Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spreng - (gegraven beek)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sprang* [bron] {1926-1950} afgeleid van sprengen, springen.

spreng* [bron] {1657} van sprengen, springen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sprang 2 znw. v. ‘spreng, waterader’, vooral oost-nl. een afl. van sprengen en springen. — Hiernaast staat ook spreng, dus uit resp. germ. *sprangō en *sprangiō.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sprang v., van denz. stam als ’t (oude) enk. imp. van springen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

sprang, zn.: ijzeren oog waarmee de vang aan de vangbalk bevestigd is; ijzeren bovendeel van de vogelmast (bij het boogschieten), de vogelmast zelf. In de tweede bet. vooral Vlaams, b.v. gaaisprange, Wvl. ook gaaiperse, gaaisperre, gaaistange. Vgl. Oe. spranca ‘takje’. Zoals Ndl. sprang, spreng ‘zijstroompje’, dus een ‘aftakking die ontspringt aan…’ van het ww. springen, sprengen < Germ. sprangô.

sprank, zn.: opgeschoten, slank. Vgl. Oe. spranca ‘takje’. Zoals Ndl. sprang, spreng ‘zijstroompje’, dus een ‘aftakking die ontspringt aan…’ van het ww. springen, sprengen < Germ. sprangô.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

sprink zn. m.: spreng, waterloopje; springvloed. Van ww. springen ‘ontspringen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

sprang(e) (G, W, ZO), zn. v.: ijzeren bovendeel van de vogelmast (bij het boogschieten), de vogelmast zelf. Samenst. gaaisprange, Waas gaaiprang, Wvl. ook gaaiperse, gaaisperre, gaaistange. Vgl. Oe. spranca 'takje'. Zoals Ndl. sprang, spreng 'zijstroompje', dus een 'aftakking die ontspringt aan…' van het ww. springen, sprengen < Germ. sprangô.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sprang bovenstuk van bij het gaaischieten gebruikte paal (Vlaanderen). Vgl. oeng. spranca ‘takje’, nl. sprank ‘vertakking’ en ov. spranken ‘zich vertakken’. Oude uitbreiding van een i.e. basis die aanwezig is in (dak)spar, lat. sparus ‘korte speer’, alb. skparr ‘eik als bouwmateriaal’, nl. speer, nl. versperren en een spar of speer of stang aanduidt.
De Bo 936, IEW 990-991, EW 353, WNT XIV 2999.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

sprange (DB, D, K), zn. v.: ijzeren bovendeel van de vogelmast (bij het boogschieten), de vogelmast zelf. Zie ook gaaisprange i.v. gaaiperse. Vgl. Oe. spranca ‘takje’. Zoals Ndl. sprang, spreng ‘zijstroompje’, dus een ‘aftakking die ontspringt aan...’ van het ww. springen, sprengen < Germ. sprango.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spreng ‘bron’ -> Negerhollands spring ‘bron, afkomst’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal