Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sport - (trede van ladder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sport 1 zn. ‘trede van een ladder’
Mnl. sprote ‘trede van een ladder’ [1240; Bern.], in ane die suldi drie sproten mercken die gi op clemmen sult ‘daarop (op de ladder) zult u drie sporten zien waarop u kunt klimmen’ [1290-1310; MNW-P], sporte in Seuen sporten ... Heuet die leder ‘zeven sporten heeft de ladder’ [1375-1400; MNW-R].
Ontstaan door metathese van ouder sprote.
Mnd. sprote ‘sport’; ohd. sprozzo ‘id.’ (nhd. Sprosse ‘id.; spijl’, Oostenrijks-Duits ‘spruitje (groente)’); oe. sprota ‘spruit, twijg’ (me. sprote); on. sproti ‘id.’ (nzw. spröt ‘sport, stok, stang’); < pgm. *sprutan-. Met andere ablaut: nno. spraut, nzw. spröt ‘sport, stok, stang’.
Afleiding met ablaut (nultrap) van de wortel van → spruiten ‘zijtakken vormen’. De sporten van een ladder zijn te vergelijken met de zijtakken van een boomstam.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sport1* [trede van ladder] {sprote 1376-1400 en (met metathesis) sport(e) 1301-1400} middelnederduits sprote, oudhoogduits sprozzo; wel hetzelfde woord als spruit, van spruiten, dus een uit een stam spruitend takje.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sport 1 znw. v. (van een ladder), mnl. sporte v. met metathesis uit sprōte, mnd. sprōte, ohd. sprozzo m. (nhd. sprosse v), on. sproti m. ‘tak, stok’ en oe. sprota ‘kiem, loot’. Daarnaast staan mhd. sproz, oe. sprot ‘spruit’, nnoorw. dial. sprot ‘korte stang’, nde. dial. sprod ‘scheut, loot’ en spruit. — Dentaal-afl. van de idg. wt. *sp(h)ereu (IEW 994-5), waarvoor zie verder: spar 1.

Formeel kan het woord een afl. zijn van de stam van spoor of rechtstreeks bij spruiten behoren; het laatste is echter het waarschijnlijkst, vooral als men overweegt, dat dit een typisch woord van het bosbedrijf is. De eig. bet. is dus een ‘korte stok of lat’. Gaat men van de groep van spoor uit, dan moet men sport opvatten, als de stok, waartegen men bij het beklimmen van een ladder de voet afzet, wat een gekunstelde verklaring is. — De vorm sport heerst in het Westen, Overijsel en Gelderland, terwijl sprote voorkomt in Limburg, Noord-Brabant en het Oosten van Belg. Brabant; trede gebruikt men in West-Vlaanderen, sporadisch in Z-Holland en verder in Groningen en Drente; triemen, trimmen, treeme in Friesland; spil of spijl vooral in het Oosten van ons land, terwijl verder nog sporadisch spaak voorkomt, zie de taalkaart van I. Habermehl in Taalatlas Afl. 3, 8.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sport I (van een ladder), mnl. sporte v. Met metathesis uit ’t mnl. ook voorkomende sprōte v. = ohd. sproʒʒo m. (nhd. sprosse v.), mnd. sprōte v. “sport van een ladder”. De grondbet. kan “trede” zijn: dan zijn spoor I en spoor II verwant; voor de t vgl. spartelen. Maar anderzijds is de vorm *sprutan- moeilijk te scheiden van laat-mhd., nhd. spross m. (mhd. ûʒ-spruʒ m.), os. gi-sprot o. “twijgje, spruit”, ags. sprot o. “id.”, sprota m. “id.” (ook “spijker”), on. sproti m. “twijg, stek”, die bij spruiten hooren: dan zou de bet. “laddersport” op “tak” teruggaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sport 1 v. (spaak), Mnl. sporte en sprote + Ohd. sproʒʒo (Mhd. sproʒʒe, Nhd. sprosse), Ags. sprota (= tak), On. sproti (= tak, staf): van spruiten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sproot (zn.) trede van ladder; Vreugmiddelnederlands sprote <1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sproot, spreut, zn.: sport (van ladder of stoel). Mnl. sprote, en met metathesis sporte, Ndl. sport. Mnd. sprôte, Ohd. sproʒʒo, D. Sprosse. Zoals D. Spross ‘spruit’, Oe. sprota, On. sproti ‘spruit, tak’, bij het ww. spruiten. De sporten zijn a.h.w. spruiten, takken aan een boom.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

spet, zn.: sport (van stoel, ladder). Uit spert < sport.

sproot, spreut, zn.: sport (van stoel of ladder). De vorm met spr- is de oorspronkelijke. Mnl. sprote, naast sporte door metathesis. Mnd. sprote ‘scheut’, Ohd. sprozza, Mhd sprozze, D. Sprosse. verwant met spruiten.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sporke sport van ladder (Vlaanderen). = sport = mnl. sporte ~ nl. spruit. Het wvla. kent vaker kt bv. workelwortel en melkemilt.
De Bo 934, 417, RND VI zin 83.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

sporke (DB, P), zn. v.: sport (van ladder, stoel). Door t/k-wisseIing, wellicht via stembandocclusief.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sport (Mnl. sprote), van spruiten; het woord w.d.z.: tak, twijg, daar oorspr. een boomtak als ladder gebruikt werd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sport ‘trede van ladder’ -> Frans dialect sproton, sploton, èploton; sporton ‘trede van een ladder; stomp van een tak’; Papiaments spor (ouder: sport) ‘spijl, stoelspaak’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sport* trede van ladder 1301-1400 [MNW]

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

sport, plural sporten, de [spɔrt/ən] Koenen 1940; Koenen 1974; Van Dale 1976. Compounds/derivations: sportartikel (Koenen 1974; Van Dale 1976), sportattribuut, sportcentrum (Van Dale 1976; also see centre), sportcolbert (Van Dale 1976), sportgebeuren, sporthal (Koenen 1974; Van Dale 1976), sporthuis, sportkomplex, sportmagazijn, sportmode, sport mode centrum (also see centre), sportschoen (Koenen 1974; Van Dale 1976), sportshop, sport-sponsoring, sportuitzending, sportvereniging (Van Dale 1976), sportwagen (Koenen 1974; Van Dale 1976), sportzaak (Van Dale 1976); buitensport (Van Dale 1976), drafsport (Koenen 1974; Van Dale 1976), skisport (Van Dale 1976), wintersport (Koenen 1974; Van Dale 1976), zaalsport (Koenen 1974; Van Dale 1976). In addition to these there are the following ‘wintersport’-compounds: wintersport-bedrijf, wintersportcentrum (Koenen 1974; Van Dale 1976; also see centre), wintersportervaring, wintersport-ganger, wintersportgast, wintersportgebied, wintersportgroep, wintersport(-)land, wintersportliefhebber, wintersportminnaar,wintersportoord, wintersportpakket, wintersportplaats (Van Dale 1976), wintersportreis, wintersportseizoen (Van Dale 1976), wintersportspecialist, wintersporttermen, wintersporttoerisme (also see tourism), wintersport(-)vakantie. Derivation: sporten v. (Van Dale 1976). Compounds/derivations: wintersporten. Derivation: sporter n. Compounds/derivations: wintersporter, gelegenheidswintersporter. Editorial comment: Dutch ‘sporten’ and ‘sporter’ are best not derived from the corresponding English verb and noun, as the latter do not normally have the meaning required, i.e. ‘to engage in some sporting activity’. Loanword from English sport n.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal