Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spellen - (de letters van een woord benoemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spellen ww. ‘de letters van een woord benoemen’
Onl. alleen het zn. spel ‘vertellingen’ (glosse) [10e eeuw; W.Ps.], ‘verkondiging’ in in gedan bin im an spelle ‘ik werd hun tot een spreekwoord’ [10e eeuw; W.Ps.]. Mnl. spellen ‘de letters of lettergrepen van een woord noemen’ [1240; Bern.], ‘uitleggen, verkondigen’ in Hoe hi sinen droem heuet ghespelt ‘hoe hij zijn droom heeft uitgelegd’ [1285; VMNW], Die dat spelde ... Dat god noch dor ons steruen soude ‘die aankondigde dat God eens voor ons sterven zou’ [1285; VMNW], VII letteren, daer mede men VVapene spelt ‘zeven letters waarmee men “Wapene” spelt’ (w = v+v) [ca. 1410; MNW].
Oe. spellian; on. spjalla; got. spillon; alle ‘verkondigen, vertellen e.d.’, < pgm. *spellōn- ‘een verhaal vertellen’. Os. en ohd. alleen de afleiding spellunga ‘verhaal’. Oudfrans espelt ‘betekent’ [ca. 1050; TLF], espelir, espeler ‘uitleggen, verkondigen’ [12e eeuw; FEW] en ‘spellen’ [ca. 1145; TLF] (Nieuwfrans épeler ‘spellen’, en door ontlening Engels spell ‘id.’) is ontleend aan het Oudnederlands.
Afleiding van pgm. *spella(n)- ‘verkondiging, vertelling’, waaruit: onl. spel (zie boven); os. spell; ohd. spel; oe. spell (ne. nog in gospel < gōdspell ‘goede boodschap, evangelie’; het simplex spell ‘spreuk’ > ‘betovering’ heeft betekenisvernauwing ondergaan); on. spjall; got. spill, spilla.
Wrsch. verwant met: Grieks apeilḗ ‘bedreiging, grootspraak’, Lets pel̂t ‘schelden’; Armeens ara-spel ‘fabel’; Tochaars A/B päl-/pāl- ‘loven’; bij de wortel *(s)pelH- ‘luid en nadrukkelijk spreken’ (LIV 576). Men overweegt ook wel verband met → spel, maar de betekenis wijkt sterk af.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spellen* [uit letters vormen] {1201-1250 in de betekenis ‘verklaren, uitleggen, vooruit zeggen, beduiden, noemen, (woorden) spellen’} oudsaksisch, oudhoogduits spellon, oudengels spellian, oudnoors spjalla, gotisch spillon; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spellen ww., mnl. spellen ‘verklaren, voorspellen, beduiden, noemen, spellen’, os. spellunga ‘verhaal’, ohd. gotspellōn ‘evangelizare’, oe. spellian ‘spreken, verkondigen’ (ne. spell), on. spjalla ‘spreken, vermelden’, got. spillōn ‘verhalen, verkondigen’. Daarvan afgeleid onfrank. os. ohd. spel, oe. spell, on. spjall, got. spill o. ‘verhaal’.

De vergelijking met gr. apeilḗ ‘bedreiging, pralen’, lett. pelt ‘schimpen’ (IEW 985) bevredigt wegens de geheel afwijkende bet. niet. Misschien zou men dit woord te zamen met spelen kunnen verklaren als woorden die activiteiten van een gemeenschap aanduiden en dan er van uitgaan, dat zoals wel meer de terminologie teruggaat op de bezigheden van het houtbedrijf; dan zou men kunnen aanknopen aan de groep van spouwen. Maar ook dit blijft zeer hypothetisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spellen ww., mnl. spellen “verklaren, voorspellen, beduiden, noemen, spellen”. = ohd. spëllôn (in gotspëllôn “evangelizare”), os. *spëllon (spëllunga v. “verhaal”), ags. spëllian “spreken, verkondigen” (eng. to spell), on. spjalla “spreken, vermelden”, got. spillon “verhalen, verkondigen”. Van het znw. *spella-, onfr., ohd., os. spël (ll), ags. spëll, on. spjall, got. spill o. “verhaal (woorden, fabel e.dgl.)”. De combinatie met lat. appello “ik spreek aan” is niet wsch. Ook niet die met gr. apeilḗ “dreigement, bluffende belofte”, lett. pelt “schimpen” of die met oi. páṭhati “hij vertelt, draagt voor”, om van verdere vermoedens te zwijgen. Eer moeten we, ofschoon dan de germ. p opvallend is, van idg. *sqetló- uitgaan (germ. ðl > ll), waarop ook ier. scêl “bericht, verhaal” teruggaat: dit is verwant met zeggen. Uit het Germ. ofr. espeler “zeggen, verklaren” (fr. épeler “spellen”). Zie nog kerspel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spellen. De idg. grondvorm *sqetló- mag niet als waarschijnlijker dan de andere in het art. vermelde combinatie gelden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spellen o.w., Mnl. id. + Mhd. id., Ags. spellian (Eng. to spell), On. spjalla, Go. spillon: denom. van*spel. Onfra. en Os. spel = vertelsel + Ohd. spel (Mhd. id.), Ags. spell, On. spjall, Go. spill + wellicht Lat. ap-pellare. Hieruit Fr. épeler, dat op Ndl. spellen en Eng. to spell van invloed geweest is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

spellen (DB), ww.: spellen; (met vz. naar) talen naar, (bedekt) vragen naar, informeren naar; talen om, omzichtig vragen om iets te verkrijgen. Mnl. spellen ‘verklaren, uitleggen; voorspellen; spellen’. Ohd. (got)spellôn ‘het evangelie verkondigen, vgl. E. gospel, Os. spellôn, Oe. spellian, E. spell, On. spjalla, Got. spillon. De Wvl. bet. ‘talen naar’ ligt in de lijn van ‘voorspellen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spellen ‘uit letters vormen’ -> Frans épeler ‘letters noemen’ Frankisch; Indonesisch sepél ‘uit letters vormen’; Ambons-Maleis spèl ‘uit letters vormen’; Javaans sepèl ‘uit letters vormen’; Kupang-Maleis spèl ‘uit letters vormen’; Madoerees sēppel ‘uit letters vormen’; Menadonees spèl ‘uit letters vormen’; Ternataans-Maleis spèl ‘uit letters vormen’; Papiaments † spèl (ouder: spellen) ‘uit letters vormen’; Surinaams-Javaans sepèlan ‘spelling’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spellen* uit letters vormen 1050 [Rey]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)pel- ‘laut, nachdrücklich sprechen’, (s)pel-no- ‘Erzählung’

Arm. aṙa-spel ‘Sage, Sprichwort, Rätsel’;
got. spill n. ‘Erzählung, Sage, Fabel’, aisl. spjall n. ‘Erzählung, Rede’, ags. spell n. ‘Erzählung, Rede, Predigt’ (engl. gospel = ags. gōd-spell) ‘Evangelium’; ahd. spel, -les n. ‘Erzählung, Rede, Märchen’, ahd. mhd. bī-spel ‘belehrende Erzählung, Fabel, Gleichnis’, nhd. Beispiel;
davon got. spillōn ‘verkündigen, erzählen’, aisl. spialla ‘reden, erwähnen’, ags. spellian ‘reden, erzählen’ (engl. spell), ahd. got-spellōn ‘evangelizare’, mhd. spellen ‘erzählen, reden, schwatzen’;
damit sind als s-lose Formen vereinbar gr. ἀπειλή ‘Drohung; prahlerische Versprechung’ (ἀπειλέω ‘drohe; gelobe, verheiße; rühme mich, prahle’), falls aus *ἀπελνι̯α, worin ἀ- am ehesten die Präp. *n̥ ‘ἐν’; (auch germ. -ll- wohl aus -ln-) lett. pel̂t ‘schmähen, lästern, verleumden’, pal’as (Plur.) ‘Tadel, Schmähung’, iz-pal’uôt ‘tüchtig ausschmähen’, sowie toch. päl-, pāl- ‘preisen’.

WP. II 676 f., WH. I 59, Frisk 119 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal