Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sprankelen - (fonkelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sprankelen ww. ‘fonkelen’
Nnl. sprankelen ‘fonkelen’ in het vuur dat in deze oude borst nog sprankelt [1808; iWNT].
Afleiding van sprankel ‘vonkje’, als in mnl. als een spranckel die den wint wech jaghet [1477; MNW], een verkleiningsvorm van mnl. spranke ‘vonk’, als in de sprancken ... zouden ... ander husen in brande stellen [1566; iWNT], en dat tegenwoordig in de vorm sprankje nog overdrachtelijk gebruikt wordt.
In de betekenis ‘vonk’ is het woord alleen Nederlands, maar te vergelijken met mnl. sparke ‘id.’ (waarbij sparken, sparkelen ‘vonken, fonkelen’), oe. spearca ‘id.’ (ne. spark, sparkle), ozw. (=nzw.) spraka ‘knetteren, vonken’ enz., waarvan de verdere herkomst onduidelijk is.
Andere oude betekenissen van spranke zijn ‘uitspruitsel’ [1539; MNW] en ‘teken’ [1470-85; MNW]. Misschien horen hierbij mnl. spronck, sprunck ‘spruitje’ [1442; MNHWS], oe. spranca ‘takje’, spræc ‘twijg, spruit’, on. sprek ‘broze tak’, en zie ook → sprokkelen. Ook van deze woorden is de verdere herkomst onzeker, maar waarschijnlijk zijn zij afgeleid van de wortel van → springen. Zie ook → sprenkelen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sprankelen* [vonkelen] {1808} van middelnederlands spranke, spranc, sprankel [vonk] (vgl. sprank).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

sprinkelen (GG: K), ww.: sprankelen, bruisen, borrelen. Afl. van Mnl. spranke(l) ‘vonk’, Vroegnnl. sprenckel, spranckel, sprancke ‘scintilla, favilla’, sprenckel, sprinckel ‘macula adspersa (spat)’, sprenckelen, sprenghelen, sprenghen ‘spargere, asperge-re, dispergere’ (Kiliaan). Vgl. Mnd. spranken ‘fonkelen’, E. to sprinkle ‘sprenkelen, strooien’. Meestal opgevat als een genasaleerde vorm naast sparke (E. to sparkle). M.i. bij het ww. springen/sprengen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sprankelen* fonkelen 1808 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal