnl. sproc ‘takje’ > ‘droge tak’, Mnd. sprock, Oe. spræc ‘twijg’, On. sprek ‘broze tak’, Gr. spargê ‘spruit’, Lit.: sprógti ‘uitbotten’. Vgl. sprokkelen ‘droog hout rapen’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

sprok bn.: broos, bros, breekbaar. Ook Waaslands en Wvl. (De Bo). Vnnl. sproc, cortbrakigh ‘fragille’ (Lambrecht), sprock, sporck ‘breekbaar’ (Kiliaan). Hetzelfde woord als Mnl. sproc ‘takje’ > ‘droge tak’, Mnd. sprock, Oe. spræc ‘twijg’, On. sprek ‘broze tak’, Gr. spargê ‘spruit’, Lit. sprógti ‘uitbotten’. Vgl. sprokkelen ‘droog hout rapen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

sprok (W, ZV), bn.: broos, bros, breekbaar. Ook Wvl. (De Bo). Vnnl. sproc, cortbrakigh 'fragille' (Lambrecht), sprock, sporck 'breekbaar' (Kiliaan). Hetzelfde woord als Mnl. sproc 'takje' > 'droge tak', Mnd. sprock, Oe. spræc 'twijg', On. sprek 'broze tak', Gr. spargê 'spruit', Lit.: sprógti 'uitbotten'. Vgl. sprokkelen 'droog hout rapen'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sprok bros, veranderlijk, gez. van het weer. (Brabant, Vlaanderen, Haspengouw, Noordoost-Nederland). = ouder nl. sprok ‘dorre tak, sprokkelhout’ = mndd. sprock ‘dor hout’ ~ sprik ↑.
Saxo-Frisia III 71-73, WNT XIV 3073, Rutten 214.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

sprok (DB), bn.: broos, bros. Vroegnnl. sproc, cortbrakigh ‘fragille’ (Lambrecht), sprock, sporck ‘fragilis’ (Kiliaan). Hetzelfde woord als Mnl. sproc ‘takje’ > ‘droge tak’, Mnd. sprock, Oe. sprœc ‘twijg’, On. sprek ‘broze tak’, Gr. spargê ‘spruit’, Lit. sprógti ‘uitbotten’. Vgl. sprokkelen ‘droog hout rapen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sprok ‘(gewestelijk) bros’ -> Negerhollands sprok ‘bros, wat licht breekt’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal