Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spit - (steek met een spade)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spit 3 znw. o. ‘steek met een spade, diepte van een schop’, mnl. mnd. spit zal wel ondanks de mnd. gen. vorm spetes een afl. zijn van het ww. spitten. — > ne. spit ‘diepte die met de schop uitgespit wordt; hoeveelheid aarde met een schop uitgespit’ (sedert 1507-8, vgl. Bense 445).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spit III (steek met de spa, diepte met één spit te bereiken) znw. o., mnl., mnd. spit o. Wsch. van spitten gevormd. De flexie spētes enz. in ’t Mnd. is dan onder invloed van spit I opgekomen. Vgl. onderspit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

speet, zn.: greppel. Mnl. spit ‘steek met de spa, schop aarde’. Van het ww. spitten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spit ‘(verouderd) laag aarde die men in één keer met een spa uitsteekt’ -> Engels spit ‘laag aarde die men in één keer met een spa uitsteekt; spade(steek)’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal