Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spriet - (spruit van een plant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spriet zn. ‘spruit van een plant; voelhoorn’
Mnl. met bogen ende met sprieten ‘met bogen en werpspiesen’ [1260-80; VMNW], spryet ‘staaf waar het zeil aan hangt’ [1477; MNW]; nnl. sprieten ‘dunne uitsteeksels van insecten’ [1715; Vincent], Elke andre bloem ... buigt zich op het tenger sprietje [ca. 1820; iWNT willig].
Mnd. sprēt ‘stang’; oe. spreot ‘staak, spriet’ (ne. sprit); < pgm. *spreuta- ‘loot’, vergelijk ook ohd. spriuza ‘staak, stang’.
Afleiding bij de wortel van het sterke ww.spruiten. De oorspr. betekenis was ‘dunne lange loot’ > ‘staak, lans’. Zie ook → boegspriet. Met andere ablaut: nzw. spröt ‘spriet’.
Lit.: L. Vincent (1715), Wondertooneel der natuur, dl.2, Amsterdam, 17 en 21

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spriet1* [spruit van een plant] {1260-1280} middelnederduits spret, oudengels spreot; behoort bij spruiten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spriet znw. m., mnl. spriet m. ‘staak, lans, spiets, gaffel’, mnd. sprēt o., oe. sprēot m. ‘staak, spriet’. — Zie: spruiten.

Het zuid-nl. spriet als naam van ‘houten gaffel voor landbouwwerk’ is overgenomen in Holsteins spriët en brandenburgs šprēt, špriǝt voor ‘driehoekig voorstuk aan een wagen om deze te verbinden met een voorwagen’, vgl. Teuchert Sprachreste 249-250.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spriet znw., mnl. spriet m. “staak, lans, spiets, gaffel”. = mnd. sprêt o., ags. sprêot m. “staak, spriet”. Door sommigen bij lit. spráudżu, spráusti “dringen” gebracht (voor een parallel zie spies), door anderen bij spruiten. Beide etymologieën kunnen gecombineerd worden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spriet m., Mnl. id. + Ags. spréot (Eng. sprit): van spruiten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

spriet, zn.: deel van spa, hark; herdersschopje. Mnl. spriet ‘stang, ra; gaffel, vork’. Mnd. sprêt, Oe. sprêot. Naar de gevorkte vorm van een spriet ‘spruit’. Van het ww. spruiten, D. sprießen.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

spriet(e) (G, L, W, ZO), zn.: stuit, kruis (van lichaam, broek), gulp. Mnl. spriet 'stang, ra; gaffel, vork'; Vnnl. spriet tusschen de beenen (Kiliaan). Mnd. sprêt, Oe. sprêot. Naar de gevorkte vorm van een spriet 'spruit'. Van het ww. spruiten, D. sprießen.

spriet 1 (W), zn. v.: spat (vocht). Zoals spriet(e) van het ww. sprieten = spruiten. Dim. sprieteling. Samenst. sprietbuis.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

spriet gaffel (Zuid-Nederland). = spriet = mnl. spriet ‘gaffel’, mndd. sprēt. ~ spruiten. ~ kymr. ffrwst ‘haast’ en lit. sprústi ‘uit een klem komen’.
NEW 685, IEW 994-995.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

spriet: lange (magere) spriet: lang, mager persoon. Zie ook grasspriet*. Fransen gebruiken de term sauterelle.

‘Hoor reis, ventje!’ zeide Andries: ‘jij mot zooveel praats niet hebben: al ben je nog zoon lange spriet, ik heb er wel grooter als jou voor derlui frontwerk getrommeld. Heb je lust? dan zal ik je een rood lintje over je bakkes halen.’ (Jacob van Lennep, De lotgevallen van Ferdinand Huyck, 1840)
Cornelis Prummel, een lange spriet van twaalf jaar. (Het Vaderland, 25/09/1937)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spriet (grashalm), van spruiten: een lange, dunne halm; bij overdracht: boegspriet; de sprieten van een insect.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spriet ‘spruit van een plant; rondhout aan de mast, boegspriet’ -> Duits Spriet ‘(in de landbouw) rondhout; vorkvormige verbinding in een akker- of oogstwagen’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens spryd ‘boegspriet’; Noors spryd ‘boegspriet’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors spri, sprit ‘rondhout aan de mast’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds spri ‘rondhout aan de mast, boegspriet’;? Zweeds spröt ‘rondhout gebruikt in want van schip’ (uit Nederlands of Duits); Fins prii ‘rondhout om vierhoekig zeil te bedienen’ <via Zweeds>; Frans dialect spriet; sprét' ‘lange stok, door een schipper gebruikt; ra’; Russisch šprintóv, špritov ‘rondhout aan de mast’; Papiaments sprichi ‘dunne spruit van een plant; lang en mager iemand; broodmager’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spriet* spruit van een plant 1260-1280 [CG II1 Nibel.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)p(h)er-2, sprei-, spreu- ‘streuen, säen; sprengen, spritzen, sprühen; auch vom Aufspringen von Knospen, Pflanzentrieben’, wohl mit sp(h)er-1 ‘zucken’ identisch, ebenso mit per-1, oben S. 809 f.

A. Arm. p’arat ‘zerstreut’ (*pher-), p’aratem ‘zerstreue, entferne, nehme weg’ (vgl. gr. σποράς, -άδος); vielleicht auch sp’ṙem ‘zerstreue’, sp’ir ‘zerstreut, verstreut, ausgedehnt’ (wäre *sphēro-);
gr. σπείρω ‘streue, säe, sprenge, spritze, sprühe’ (σπερῶ, ἔσπαρκα, ἐσπάρην), σπέρμα n. ‘Same’, σπορά, σπόρος m. ‘das Säen, die Saat’, σποράς, -άδος ‘verstreut’, Adv. σποράδην, σπαρνός ‘dünngesät, spärlich’;
mir. sreb ‘Strom’ (*spre-bhā); srāb ‘Strom, Sturzbach, Schaar’ (*sprō-bhu-);
ahd. sprāt ‘das Spritzen, Sprühen’, mnd. sprē-wedel ‘Sprengwedel’; mit dem bei germ. Wurzeln auf langen Vokal auftretenden w urgerm. *sprēwēn in norw. spraa, ä. dän. spraaes ‘spröde, brüchig werden’, dän. dial. spraae ‘sich öffnen, von Knospen; bersten’, schwed. dial. språ, språs ‘sprießen, sich öffnen, bersten’, norw. spra aus *sprada (und spræ aus *sprēwjan) ‘spritzen, sprengen’; abgeleitet aisl. sprǣna ‘spritzen, trans. und intr.’; *sprēwjan in mhd. sprǣjen, sprǣwen, mnl. spraeien ‘stieben’; *sprōwjan in nhd. sprühen, nl. sproeien ds.; norw. sprōa ‘Strebepfeiler, Stütze’ (*sprōwōn; zur Bedeutung s. u.); d-Präsens nl. sproeten ‘spritzen’, sproetelen ‘hervorsprudeln’, mnd. sprōte ‘(Spritzer =) Fleck, Sommersprosse’.
B. i-Basis sprei-d-, -t-:
ahd. sprīzan, spreiz ‘in Stücke splittern, spritzen’, aisl. sprita ‘auseinander sperren’ (nach Fischer, Die Lehnwörter des Awn. 40 aus mhd. sprîten entlehnt); norw. sprita ‘spritzen’; mhd. sprīten und (mit grammatischem Wechsel) sprīden ‘sich ausbreiten, sich zerstreuen, zersplittern’, Kaus. aschwed. spreda ‘zerstreuen, ausbreiten’, norw. spreida, ags. sprǣdan ds., ahd. spreitan, mhd. nhd. spreiten;
alit. sprainas ‘steif, starr, übersichtig, vom Auge’ (wohl *spraid-na-s, eigentlich ‘die Augen weit aufspreizend’), lett. spriêst ‘spannen, drängen, ausmessen’ (‘*spreizen’), spraids ‘Stelle, wo Leute zusammengedrängt stehen’, debes-spraislis ‘Himmelsgewölbe’; dazu vermutlich lit. spréndžiu ‘spanne mit der Hand’.
C. Erweiterung spreu-: ahd. spriu, Gen. spriuwes ‘Spreu’; ags. sprēawlian ‘sich krampfhaft bewegen’; nhd. spröde = mengl. sprēþe ds. (*sprauþia- eigentlich ‘leicht zerspringend’);
cymr. ffrau ‘(Hervorsprudeln), Strom’, ffreuo ‘hervorspritzen’ (*sprou̯-), ffraw ‘lebhaft’ (*sprōu̯o-), cyffro ‘erregen’, deffro ‘erwecken’ (Loth RC. 42, 347; 44, 270 f.); air. sruth (*spru-tu-) m. ‘Fluß’ = cymr. usw. ffrwd ds.; gall. FlN Φρουδιος Gen. (leg. Φρουτυος), nhd. FlN Frutz (Vorarlberg), oberital. fruda ‘Sturzbach’; bret. Vannes fru ‘Sprühregen’ (*spreus-); auch nhd. Sprudel?
lett. spraûjuôs, spraûtiês ‘hervordringen, emporkommen’; lit. spriaũnas ‘lustig, frisch, munter, ausgelassen’.
spreu-d- (d-Erweiterung, vielleicht ursprünglich aus einem d-Präsens) ‘spritzen, schnell hervorkommen, sprießen’ usw.):
cymr. ffrwst m. ‘Hast’ (*sprud-to- oder -stu-);
got. sprautō Adv. ‘schnell, bald’; mhd. spriezen ‘sprießen’, and. ūtsprūtan ‘hervorsprießen’, afries. sprūta ‘keimen, sprießen’, engl. sprout; ags. spryttan ‘sprießen’, nd. sprütten ‘spritzen’, mhd. sprützen ‘sprießen, spritzen’; aisl. sproti m. ‘junger Schößling an einem Baum, Stecken’, ahd. sprozzo ‘Schößling, Sproß’; mnd. sprote(le) ‘(*Spritzer =) Fleck, Sommersprosse’, nhd. Sommersprosse; mnd. sprūte, md. sprūze ds.; ags. sprēot ‘Stange’, ndl. spriet (daraus nhd. Spriet); norw. spraut, sprauta ‘Stellholz in der Falle’, sprøyta ‘Fenstersprosse, Spannstock in einem Webstuhl’; ahd. spriuzen ‘spreizen, stützen, stemmen’, spriuza ‘Spreize, Stütze, Strebe’;
lit. spriáusti ‘hineinzwängen, klemmen’; ablaut. sprústi ‘aus einer Klemme infolge des Druckes herauskommen’; lett. spraûst ‘hineinstecken’, ablaut. sprū-st ‘eingeklemmt werden’.
spreu-g-, -k- in gleichem Bedeutungsumfang:
nhd. nd. spriegel, sprügel, sprugel, sprogel ‘Schnellbogen; gespannter Bogen zu einer Überdeckung; Sprenkel beim Vogelfang’, luxemb. spriegel ‘Sperrholz zum Auseinanderspannen’;
lett. spruga, spruñga ‘Klemme’, spruñǵis ‘Knebel’;
lit. sprūgsti ‘entspringen, entwischen’, lett. sprauga ‘Lücke’; wohl auch (als ‘zerprengen, zerstieben machen’), lett. spràugt ‘grob mahlen, schroten’; mit k: lett. sprukt ‘entwischen, entgleiten’; spruksts ‘ein Leichtfüßiger, Springer’, spraukt ‘durchzwängen, entfliehen’.
(s)preus- s. oben S. 809 f. ((s)preus-)

WP. II 670 ff., Trautmann 277, 278, Vendryes RC. 46, 255 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal