Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spoken - (rondwaren als een geest)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spoken ww., mnl. spôken, spoycken ‘wichelen, toveren’, Teuth. spoicken, nnd. spôken (> nhd. spuken) ‘spoken’, afgeleid van spook.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spoken ww., spook znw. o. Kil. vermeldt spoocke, spoocksel, spoockerije en noemt die “Sicamb. Fris. Hol.”, de Teuth. spoicken, spoick, mnl. komt reeds spookels (nnl. spooksel znw. o.) voor. Een moeilijke woordgroep, wsch. door ontl. verbreid; sommige dial.-vormen hebben ō, andere kunnen, als ze klankwettig zijn, ô uit au hebben, andere wgerm. ô; zoo bijv. westf. dial. spauk, gron. spouk, ndd. dial. spûk > nhd. spuk m. “spokerij, spook”. Oudnhd. komt met hd. consonantisme spuch voor, mhd. al gespüc o. en ’t Mnd. kent reeds spôk, spûk o. “id.”, spôken (> nhd. spuken) “spoken”. “Wsch. door ontl. verbreid. De woordgroep ging ook in ’t Skandin. en Eng. over. Germ. *spôka- kan met ags. spëcan “spreken” (zie bij spaak) en on. spakr “wijs” verwant zijn, semantisch is echter deze combinatie zeer vaag.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spoken, spook ww. resp. znw. De mnl. vorm is niet *spookels, maar spoekels: het vocalisme kan dus verschillend worden opgevat. Wanneer men de zeldzame dial. ō aan ontlening toeschrijft, blijven naast vormen met germ. ô andere over, die op au wijzen, o.a. behalve ndl. dial. vormen ook zwits. zerspäuken ‘durch spuk verjagen’; het vocalisme van mnd. spûk (Lübeck) wordt ook wel op au herleid (Sarauw Ndd. Forsch. I, 214). Ter verklaring van deze vormen construeert W. de Vries Tschr. 40, 104 een ablautend *pauk- bij ags. pûca (eng. puck), pûcel m. ‘kobold’, on. pûki ‘duivel’ (zie pok), onder invloed waarvan *spauk- naast *spôk- zou zijn opgekomen: gewaagd.
De combinatie van germ. *spôka- met oi. pā́jas- ‘glans, helderheid, kracht’, eventueel lit. spúogalas ‘glans’, is ten minste even vaag als de in het art. vermelde. Over ags. spëcan ‘spreken’ zie bij spreken Suppl.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2spook ww.
1. Verskyn of ronddwaal soos 'n spook (1spook). 2. Onrustig rondwoel met gedagtes en gevoelens. 3. Jou met mag inspan.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. spoken (1638 in bet. 1, 1867 - 1879 in bet. 2). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in vroeë Afr. in bet. 3 in 1733 (Scholtz 1972: 166), waarna in Afr. by Pannevis (1880).
D. spuken, Eng. spook (1871). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1873).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spoken ‘rondwaren als een geest’ -> Deens spøge ‘rondwaren als een geest’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors spøke ‘rondwaren als een geest; grappen maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds spöka ‘rondwaren als een geest, rondwaren van een geest’ (uit Nederlands of Nederduits); Zoeloe -pok- ‘rondwaren als een geest’ <via Afrikaans>; Amerikaans-Engels spook ‘rondwaren als een geest’; Papiaments spok ‘rondwaren als een spook; door een spook of spoken bezocht worden’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal