Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spin - (dier)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Spinnen

“Amsterdamse beurs kan garen spinnen bij Brexit”, kopte Het Parool deze zomer daags na het Britse referendum. De oorsprong van de zegswijze garen spinnen (‘profiteren, welvaren’) ligt in de textielnijverheid: bij het spinnen wordt door het in elkaar draaien van losse vezels een lange sterke draad gevormd. Spinnen is een van de oudste menselijke cultuurtechnieken. In een simpele vorm wordt een draad om een stok gewonden met behulp van een ‘spinklosje’, een draaiende steen met een gat erin. In Nederland zijn bij opgravingen spinklosjes gevonden die dateren uit de middenijzertijd (500-250 v.Chr.).
Het werkwoord spinnen is etymologisch verwant met spannen. Bij het spinnen werden de vezels onder spanning gezet. Ook het woord spil (‘as’) heeft met spinnen te maken. Een veel oudere vorm van dit woord is spinla; gaandeweg is de n onder invloed van de l verdwenen. Het woordelement -la betekende ‘instrument’; het is hetzelfde als -el in beitel (‘gereedschap om te bijten of snijden’) en sleutel (‘instrument om iets af te sluiten’). Een spil was oorspronkelijk dus een stuk gereedschap om mee te spinnen. Inmiddels is de betekenis danig verbreed.

Dieren
Behalve het werkwoord spinnen kennen we natuurlijk ook het zelfstandig naamwoord spin. Dit achtpotige diertje dat een web weeft, heet zo omdat het draden kan ‘spinnen’. De Engelse benaming spider heeft trouwens dezelfde oorsprong als spin: deze gaat via het Middelengelse spither terug op het Oudengelse werkwoord spinnan.
Zoals bekend is niet iedereen even dol op spinnen. Een geleerd woord voor spinnenvrees is arachnofobie. Behalve fobie (‘angst’) herkennen we in deze samenstelling de wetenschappelijke benaming van de spinnen: arachnida, die terugaat op het Oudgriekse woord voor spin: arachne. In de Griekse mythologie was Arachne de naam van een meisje dat voortreffelijk kon spinnen en weven, en door de afgunstige godin Athene werd veranderd in een spin.
En natuurlijk is er nóg een dier dat in verband kan worden gebracht met spinnen: de poes. Het vibrerende geluid dat die maakt als hij tevreden is, heet zo omdat het deed denken aan het snorren van een spinnewiel.
Het spinbedrijf heeft ook aan de wieg gestaan van allerlei bijnamen. De inwoners van het Groningse Winsum werden vroeger spottend ‘spinsekken’ (‘spinzakken’) genoemd omdat zij het spingaren in grote zakken naar de stad plachten te brengen. Zo ook stonden de bewoners van Dessel in de Belgische provincie Antwerpen bekend als ‘wolspinners’.

Spinvis
In het Engels ontwikkelde het werkwoord to spin de specifieke betekenis ‘snel laten ronddraaien’, en deze is ook in het Nederlands beland, allereerst via de tennissport. In het Algemeen Handelsblad van 30 juni 1913 wordt over een Nederlands-Belgisch tennistoernooi opgemerkt: “Bovendien zit er in de slagen van de Belgen veel topspin, zoodat de ballen snel dalen.” Bij topspin heeft de bal een naar voren draaiende beweging, waardoor hij duikt, en bij het stuiteren harder doorschiet. Dezelfde betekenis vinden we terug in spinvissen, waarbij het kunstaas door te draaien aan de molen van de hengel door het water schiet en de vis aantrekt. Spinvis is ook het pseudoniem van muzikant Erik de Jong; pas jaren nadat hij het had gekozen, ontdekte hij waarnaar het werkelijk verwijst.
De Nederlandse natuurkundigen Samuel Goudsmit en George Uhlenbeck gaven in 1925 de naam spin aan het verschijnsel dat elektronen om hun as lijken te draaien. Inmiddels is deze natuurkundige interpretatie achterhaald, maar voor de zogeheten impulsresonantie van elementaire deeltjes is de term kernspin in zwang gebleven. In Duitsland is Kernspin een gebruikelijk woord geworden voor wat in Nederland een ‘MRI-scan’ wordt genoemd.

Suikerspin
Suikerspin is weer een heel ander woord dat te maken heeft met spinnen. Om een suikerspin te maken, wordt suiker verhit en in een ronddraaiende machine gespoten. Bij het afkoelen ontstaan dunne draadjes die om een stokje worden ‘gesponnen’. De lekkernij is in de negentiende eeuw in Amerika uitgevonden; bij de introductie in Nederland, 1908, waren aanduidingen als wattensuiker en eetbare suikerwatten in omloop. Vanaf 1936 duikt de kernachtige term suikerspin in de kranten op, en is het snoepgoed op kermissen en braderieën niet meer weg te denken.
Een van de recentste ‘spinwoorden’ is spindoctor: een adviseur die een politicus of partij in de media zo goed mogelijk uit de verf laat komen. In het Engels heeft het werkwoord to spin ook de betekenis ‘ergens een draai aan geven, om de tuin leiden’ ontwikkeld, en hierop gaat de minder vleiende aanduiding spindoctor terug, die in het Engels voor het eerst opduikt in 1984 en sindsdien ook in Nederland verbreid is geraakt. Nu een brexit onafwendbaar lijkt, kunnen sommige politici een spindoctor goed gebruiken.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2016), ‘Spinnen’, in: Onze Taal 9, 21.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spin zn. ‘achtpotig geleed diertje van de orde Araneae
Mnl. spenne ‘spin’ [1240; Bern.], spinne [1287; VMNW].
Oude afleiding van → spinnen. De spin is genoemd naar zijn vermogen om draden te spinnen.
Mnd. spinne; ohd. spinna (nhd. Spinne); < pgm. *spinnōn-. Met andere achtervoegsels gevormd zijn: ozw. spinnil (nzw. spindel) en oe. spīþra (ne. spider).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spin1* [dier] {spinne, spenne 1201-1250} middelnederduits spinne, oudhoogduits spinna; bij spinnen. De uitdrukking spinnijdig of nijdig als een spin berust waarschijnlijk op het furieuze bijten dat spinnen doen als ze in het nauw zitten; ook wordt wel gedacht aan het feit dat de grote vrouwelijke spin na de paring soms het mannetje opeet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spin znw. v., mnl. spinne, mnd. spinne, ohd. spinna (nhd. spinne). Een woord, dat voornamelijk in het Oosten van het land thuishoort (Oost-Brabant en Limburg), vgl. kaartje bij Blancquaert, Hand. Comm. Top. Dial. 3, 1929, 209-228 en 5, 1931, 329-431). Daarnaast oude vormen als spinder, spidder, vgl. oe. spīðra, ne. spider. — Afl. van spinnen. — Zie verder ook: spinnekop.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spin znw., mnl. spinne v = ohd. spinna (nhd. spinne) v., mnd. spinne “spin”. Ozw. ’t deminutivum spinnil. Bij spinnen. Voor de bet. vgl. germ. *weƀila-, bij tor besproken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spin. Voor synoniemen zie spinnekop Suppl. en kop Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spin v., Mnl. spinne + Hhd. spinne, Eng. spider (uit *spinther), Zw. spindel: van spinnen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spin* spinachtige 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2129. Nijdig (of kwaad) als eene spin,

ook wel: het is een nijdige spin; kwaadaardig of boos als eene spin; ook hij was spin; spinnijdig (in Jord. II, 355), d.i. geweldig boos. ‘Het is bekend, dat de groote vrouwelijke spin, na de paring, somtijds het kleine mannetje doodt en opeet’ (vgl. Volkskunde, 23, 29; Chomel, II, 1017: De spinnen zich onder elkander opvreten; vooral vreten de grote de kleinen op; Grimm X, 2512); vandaar deze zegswijze. Eveneens zeide men vroeger ‘kwaad als eene baars’, een visch, die om de gretigheid bekend is, waarmede hij in den worm bijt. In de 16de eeuw, in Mariken van Nieumeghen, vs. 406, lezen we: Ic swelle van quaetheyt als een spinne; voor de 17de eeuw vergelijke men Van Moerk. 355: 'k Ben soo quaat as een spin; zie verder Van Effen, Spect. IX, 120: Zoo boos als een spin; ook Tuinman I, 275 citeert: zy is zoo boos als een spin; C. Wildsch. V, 109: spinnig boos; Sewel, 740: Hy was zo boos als een spin, he was very angry; Harreb. II, 290 a; Nest, 72: Gut mensch, je kijkt zoo kwaad als een spin; V.v.d.D. 164: M'n advokaat keek als 'n spin dat ik 'm daar een lesje stond te geven; fri. sa nidich as in spin; hd. spinnefeind (bij Pers 151 b; 751 a: spinnevyant); oostfri. 277: spinnedül; 'n spin fan 'n wîf; sê is 'n spin. Hiernaast kent men in Friesland: sa lilk as in toerre (tor), as in baerch (varken), as in tiger; in Zuid-Nederland: zoo kwaad als eene horzel, een kriekel, een musch, een ekster, een ragaal, een hoppe (Joos, 22; Schuermans, 195 b; 294 a; Antw. Idiot. 578); eng. as angry as a wasp.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)pen-(d-)1 ‘ziehen, spannen’ und ‘spinnen’, indem die zu webenden Fäden zuerst ausgespannt wurden, (s)pen- : spē(i)- ‘ziehen’ = pen- ‘füttern’: pā- ‘Vieh weiden, füttern’ = bhā- : bhen- ‘sprechen’; vgl. das anders vokalisierte pā̆n- ‘Gewebe’, oben S. 788.

1. Formen ohne -s-:
Arm. hanum, Aor. hanay und henum, Aor. heni ‘weben, zusammennähen’; s. darüber Meillet Esquisse2 55, 105, 111 f.;
gr. πένομαι ‘strenge mich an, mühe mich ab, habe Mangel’, πόνος ‘mühsame Arbeit, Mühsal, Kummer’, πονέω ‘mühe mich ab, usw.’, πονηρός ‘in schlechtem Zustande, schadhaft, lasterhaft’, πένης ‘arm, dürftig’, πενία ‘Mangel, Armut’, πεινῆν ‘hungern’, woraus wohl retrograd πείνη ‘Hunger’ und πάτος· ἔνδυμα τῆς Ἥρας Hes. als *pn̥-tos; diese oder eine ähnliche t-Bildung liegt auch dem air. ēt- ‘kleiden’ zugrunde;
lit. pinù, pìnti ‘flechten’, pántis m. f., apr. panto f. ‘Fessel’, lett. pinu, pît ‘flechten’, pinekls ‘Fessel’;
aksl. pьnǫ, pęti ‘spannen’, ablaut. opona f. ‘Vorhang’, ponjava ‘Umhang, Kleid’, pǫto ‘Fessel’ (serb. pȕto), wozu u. a. russ. prepjátь ‘hindern’, raspjátь ‘kreuzigen’, pjatь, pnutь ‘mit dem Fußestoßen’ und aksl. pęta ‘Ferse’ (serb. petasati ‘mit den Füßen ausschlagen’), russ. pjatá, serb. péta, lit. péntis m. ‘ds.; Rücken der Axt, der Sense’, apr. pentis ‘Ferse’;
vielleicht alb. pendë, pëndë ‘Paar Ochsen; Joch (Ackermaß)’ aus einem *pentā ‘*Gespann’; auch penk ‘Koppel’;
2. Formen mit anlaut. s-:
lat. sponte ‘aus eigenem Antrieb, aus freiem Willen’;
got. ahd. ags. spinnan, aisl. spinna ‘spinnen’ (*spenu̯ō, vgl. spannan S. 982 aus *spǝ-nu̯ō), ahd. spinna ‘Spinne’; mit einfachem n: aisl. spuni m. ‘Gespinst’, ags. spinel, ahd. spinala (und spinnila) ‘Spindel’.
3. Erweiterung (s)pen-d-:
Lit. spéndžiu, spę́sti ‘einen Fallstrick legen (spannen)’, alit. spándau, -yti ‘spannen’, lit. spanskus ‘eng, drückend’, spą́stas ‘Falle’, lett. spiêst ‘drücken, zwingen’, Iterativ spaidît, spuôsts ‘Fallstrick, Falle’, lett. spendele ‘Feder an einem Schlosse’, spanda ‘Strickwerk am Pflug’, wie auch pām. spundr ‘Pflug’, gr. σπινδεῖρα· ἄροτρον Hes. (d. i. σπινδῆρα);
aksl. pęndь ‘Spanne’, pǫditi ‘drängen, treiben’ (ursprüngl. etwa ‘ein Vieh an gespanntem Strick vorwärtsziehen’); vermutlich auch als ‘gespannt hängen’, lat. pendeō, -ēre ‘hangen, herabhangen’, pendō, -ĕre ‘wägen, schätzen, zahlen’ (zum Wägen aufhängen), umbr. ampentu ‘impenditō’; ob auch ags. finta m. ‘Schwanz, Folge’?

WP. II 660 ff., WH. II 579 f., Trautmann 214, 219, Vasmer 2, 272, 379 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal