Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spelt - (graansoort (Triticum spelta))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spelt zn. ‘graansoort (Triticum spelta)’
Onl. spelta ‘spelt’ in gelatiniseerde vorm in Latijn de spelte ‘van de spelt’ [844-64; ONW] en misschien in het toponiem spelthorf ‘Spaldrop (Gelderland)’, letterlijk ‘speltdorp’ [891-92, kopie 1170-75; ONW]; mnl. spelt- ‘spelt’ in de plaatsnaam Speltacker [1272; VMNW], spelte ‘id.’ [1280; VMNW], weyte (‘tarwe’) of tarwe, rog, gerst, amer (‘spelt’), spelt, mylie (‘gierst’) ende deser gelijken [1485; MNW amer].
Os. spelta; ohd. spelta, spelza (nhd. Spelt, Spelz); oe. spelt; alle ‘spelt’; < pgm. *speltō-.
Men veronderstelt meestal ontlening aan Latijn spelta ‘spelt’ [301; FEW], maar ook dat lijkt eerder een leenwoord te zijn, wellicht zelfs uit het Germaans. In dat geval kan het verwant zijn met mnd. spelte ‘afgesneden stuk’ en zou het benoemingsmotief kunnen zijn dat bij spelt de hulzen van de vrucht niet bij het dorsen eraf vallen, maar aan de korrel vast blijven zitten. Het woord kan echter ook door zowel het Germaans als het Latijn aan een onbekende taal zijn ontleend.
Lit.: H.M. Flasdieck (1952), Zinn und Zink; Studien zur abendländischen Wortgeschichte, Tübingen, 120; J. Hoops e.a. (1984), ‘Dinkel’, in: Reallexikon der germanischen Altertumskunde 5, 466-468

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spelt* [soort tarwe] {spelt(e) 1280, vgl. speltacker 1272} oudsaksisch spelta, oudhoogduits spelta, spelza, oudengels spelt, laat-latijn spelta, uit het germ. Van dezelfde stam als spouwen1, dus eig. gespleten graansoort.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spelt znw. v. ‘soort grove tarwe’, mnl. spelte v., os. spelta, ohd. spelza v., spelzo m. (nhd. spelz), oe. spelt (ne. spelt); daarnaast ohd. spelta (nhd. spelt); dus naast elkaar de vormen germ. *spelt en *speld. — Verder een homoniem: mnl. spelte ‘afgesneden stuk’, mnd. spelte ‘gespleten stuk’, nnd. spelte ‘schijfje van een vrucht’, nhd. dial. spelte ‘spaander’. — Men mag deze woorden wel gelijkstellen en dan de tarwenaam verklaren als het ‘gespleten graan’ (Flasdieck, Zinn und Zink 1952, 120). — Zie dan: spouwen.

Het sedert 301 bekende lat. spelta, volgens Hiëronymus uit het Pannonisch afkomstig, is een ontlening aan een germaanse taal. Het nfra. épeautre < ofra. espiautre (naast espiaute) stamt waarsch. uit een bijvorm *spelter. — De opvatting dat lat. spelta en het germ. woord oerverwant zouden zijn (Mladenov, Ann. Acad. Fenij. 27, 185 vlgg.) is stellig onjuist.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spelt znw., mnl. spelte v. = ohd. spëlza v. (eens spëlzo m.), ohd., os. spëlta v. (nhd. spelz, spelt m.), ags. spëlt (m.? eng. spelt), laat-lat. (sedert 301 na Chr.) spelta (> fr. épeautre enz.) “spelt”. Wegens het late voorkomen in ’t Lat. is het waarschijnlijker, dat het lat. woord uit het Germ. komt dan omgekeerd; misschien echter beide uit een andere taal: volgens Hieronymus uit ’t Pannonisch. Ohd. spëlta kan uit het Ndd. komen of een jongere ontl. uit ’t Latijn zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spelt. St. Mladenov Ann. Acad. Fenn. 27, 185 vlgg. denkt aan oerverwantschap tusschen lat. spelta en het germ. woord en leidt beide van de bij spouwen besproken basis af (hiertoe brengt hij ook lat. polenta ‘gepelde gerst’, puls ‘dikke brij van speltmeel’; deze woorden laten zich echter beter anders verklaren), waarbij verder russ. pólba ‘spelt’ en gr. polphós ‘soort vermicelli’ zouden behoren. Niet overtuigend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spelt v., Mnl. id., gelijk Hgd. spelze, Eng. spelt, Fr. épeautre, uit Mlat. speltam (-a).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spelt ‘soort tarwe’ -> Engels spelt ‘soort tarwe’; Deens spelt ‘soort tarwe’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins peltta ‘soort tarwe’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spelt* soort tarwe 1280 [CG I Rijkhoven Oudenbiezen]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)p(h)el-1 ‘spalten, abspalten, absplittern, abreißen’, sp(h)el-tā ‘Brett’

Ai. sphaṭati (Dhātup.) ‘reißt, springt auf’, sphaṭita- ‘gesprungen, zerfetzt’, sphaṭikā- ‘Bergkristall’ (‘sich blättrig abspaltend’), *sphāṭáyati ‘spaltet’, belegt das Partiz. sphāṭita-; sphuṭáti ‘spaltet sich, springt auf, platzt, reißt’ (sek. sphōṭati); neben diesen t-Präsentien (: ahd. spaltan) das to-Partiz. sphuṭa- ‘aufgeblüht, offen’ (: got. spilda); ai. paṭati ‘spaltet sich, birst’, pāṭayati ‘spaltet, bricht, zerreißt’ (: paṭú- ‘scharf’, gr. πλατύς ‘salzig’? s.u. *pl̥tú-s);
phálati ‘birst, springt entzwei’, phálakam ‘(*gespaltenes Holz) Brett, Latte, Blatt, Schild, Holzbank’, phāla- m. ‘Pflugschar’ (‘zugespitztes Aststück’?); apers. Glosse σπαρα-βάραι· οἱ γερροφόροι Hes. ‘schildtragend’, npers. ispar, sipar ‘Schild’ (ai. pharam, spharam ‘Schild’, unbelegt, wohl aus dem Iran. und im Anlaut nach phálakam gerichtet);
gr. σφαλάσσειν· τέμνειν, κεντεῖν Hes., σφάλαξ ‘Stechdorn’, ἀσπάλαθος m. ds. (‘*woran man sich reißt, ritzt’), σφάλαξ, ἀσφάλαξ, σπάλαξ, ἀσπάλαξ ‘Maulwurf’ (‘die Erde aufreißend’), σπαλύσσεται· σπαράσσεται, ταράσσεται Hes., ἄσπαλον· σκῦτος Hes., σπάλαυθρον ‘Schüreisen’; σπόλια· τὰ παρατιλλόμενα ἐρίδια ἀπὸ τῶν σκελῶν τῶν προβάτων Hes. (: lat. spolium), att. σπολάς ‘abgezogenes Fell’ und ‘Überwurf von Leder, Brustharnisch, Mantel’, äol. σπαλίς, att. ψαλίς ‘Schere’; zu σφαλάσσειν auch σφαλός ‘Fußblock für Gefangene; Wurfscheibe’ und σφάλλω ‘werfen (ursprüngl. mit ‘Prügeln’), schleudern, stoßen’ und ‘(zunächst beim Ringen) ein Bein stellen, im Kampf behindern’, woraus ‘zu Fall bringen, schädigen, täuschen, betrügen’, Med. ‘wanken, fallen, sich irren’, ἀσφαλής ‘unerschütterlich, ohne sich fortstoßen zu lassen’ - ‘ruhig, sicher’, σφαλερός ‘schlüpfrig’, σφάλμα ‘falscher Schritt’; σφέλας ‘Holzscheit, Knüppel; ausgehöhlter Block, Bank’;
aus dem Alb. vielleicht palë ‘Seite, Partei’ (*polnā, vgl. aksl. polъ ‘Seite, Ufer, Geschlecht, Hälfte’); popëlë ‘Felsstück, Scholle’, plis (*pli-ti̯o-) ‘Erdscholle’, plish ‘Schilfrohr’ (*pli-si̯o-):
lat. spolium ‘abgezogene oder abgelegte Tierhaut; dem Feinde abgenommene Rüstung, Beute’;
mit t-Erweit.: ahd. spaltan, mnd. spalden ‘spalten’, got. spilda (*speltā) ‘Schreibtafel’, aisl. spjald (*speltos) ‘Brett’, ags. speld ‘Splint; Holzstück’, mhd. spelte ‘abgespaltenes Holzstück, Handgerät der Weberei’; aisl. spjall, spell ‘Schaden’ (*spelþa-, -i-), ags. spilð, spild ‘Vernichtung, Ruin’, wovon aisl. spilla, spella ‘verderben, töten’ (*spelþjan, *spelþōn), as. spildian, ags. spildan ‘vernichten’, ahd. spildan, spilden ‘vergeuden, verschwenden’, as. spildi ‘freigebig’; germ. t in mnd. spelte ‘gespaltenes Stück’, ostfries. spalter ds., germ. *speltō (daraus lat. spelta) in ahd. spelza vlat. spelta (woraus:) ‘Spelt’; engl. spelter ‘Zink’ (*spaldiz-); ags. spaldur ‘Balsam’ (*spalduz- ‘Ausfluß aus gespaltenen Pflanzen’); n-Präs. ags. spillan, mhd. spillen ‘spalten’ (*spelljan), wozu ohne s- schwed. fjäll ‘Schinnen im Haar’; aisl. spǫlr ‘dünne flache Stange’, mengl. spale ds., mhd. spale ‘Leitersprosse’; wahrscheinlich (als ‘dünnes, flaches Holzstück’) ahd. spuolo m., isl. spōle ‘Weberschiffchen’, norw. spōle ‘Spule’ (germ. *spōlan-); ahd. spuola (germ. *spōlōn-) ‘Spule’, ‘Röhre, Federkiel’; ohne anl. s-: aisl. fjǫl ‘Brett’ (*pelā);
mit t-Erweit., aber ohne s- wohl ir. alta(i)n, cymr. ellyn, acymr. elinn ‘Schermesser’, abret. altin gl. ‘ferula’, mbret. autenn, nbret. aotenn ‘Schermesser’ (*paltinā); mcymr. allaw ‘rasieren’ (*altā-mu-); J. Loth RC. 45, 173.
lit. spãlis, Pl. spãliai, lett. spali ‘Flachsschäben’; lett. spals ‘Griff, Handhabe’; apr. spelanxtis ‘Splitter’;
aksl. ras-platiti ‘spalten’ (*poltiti, vgl. nhd. spalten, ai. sphaṭati), platъ “ῥάκος”, Fetzen’, polěno ‘Scheit Holz’, polica ‘Brett’, palica, aruss. palъka ‘Stock’, russ. ras-polótь ‘entzweischneiden’, pо́lotь, poltь ‘(abgeschnittene) Speckseite’, poltina ‘Hälfte’, aksl. polъ, Gen. -u ‘Hälfte, Seite, Ufer, Geschlecht’; abg. plěvǫ, plěti (russ. polótъ) ‘jäten’, plěvelъ ‘Unkraut’; *o-pelnъ in čech. oplen, oplin ‘Gipfstock, Rungenstock’, sloven. oplẹ̀n ‘Wagengipfenholz’ usw.;
mit dem v von plěvǫ (*pelu̯ō) ist zusammenzuhalten: lett. spal̃va ‘Feder, Gefieder, Haar’, spil̃va ‘Hülse, Samenwolle, Wollgras’, spìlvęns ‘Bettkissen’ usw.;
toch. A spāltk-, В spalk- ‘sich anstrengen’;

WP. II 677 ff., WH. II 571 f., 577 f., Trautmann 204, Vasmer 2, 398, Flasdieck Zink u. Zinn, 157 ff. mit (s)p(h)el- ‘spalten’ hängen möglicherweise zusammen: pel- ‘Haut, Fell’, spelg- ‘spalten’, splei- ‘spalten’, plēi- ‘kahl’, plēk̑- plēik- ‘reißen’, pleu(s-, -k-) ‘ausrupfen’, plas- ‘abspalten’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal