Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sprinkhaan - (insect van het geslacht Locusta)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Sprinkhaan

De coronaplaag heeft het uit de aandacht verdrongen, maar sinds begin dit jaar worden tien landen in Afrika, het Midden-Oosten en Azië geteisterd door een heel andere, aloude plaag: zwermen sprinkhanen die alles kaalvreten. Op 3 februari sprak De Telegraaf van “sprinkhanenplagen van Bijbelse proporties”. Daarmee wordt verwezen naar de achtste van de tien natuurrampen die Egypte troffen toen de farao de Israëlieten niet toestond het land te verlaten. De oudtestamentische ramp wordt in de Statenvertaling uit 1637 als volgt aangekondigd (Exodus 10:4): “Want indien ghy weygert mijn volck te laten trecken: siet so sal ick morgen sprinckhanen in uwe lant-pale [= binnen uw landsgrenzen] brengen.” In de oudste gedrukte Nederlandse bijbelvertaling, de Delftse Bijbel uit 1477, luidt het laatste stukje: “so sal ic morghen brengen op dinen lande spelthanen”.

Sprinco
In de Delftse Bijbel werd de sprinkhaan dus aangeduid met spelthaan, een naam die al vanaf 1300 is aangetroffen. Het eerste deel spelt (‘tarwesoort’) verwijst naar een belangrijke voedingsbron van het insect, terwijl haan waarschijnlijk refereert aan de schokkende of springende bewegingen van de sprinkhaan, die doen denken aan die van een haan. Maar haan, meestal in de verkleinvorm haantje, wordt ook geregeld gebruikt om niet-springende keversoorten aan te duiden, vergelijk bladhaantje, buishaantje, elzenhaantje, goudhaantje, heidehaantje, leliehaantje, lieveheershaantje (als variant van lieveheersbeestje), populierhaantje en wilgenhaantje. Spelthaan is de oudste insectbenaming met haan, dus die kan als voorbeeld voor de andere benamingen hebben gediend.
Het woord sprinkhaan is voor het eerst rond 1400 aangetroffen. Daarvóór, rond 1000, werd de sprinkhaan aangeduid met sprinco, en vanaf 1300 vinden we sprinkel, sprengelke en sprengerke: allemaal afleidingen van het werkwoord springen, en ze betekenen dus ‘de springer’. De k in sprinkhaan geeft de oorspronkelijke uitspraak van het woord spring weer.

Geluid
De sprinkhaan heeft zijn naam te danken aan de formidabele achterpoten, waarmee hij wel 1,20 meter de hoogte in kan springen. Door diezelfde achterpoten langs zijn lijf te schuren kunnen deze insecten geluid produceren. Dat sjirpen is hun taal: je kunt er de soort mee bepalen, en door variaties in toonhoogte en duur kunnen de diertjes op allerlei manieren onderling communiceren – wisselzang, lokgezang, paargezang, triomfzang, territoriumzang, enzovoort. Het luide sjirpen of krassen hebben sprinkhanen gemeen met de krekels.
Opmerkelijk is dat geen van de namen van de sprinkhaan naar zijn geluidsproductie verwijst, terwijl de meeste namen van de krekel – die wel nóg luidruchtiger is dan de sprinkhaan – hier juist op teruggaan. Zo is krekel afgeleid van het werkwoord kreken of kraken, en ook het Franse criquet, het Engelse cricket en het Duitse Grille zijn klanknabootsingen.
Eén Nederlandse naam wordt zowel voor de krekel als de sprinkhaan gebruikt, namelijk stapel. Dat is een afleiding van het werkwoord stappen. Van dit stapel is de samenstelling stapelgek gemaakt, die eigenlijk ‘zo gek als een krekel of sprinkhaan’ betekent: men meende dat een dier dat zo razend sjirpt, wel volslagen gek moest zijn.

Springen en huppelen
Naast sprinco, sprinkel, sprengelke en sprengerke was er nog een andere oude benaming voor de sprinkhaan: hippelkoren of huppelkoren. Het is een samenstelling van het werkwoord huppelen (‘springen’) en de voedingsbron koren, en het is vergelijkbaar met de dialectnaam hooiwipper, met het Engelse grasshopper, het Friese gershipper en gersspringer (‘grashuppelaar’), en met het Duitse Heuschrecke (‘hooispringer’; van schrecken ‘springen’). Ook in de Franse naam sauterelle zit het spring-element: sauter betekent ‘springen’.
[Beelen, Hans en Nicoline van der Sijs (2020), ‘Sprinkhaan’, in: Onze Taal 9, 30]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sprinkhaan zn. ‘insect van het geslacht Locusta
Onl. sprinco ‘sprinkhaan’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. sprinchane [begin 14e eeuw; MNW].
Afleiding van → springen, waaraan later → haan is toegevoegd, met behoud van /k/ uit verscherpte /g/ aan het einde van de lettergreep (springen was oorspronkelijk /sprin-gən/). Het woord haan als tweede lid verwijst wellicht naar de schokkende of springende bewegingen die hanen en sprinkhanen maken. Hetzelfde tweede lid komt voor in twee andere benamingen van de sprinkhaan: spelthane [1332; MNW-P] en hiphaan [1646; WNT haan I].
Andere Middelnederlandse namen voor de sprinkhaan met een van deze twee woorddelen waren spranke [1290-1310; MNW-P], sprinkel [1300-25; MNW-R], spelthane [1332; MNW-P], en spranckel [1480; MNW]. Vergelijkbaar is verder nog de vorm stapel ‘sprinkhaan, krekel’ bij het werkwoord stappen, zie → stapelgek.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sprinkhaan* [insect] {sprinchane, sprinchaen 1400} afgeleid van springen waarbij de k een verscherping betekent + haan, vgl. goudhaantje [bladkever].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sprinkhaan znw. m., mnl., mnd. sprinkhāne is met verscherpte k afgeleid van springen; maar er is zeker rekening te houden met oudere namen als onfrank. sprinco en mnl. spranke (waarvoor zie: sprenkel 2.

Voor de verspreiding van dit woord in duitse dialecten vgl. W. Mitzka, Driemaand. Bladen NS 2, 1950, 117-9. — Met nl. kolonisten kwam het woord als springhahn ook in het Weichselgebied met de variant springhase vgl. oostel. ni. springhaas (vgl. Mitzka, Album Blancquaert 1958, 222-223).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sprinkhaan znw., mnl., mnd. sprinkhāne m. Met verscherpte consonant bij springen; de k wellicht mede onder invloed van de bij sprenkel II genoemde synoniemen, waarbij hij reeds ohd., onfr. is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sprinkhaan m., vergel. dial. Fr. cog d’août.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

sprinkaan s.nw.
Plantetende insek met kleinerige vlerkies en opvallende lang agterpote waarmee hy springend voortbeweeg.
Uit Ndl. sprinkhaan (1566 - 1600), 'n samestelling van springen 'spring' en haan 'haan'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm sprinkhaan.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1835).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sprinkaan: voetganger- en vlieënde insek (spp. Acrida, fam. Acridiidae); Ndl. sprinkhaan (Mnl. sprinchaen/-hane, by vRieb sprinckhanen), uit spring en haan (wat in ss. ook op insekte, seediere en visse toeg. word).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sprinkhaan ‘insect’ -> Duits dialect Sprinkhaan, Springhan, Springhahn ‘insect’; Negerhollands springhaen ‘insect’; Berbice-Nederlands springhan ‘insect’; Sranantongo sp(r)inka ‘insect’; sprinkaan ‘insect’ <via Afrikaans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sprinkhaan* insect 1301-1400 [Glossarium Trevirense]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal