Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spoor - (puntig uitsteeksel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spoor 2 zn. ‘puntig uitsteeksel’
Mnl. spore ‘metalen punt aan een rijlaars om een paard aan te drijven’ in sijn ors hi bet dien sporen sluog ‘hij gaf zijn paard de sporen’ [1220-40; VMNW], ‘uitsteeksel aan poten van hoenderachtige vogels’ in een uoghel ... die sporen draghet als .i. hane ‘een vogel die sporen heeft als een haan’ [1287; VMNW], gulden sporen ‘vergulde sporen, gedragen door ruiters’ [1444; MNW].
Mnd. spōre; ohd. sporo (nhd. Sporn); nfri. spoar; oe. spora, spura (ne. spur); on. spori (nzw. sporre); alle oorspr. ‘uitsteeksel aan een rijlaars om een paard aan te drijven’; < pgm. *spuran-. Een Frankische vorm *sporo is ontleend als vulgair Latijn sporo [9e eeuw; Rey], vanwaar Oudfrans esperon ‘spoor’ (Nieuwfrans éperon) en Italiaans sprone ‘id.’. Spaans espuela ‘id.’ en Portugees espora zijn ontleend via een Gotische vorm *spaura.
Pgm. *spuran- is een afleiding van het oorspronkelijk sterke werkwoord *spurnan- ‘schoppen, trappen, met de voet stoten’ (zie Seebold 1970, 453), waaruit: os. -spurnan; ohd. -spurnan; ofri. spurna; oe. spornan (ne. spurn vooral overdrachtelijk ‘afwijzen, verachten’); on. sporna (nzw. spjärna ‘tegenstribbelen’).
Pgm. *spurnan- gaat terug op een nasaalpresens van de wortel pie. *sperH- ‘met de voet stoten’ (LIV 585) en is verwant met: Latijn spernere ‘afwijzen, verwerpen’; Sanskrit sphuráti ‘hij schopt weg’; Avestisch spara- ‘trappen, treden’; Litouws spìrti ‘schoppen’; Oudkerkslavisch -prěti sę ‘zich schrap zetten, stutten’, -pĭrati ‘(ver)trappen; (linnen) wassen’ (Russisch vero. prat' ‘met een stok schoonmaken/wassen’); Oudiers seir (< *speret) ‘hak’; Armeens sparnal ‘afschrikken’; Hittitisch išpar- ‘trappen, treden’. Van dezelfde wortel is met nultrap pgm. *spura- ‘voetafdruk’ afgeleid, zie → spoor 1.
Voor een mogelijke verdere etymologie van pie. *sperH-, zie → verzen ‘hiel’.
Met de sporen stoot men tegen de flanken van het paard om het aan te drijven; zie ook de afleiding → aansporen. Sporen hadden meestal de vorm van een puntige metalen stift die werd bevestigd aan de rijlaars; hierop zijn vanwege overeenkomst in vorm enkele andere betekenissen gebaseerd, zoals de sporen aan de poten van hoenderachtige vogels. Sporen hebben ook wel de vorm van kleine tandraadjes; zie ook → spurrie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spoor1* [prikkel] {spore, spoor 1220-1240} middelnederduits spore, oudhoogduits sporo, oudengels spora, oudnoors spori; van dezelfde herkomst als spoor2 [voetindruk]. De uitdrukking zijn sporen verdienen is ontleend aan het ridderwezen. Slechts hij die bewijzen van dapperheid had gegeven, kreeg de rechter spoor aan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spoor 1 znw. v. ‘spoor van ruiter’, mnl. spōre m. v., mnd. spōre, ohd. sporo (nhd. sporn mv. sporen), oe. spora (ne. spur), on. spori m. — Te vergelijken is het ww. os. ohd. oe. spurnan (ne. spurn), on. sporna naast sperna, spenna ‘met de voeten trappen, treden’. — lat. sperno ‘wegstoten, verachten’, gr. spairo ‘spartelen’, oi. sphurati ‘stoot weg, spartelt’, av. sparati ‘stoot met de voeten’, arm. sparnam ‘bedreig, lit. spiriù, spìrti, spárdau, spárdyti ‘met de voet stoten’, lett. spert ‘naar achter met de voeten uitslaan’, opr. sparts ‘sterk’, oiers seir (< *speret) ‘hiel’ van idg. wt. *sp(h)er (IEW 992-3). — Uit een ofrank. *sporo is fra. éperon ont leend. — Zie verder: sperwer en sporren.

De bet. van de idg. *sp(h)er wordt omschreven als ‘met de voet wegstoten, spartelen’, voor het germ. misschien eerder ‘zich zijwaarts afzetten, zijwaarts wegstoten’, daar het woord in de bedrijvigheid van het bouwen thuishoort, zie daarvoor verder: spar 1. Gewestelijk komt spoor ook in de bet. ‘spar’ voor.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spoor I (de), mnl. spōre m. v. = ohd. sporo (nhd. mv. sporen, enk. sporn), mnd. spōre, ags. spora (eng. spur), on. spori m. “spoor”, germ. *spuran- (uit ’t Germ. fr. éperon “spoor”). Verwant met spoor II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spoor 1 v. (prikkel), Mnl. spore + Ohd. sporo (Mhd. spore, Nhd. sporn), Ags. spora (Eng. spur), On. spori (Zw. sporre, De. spore): van denz. wortel als spoor 2 Hieruit Fr. éperon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

speur, zn.: deurduim. Aangezien het woord vrouwelijk is, gaat het terug op de spoor ‘prikkel om het paard aan te sporen’, met als afgeleide betekenis ‘tap of speen waarop iets draait’ (WNT). Vgl. Wvl. sporre ‘metalen pinne die draait in eene pan’ (De Bo).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spoor (prikkel aan den hiel), van den Germ. wt. sper = met den voet stooten; vandaar ook spoor: voetstap, indruk met den voet in het: zand gestooten. Werkw. sporen en speuren (z. d. w.).

E. Paque (1896), De Vlaamsche volksnamen der planten van België, Fransch-Vlaanderen en Zuid-Nederland, Brussel

Sporen, v. mv. — Te Oost-Roosbeke. — Id. als RIDDERSPOREN. — Zie RIDDERSPOREN.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spoor ‘spoor aan een laars of een klauw, rijspoor’ -> Frans éperon ‘spoor aan een laars’ Frankisch; Javaans kespur ‘spoor om een rijpaard aan te zetten’; Madoerees sēppūr ‘spoor om een rijpaard aan te zetten’; Soendanees ispur, sĕpur ‘spoor om een rijpaard aan te zetten’; Papiaments spor (ouder: spoor) ‘spoor aan ruiterslaars of hanenklauw, rijspoor’; Sranantongo spôr ‘spoor aan een laars of een klauw, rijspoor’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spoor* prikkel 1080 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2137. Hij heeft zijn sporen verdiend,

d.w.z. hij heeft groote bewijzen van geschiktheid of bekwaamheid voor iets geleverd. De uitdr. is ontleend aan het ridderwezen. Slechts hem werden de sporen (eig. de rechter spoor) gespannen, die genoegzame bewijzen van dapperheid en behendigheid gegeven had, om tot ridder geslagen te wordenZie A. Schultz, Das höfische Leben zur Zeit der Minnesinger I, 184, en Percevel, 2816: Et li prendom s'est abaissies. Si li cauça l'esporon destre. La coustume soloit tele estre. Que cius ki faisoit chevalier. Li devoit l'esporon caucier; Te Winkel, Het Ridderwezen, bl. 39-40.. Vgl. het hd. sich die (ersten) Sporen verdienen; fr. gagner ses éperons, montrer sa valeur à la première occasion (Hatzfeld, 933); eng. to win one's spurs; Harreb. II, 291 b: Hij heeft zijne sporen nog niet verdiend; Afrik. sy spore verdien.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sp(h)er-1, sp(h)erǝ- ‘zucken, mit dem Fuße wegstoßen, zappeln, schnellen’, spr̥i̯ō, spr̥-nā-mi ds.; vgl. per-1 ‘sprühen, spritzen’, weiter: sper- ‘Sperling’, sper- ‘Sparren’, sp(h)er- ‘Mistkügelchen’, sp(h)ereg- ‘zucken’, sperg̑h- ‘sich hastig bewegen’, sp(h)ered(h)- ‘zucken’, sp(h)reig- ‘strotzen’, apo-spero- ‘wegstoßend’

Ai. sphuráti ‘stößt mit dem Fuße weg, tritt, schnellt, zuckt, zittert, zappelt’, ápaspharīḥ Aor. Inj. ‘schnelle weg, entzieh dich rasch’ (: lat. aspernārī), apa-sphúra- ‘wegstoßend’ (: lat. asper-), sphúra- ‘zuckend’, sphuraṇa- ‘blinkend, funkelnd’, n. ‘das Zucken, Funkeln, Erscheinen’, visphārita-m ‘das Schnellen’; sphūrti- ‘das Hervorbrechen, Offenbarwerden’ (*sphr̥̄-ti-, vgl. lit. spìrti), pharpharāyate ‘bewegt sich heftig hin und her’; spr̥- ‘losmachen’, spr̥ṇóti ‘wehrt ab’, spr̥ṇāti ‘tötet’;
av. spar(aiti) ‘tritt, stößt’, mit frā ‘schnellt hervor’, mit vi ‘auseinandertreten, -stampfen’, sparman- n. etwa ‘Tritt, Stoß’, np. sipardan ‘treten’;
arm. spaṙnal ‘bedrohen’ (idg. sp-);
gr. σπαίρω, ἀσπαίρω (ἀ- Vokalvorschlag) ‘zucke, zapple’ (= lit. spiriù), σπαίρει· ἅλλεται, σκιρτᾳ̃, πηδᾳ̃ Hes. (aspiriert σφαῖρα ‘Ball zum Spielen’?), aspiriert σφυρόν ‘Knöchel, Ferse’, wovon σφῦρα ‘Hammer, Schlägel’ (zu σφυρόν vgl. ahd. spuri-halz ‘hinkend’, eig. ‘knöchel-lahm’);
lat. spernō, -ere, sprē-vī, -tum ‘zurück-, fortstoßen, verschmähen, verachten’, aspernor, -ārī ‘von sich weisen’, asper ‘rauh, barsch, abstoßend’ (: ai. apa-sphúra-);
air. seir ‘Ferse’ (*speret-s), Akk. Du. di pherid, cymr. ffēr, ffern ‘talus, malleolus’; mbret. fer ds.; cymr. uffarn ‘Knöchel’ aus *opi-sper-no-;
aisl. sperna ‘mit den Füßen ausschlagen, wegstoßen’ (: lat. spernō), ags. speornan ds., ahd. firspirnit ‘stößt an, tritt fehl’; aisl. sporna (-aða) ‘mit dem Fuße ausschlagen’, ags. spurnan, spornan ‘ds., auch ‘zurückstoßen, verachten’, as. ahd. spurnan ‘treten, mit dem Fuße stoßen’; ahd. spornōn ‘mit der Ferse ausschlagen, dem Fuße stoßen’, spurnen (spurnta) ds., ‘zurückstoßen’ (spurnida ‘Anstoß’), aisl. spyrna ‘mit dem Fuße stoßen; (den Fuß) entgegenstemmen’; ohne präsensbildendes n: aisl. spora ‘mit Füßen treten’, ags. sporettan ‘mit dem Fuße stoßen’; aisl. spori, ags. spora, spura, ahd. sporo ‘Sporn’; aisl. ags. ahd. spor n. ‘Fußspur’, mhd. spur, spür f. n. ‘Spur’, ahd. spuri-halz ‘lahm, hinkend, von Pferden’ (s. o. zu σφυρόν), ahd. (usw.) spurjan, spurren ‘der Spur nachgehen, erforschen, erfahren’; ags. spearwa m. ‘Wade’, mhd. spar-golze f. ‘ein Teil der Beinbekleidung’ (etwa ‘Wadenstutzen’); mit erweiterndem g: aisl. sparka ‘mit dem Fuße stoßen’, dazu postverbal spark ‘Getrampel’;
lit. spiriù, spìrti ‘mit dem Fuße stoßen, drängen, zwingen’ (von der schweren Basis), ablaut. ãtsparas ‘Widerstand’, spárdau, -yti ‘fortgesetzt mit den Füßen stoßen’; lett. sper̂t ‘ausschlagen (vom Pferde), mit dem Fuße stoßen’; spars ‘Energie, Schwung, Wucht’; lit. spartùs ‘ausgiebig; rasch, lebhaft’, apr. sparts ‘mächtig’, sperclan ‘Zehballen’; aber lit. spurzdė́ti ‘sich mit den Flügeln rütteln oder flattern’, suspùrsti von Vögeln ‘in eine schnurrende Bewegung geraten’, dann überhaupt ‘in heftigen Zorn geraten, heftig werden’ sind wohl schallnachahmend (vgl. nhd. brr!).

WP. II 668 ff., WH. I 73, WH. II 572 f., Trautmann 275 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal