Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spek - (vet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spek 1 zn. ‘vetlaag’
Onl. spek ‘spek; het zachte hout van een boomstam onder de schors’ wrsch. al in het toponiem Specholz, letterlijk ‘spekhout’, mogelijk ‘bos met bomen waaruit zacht hout wordt verkregen’ [1108; Künzel], spek ‘spek’ in caseos vel roet vel smera vel spec ‘kazen of eetbare of oneetbare dierlijke vetten of spek’ [1159-64; ONW]; mnl. spec ‘spek’ [1240; Bern.].
Os. spek (mnd. spek); ohd. spek (nhd. Speck); ofri. spek (nfri. spek); oe. spic (maar ne. (Amerikaans- en Afrikaans-Engels) speck is ontleend aan het vnnl.); on. spik (maar nzw. späck is ontleend aan het mnd.); < pgm. *spik(k)a-, *spiku- ‘spek’.
Verdere herkomst onzeker. Traditioneel wordt pgm. *spik- in verband gebracht met Sanskrit sphij-, sphik ‘bil, heup’ en sphāyate ‘hij wordt vet’. Zeer onzeker is verwantschap met Latijn pinguis ‘vet, dik; vet vlees, spek’. Kluge oppert verband met Grieks pĩar ‘vette grond’ en Sanskrit pī́vas ‘vet’ uit pie. *piHur.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spek2* [vet] {spec(k) 1201-1250} oudsaksisch spek, oudhoogduits spec, oudengels spic, oudnoors spik; buiten het germ. mogelijk oudkerkslavisch spěti [gedijen], oudindisch sphāyate [hij wordt vet]. De uitdrukking met spek schieten [opsnijden] betekende aanvankelijk letterlijk een brandkogel, die voorzien was van spek, afschieten; dan kan de betekenis zijn geworden ‘met grof geschut schieten’ en ten slotte ‘opsnijden’. De uitdrukking voor spek en bonen meedoen [niet echt meedoen] kan oorspr. hebben betekend ‘geen loon verdienen, maar slechts het genadebrood’. Het is evenwel mogelijk, dat we moeten denken aan 18e-eeuwse spek en bonen, d.w.z. studentenhaver, rozijnen en amandelen, en aan voor zoete koek meedoen, voor de aardigheid meedoen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spek 1 znw. o., mnl. spec, o., os. mnd. spek, ohd. spec (nhd. speck), oe. spic, on. spik. — oi. sphij-, sphigī ‘bil, heup’ van een wt. *spĭ, die naast *spēi staat ‘gedijen, dik worden’; zie verder: spade 2 en spoed. — > ne. speck (sedert 1633, nu alleen in U.S. Α., vgl. Bense 440).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spek znw. o., mnl. spec (ck) o. = ohd. spëc (ck; nhd. speck) m., os. spëk, mnd. spëk (ck) o., ags. spic (c) o., on. spik o. “spek”, germ. *spika-, *spikka-. Verwant met oi. sphij-, sphigī́- “heup, bil”. De verdere combinatie met den wortel sphêi- “gedijen, vet worden” (zie spoed) is mogelijk, maar vaag.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spek. Boven de hier gegeven etymologie is niet verkieslijk die van H.H.Bender en St.J.Herben Jr. AJPh. 48, 259, die het woord willen brengen bij de groep van spijker I (:‘vet van de rug van het dier afgesneden’).
Vla. spek ‘suikergoed’ wordt door Vercoullie Vla. Acad. 1920, 793 vlg. als een ander woord beschouwd dat uit lat. speciês zou zijn ontleend. Niettegenstaande dezelfde bet. van fr. épices (dat hetzelfde lat. woord voortzet: zie specerij) en de instemming van Logeman Maal og Minne 1924, 81 vlgg. (vgl. † speculaas Suppl.) is deze opvatting als — zeer oude! — ontl. niet wsch. Eerder = spek; wellicht het eerst gebruikt voor een soort suikergoed dat in vorm of voorkomen aan een stukje spek deed denken: zo in Groningen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spek 2 m. (scheldnaam), met bijvormen spekjan en specht, is hetz. w. als spek 3 als vertaling van Sp. marrano = varken, varkensvleesch, door de Spanjaarden als scheldwoord tegen de pas gedoopte Joden en in de Nederlanden tegen de Ketters gebruikt, maar hun door de Nederlanders teruggekaatst.

spek 3 o. (vet), Mnl. spec, Os. spek + Ohd.spec (Mhd. spec, Nhd. speck), Ags. spic, On. spik (Zw. späck. De. spek): oorspr. onbek. -— Hetz. w. in spekkever, Hgd. fettkäfer, Fr. dermeste du lard, in speksteen, Fr. pierre de lard, — en in spekmuis, omdat men gelooft dat ze aan het spek komt knagen dat in de schoorsteenen hangt. Ook in spekeend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

spekvet b.nw., s.nw.
Baie vet, of vet uit spek gebraai.
Uit Ndl. spekvet (1715 as b.nw.). Ndl. spekvet as b.nw. is wsk. gevorm omdat die vet van baie vet mense aan die vet van spek herinner. Eerste optekening in Afr. as b.nw. by Pannevis (1880).
D. speckfett (as b.nw.).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

spek (het), (ook, scholierentaal:) geld. - Etym.: (a) Het kan een vervorming zijn van het syn. specie*, (b) Vgl. de AN uitdr. ’zijn zak spekken’ = zich verrijken. Van Dale legt dit uit als: volstoppen met iets (geld) dat met spek (onderhuids vet van een varken) vergeleken wordt. In enige veroud. AN uitdr. betekent ’spek’ vaak ’voordeel’. Zie ook: tot spek* van. - Syn. ook vel*. Zie ook: blad* (1. 2).
—: tot spek van, in het (geldelijk) voordeel van. De marktbezoekers, die meestal in een haast zijn, kopen het blad om thuis rustig te kunnen lezen. Ze letten zelden of nooit op de datum tot spek van onze verkoper [die zo oude kranten aan de man brengt] (BN, najaar 1978: 148). - Etym.: Zie spek*.
— : zie ook Spaans* spek.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

spek: onderhuidse vetlaag by sommige diere (veral varke); Ndl. spek (Mnl. spec), Hd. speck, Eng. speck (sedert 1633, nou veral Am.-Eng.), herk. hoërop onseker.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Spek snw. Segsw.: Nie met spek skiet nie, maar met hele varkens gooi, buitengewoon grof lieg. – Waarskynlik geen bepaald Afrikaanse uitbreiding van die bekende Ndl. spreekwyse nie. Vgl. Harreb. II, 359: Hij schiet met heele varkens (egter sonder aanduiding van betekenis).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spek ‘vet’ -> Engels speck ‘vet (vlees)’; Zweeds späck ‘reuzel, vet’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests pekk ‘vet’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † espac, espet, espart ‘vet’; Noord-Sotho sepeke ‘vet’ <via Afrikaans>; Xhosa speke ‘vet’ <via Afrikaans>; Indonesisch spék ‘bacon’; Menadonees spèt ‘vet’; Amerikaans-Engels speck ‘vet (vlees)’ (uit Nederlands of Duits); Negerhollands spek ‘vet’; Berbice-Nederlands speki ‘vet’; Papiaments spèki (ouder: spekki) ‘vet’; Sranantongo speki, spèk ‘vet’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

speck, een laag vast vet (Craigie, DARE, Webster).
- Van Nederlands spek, vroeger ook speck, of Duits Speck; overgenomen in de zeventiende eeuw en nog in gebruik.
* Het woord speck komt voornamelijk voor in de combinatie apples and speck (zie aldaar). Maar al heel vroeg is speck ook apart genoemd, en dat zal, gezien de ouderdom, een ontlening zijn aan het Nederlands. Begin negentiende eeuw komt het opnieuw apart voor, maar aangezien dit citaat afkomstig is uit Pennsylvania, gaat het dan waarschijnlijk om een leenwoord uit het Duits.
1691 The plaintiff demands 180 lb. speck.
1809 He goes out almost every week to eat speck with the country folks.
Het Nederlandse leenwoord speck is algemeen bekend geworden door het woord specksynder als titel van hoofdstuk 33 van Melvilles Moby Dick uit 1851 (elders wordt ook de correcte vorm specksnyder gebruikt), waarin staat:
1851 The large importance attached to the harpooneer’s vocation is evinced by the fact, that originally in the old Dutch Fishery, two centuries and more ago, the command of a whale ship was not wholly lodged in the person now called the captain, but was divided between him and an officer called the Specksynder. Literally this word means Fat-Cutter; usage, however, in time made it equivalent to Chief Harpooneer. (…) In the British Greenland Fishery, under the corrupted title of Specksioneer, this old Dutch official is still retained, but his former dignity is sadly abridged.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spek* vet 1108 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

766. Haasvreten,

d.w.z. bang, bevreesd worden, zich terugtrekken, in zijn schulp kruipen, achteroet vretten (Twente); hazenvleesch hebben ('t Daghet, XII, 125); haazehaar hebben in N. Taalg. XIII 136; Harreb III, CXXII: Hij heeft haas (of hazevleesch) gegeten, zijne lafhartigheid is er het bewijs van. ‘De onderstelling is, dat men door het eten van haas of hazevleesch eigenschappen van den haas (in dit geval blooheid, lafhartigheid) in zich opneemt. Zoo zegt men van ongedurige, woelige knapen, dat zij paardenvleesch gegeten hebben; het paard is, gelijk bekend, een zeer zenuwachtig dier’ (Ndl. Wdb. V, 1492). Het geloof dat men zich door het eten van een dier zijn eigenschappen kon verwerven is al zeer oud: Achilles immers at leeuwenmerg. Thans gebruiken op sommige plaatsen in Griekenland bruid en bruidegom een duif of een haan; de duif is het symbool der verliefdheid en de haan dat der mannelijkheid.Wetenschappelijke Bladen, April 1907, bl. 139. De Franschen zeggen il a mangé de la biche blanche van iemand, die altijd in beweging is, ‘par allusion à l'humeur errante et vagabonde de la biche’. Zoo zeide men, volgens Harrebomée II, 284, tot een tragen denker: heb je spek gegeten? (vgl. Kluchtspel III, 72) omdat spek zwaar te verteren is. Thans kent men in West-VI. nog de uitdr. hij heeft jotjes gegeten voor hij suft (De Bo, 471); in Limb. hij heeft van den vos geëeten, hij is slim ('t Daghet X, 182), syn. van vossenbillen gegeten hebben (Rutten, 268); vossemelk gedronken hebben (Antw. Idiot. 1402); vossepooten of vossesteerten geëten hebben (Waasch Idiot 724); in Antw. hij heeft boonen gegeten voor hij verstaat moeilijk iets (vgl. no. 308; hd. er hat Erbsen gegessen); knokkelboonen geëten hebben, alles afkeuren, lastig en moeilijk zijn (Waasch Idiot. 356); in Mecklenburg vraagt men aan iemand die er verdrietig uitziet: hest Müs' fräten (vgl. Wander III, 546 en onze uitdr. muizenesten in het hoofd hebben), ook kriebelkruid gegeten hebben, niet stil kunnen zitten; een stukkie van 't looie beest geëeten hebben, lui zijn (Boekenoogen, 590). In Zuidafrica hy het van koerland (luie trekos) se vleis geëet, hij is lui (Boshoff, 335). Zie' nog Borchardt no. 843: einen Narren an jemand gefressen haben; westfaalsch: hei stellet sik, äs wenn he von der dullen Suege (Sau) freaten hädde; ook kent men in het hd. Tollkirschenthee getrunken haben, dol zijn, van Lotje getikt zijn, dat te vergelijken is met kriebelkruid gegeten hebben; von einem Ochs gegessen haben (dom zijn); fr. avoir mangé des oeufs de fourmis. Misschien mag ook vergeleken worden Sart. I, 3, 86: ick heb Bot gegeten, ende verstae niet dat scharpsinnigh is; III, 4, 81: hy heeft van een exter gegeten, in futiles, parumque fideliter sibi concredita arcana continentes; vgl. Wander II, 485: er hat Heistereier gegessen; 810: hei heft von 'e Hehnernarsch (Hühnerarsch; ook Entenarsch, Gänsepirzel) gefrete, von jem. der sehr. geschwätzig ist; 1212: Katzenmilch getrunken haben, onbetrouwbaar, oneerlijk zijn; he hett Hunensnûten êten, he kann scharp rûken (Eckart, 226).

1103. De kat bij 't spek zetten,

iemand in de verleiding brengen, hem gelegenheid geven om kwaad te doen; ook zich wetens schade berokkenen, den vijand in huis halen. Hiernaast vroeger de kat de boter of de zoete melk bevelen; de kat de kaas betrouwen; de kat in de schapraai (of in de spinde) sluiten (Zuidndl.). Zie Harrebomée I, 385: Dat is de kat bij 't spek gezet; Prinsen, Bredero, 120: Aan dit onechte Moortje (Writsart) draagt Mooy Ael de bijzondere zorg voor Katrijntje op. De kat bij het spek dus; Haagsche Post, 8 Juni 1918, p. 681 k. 4: Overigens is de vraag gewettigd, hoe iemand, die zooveel op zijn kerfstok heeft als die persoon in kwestie, korporaal in het Nederlandsche leger kan worden of blijven, en verder hoe iemand met dergelijke antecedenten juist aan onze ‘frontières menacées’ werd geplaatst: dat is toch de kat op het spek binden.

2113. Met spek schieten,

d.w.z. liegen, opsnijden, met de leugenpees schieten (Harreb. II, 18 a); fri. mei spek scjitte, waarvoor men in Groningen ook zegt een spekkoegel op 't geweer hebben (Molema, 565 a); in het Haspengouwsch er onder schieten (Rutten, 200 a). Deze uitdr. wordt aangetroffen in het Boek der Rabauwen en Naaktridders, 37: Hoort hoe hy met speck daer schiet; Klucht van Claes Cloet, 12 v: Je hoeft mit gien speck te schieten; in V.d. Venne's Tafereel van de Belacchende Werelt, 45: Schoot ick somwijl mittet speck, dickwils snoerden ick mijn beck; bij Winschooten, 229: Met spek schieten, te weeten, om brand te veroorsaken in des vijands schip: oneigendlijk iemand scherp aan tasten: en sijn saaligheid lustig zeggen: hij schoot geweldig met spek: hij gaf hem genoeg te ruiken’. In de Bisschop voor Groningen op de maniere van Tragi-Comedie door C.H. 4de Uytkomst:

 Geeft lardum cameraden
 T'sa groetwe te gelijck en te gelijck weer ladenAangehaald door G. Kalff, Gesch. d. Ndl. Ltk. V, 139..

Vandaar een spekschieter, een druktemaker, iemand die den baas speelt, in welken zin we dit woord lezen in Pamfletten, Muller no. 584, anno 1607, 4 v:

 Hy spreeckt de waerheyt, so recht als een sickel mach wesen.
 Jae al had den Duyvel sijn tonghe belesen,
 So en mocht hy niet beter roeren sijnen duyme.
 Alsulcke Spec-schieters zijn in 't Pausdom opgheresen,
 Die soo konnen Philosopheeren int ruyme
 Ghelyck als onsen I.H. hier volgt sijn costume.

De ontwikkeling der beteekenissen kan dus zijn: met een met spek voorzienen brandkogel schieten; geweldig aantasten, een uitbrander geven, met grof geschut schieten, groote woorden gebruiken, opsnijden, bluffen, liegenIn het Ndl. Wdb. III, 1759 wordt met spek schieten vergeleken met het verouderde, thans nog in Friesland bekende, builen met (oor)kussens (of met hooi) slaan, eig. iets onmogelijks (beweren te kunnen) doen, bluffen, pochen. Dat deze verklaring niet juist is, blijkt uit Grimm VII, 2036 en Schiller und Lübben IV, 307 b, die eene plaats citeert, waar werkelijk sprake is van schieten met spek, dat eene verschrikkelijke uitwerking heeft.. In de bet. ‘iemand onder handen nemen’, ‘de les lezen’ komt de uitdr. in de 18de eeuw nog voor bij Sewel, 738: Hy schoot lustig met spek op hem, he upbraided him severely, he gave him his shareOpmerking verdient, dat men te Antwerpen ook zegt: met laaien schieten (dus met vlammen schieten) in den zin van liegen, eene uitdrukking, die de hier gegeven verklaring eenigen steun kan geven (Schuerm. 3r9 a, doch niet in het Antw. Idiot.). Volgens het Waasch Idiot. 385 b zegt men ook met de lade (zou Schuerm. dit bedoelen?) schieten, liegen, naast met draadkens schieten, uitdrukkingen, die mij niet zeer duidelijk zijn, doch blijkbaar haren oorsprong vinden in het weven. Of moeten we denken aan ‘lade’ in den zin van uitgeholde gedeelte, waarin de loop rust, voorheen ook de affuit van een kanon? Zie Ndl. Wdb. VIII, 899.. Zie verder Tuinman I, 32; Afrik. met spek schiet; hy skiet nie alleen met spek nie, maar hy gooi met die heele vark; Harreb. II, 284; Amstelv. 152: Leeuwen, tijgers, giraffen, die door een zekeren Roosevelt met spek geschoten zijn in de binnenlanden van ‘Humbug’; Nw. School, VII, 244: Zoo'n schutter met het spek zijner opgeblazenheid; De Amsterdammer, 26 Jan. 1924, p. 6 k. 2: Met leede oogen heb ik de toenemende onzedelijkheid op handels- en scheepvaartgebied, zich uitend in het met spek schieten bij het opmaken der jaarbalansen.... waargenomen; Ndl. Wdb. XIV, 586. In Zuid-Nederland is de uitdr. eveneens in den tegenwoordigen zin bekend, volgens Schuermans, 587 b; Joos, 93; Antw. Idiot. 2052: met spek schieten, liegen. Voor het nd. vgl. Wander IV, 677: er Scheust mit spek (in Hessen von einem Lügenhaften).

2115. Dat is (geen) spek(je) voor jouw bek(je),

eig. dat spek lust gij (niet); bij uitbreiding: dat is (n)iets voor u, (niet) van uwe gading, daar krijgt gij (niets) van; 16de eeuw dit hout is u te hert om te bijten (Sart. III, 5, 34). Zie Marnix, Byenc. 103 r: Dat is recht speck voor haren beck; Middelb. Avant. 114: Het is geen spekje voor je bekje; A. Vreugdestr. 148: Dats spek voor er bek; Tuinman I, 107; Molema, 394 a; W. Dijkstra II, 400 a; Harreb. I, 44; Amst. 98; De Amsterdammer, 18 Aug. 1923, p. 1 k. 3: Bij de militaire begrootingen zal minister Colijn dus wel geen spekje voor zijn bezuinigingsbekje vinden; Handelsblad, 8 April 1923, p. 1 k. 1: Dat is het echte spekje voor het bekje der Fransche nationalisten; Ten Doornk. Koolm. III, 270 b; Schuermans, 653 a; Rutten, 212 a; Antw. Idiot. 201; 1153: Dat is geen spek veur uwen bek, dat is voor u niet bestemd; De Bo, 1067; Waasch Idiot. 99 b en Ndl. Wdb. II, 1557. Vgl. dat is geen snuif voor zijn neus (Harreb. II, 123 a) met fr. cela n'est pas pour son nez; ce n'est pas viande pour ses oiseaux; hd. das ist nichts für seinen Schnabel; eng. that's meat for your master.

2114. Voor spek en boonen meedoen (of er bij zitten, loopen),

d.w.z. niet geteld worden, een bijlooper zijn, bij eenig werk overtollig zijn; Transv. ver spek en boontjes, voor weinig geld (Onze Volkstaal III, 143). Elders: voor spek en brood, voor spek en 'n metworst, voor spek en appels (Molema, 51 b); voor spot en boonen zitten, meedoen (Opprel, 84 b); voor spot en spiegel (Noord en Zuid VII, 348; Nav. LIX, 43); för spek un bonen, för 'n stük spek mitlopen (Ten Doornk. Koolman III, 270; Dirksen I, 60); voor doove neuten ergens bij zitten (V. Janus II, 135; 136); for spek en brea (brood) meidwaen (W. Dijkstra, 400); voor kiekenvleesch mee doen (Schuermans, 240 a); 't wittebrood zijn (ibid. 869 a). Volgens het Ndl. Wdb. III, 441 beteekent de uitdr. vermoedelijk eig. ‘geen loon maar alleen den gewonen kost verdienen, gelijk b.v. oudgedienden, die het genadebrood eten’; vgl. De Bo, 195: voor den babbel en den buis, voor eten en drinken, zonder andere vergelding dan ate en drank; Ndl. Wdb. III, 1494: voor den rok en den brok werken, voor kost en kleeding werken; Van Effen, Spect. IX, 239: Dat ge nog niet voor vol kunt aangezien worden, en, om een kinderlyke dog kragtige spreekwyze te gebruiken, dat ge nog maar voor spek loopt. Volgens Halma en Sewel verstond men in de 18de eeuw onder spek en boonen studentenhaver, rozijnen en amandelenIn Zuid-Nederland bestaat een znw. spek, vroege ontleening uit lat. speciem, fr. espèce, een soort caramel, een babbelaar, een suikergebak, dat de kinderen gaarne snoepen (De Bo, 1067 en Schuermans, 653)., dus iets lekkers, waarin weinig voedsel zit, dat men ‘toe eet’; en vergelijkt men nu de Zuidnederl. uitdr. 't wittebrood- of kiekenvleesch zijn; ook voor kiekenvleesch meedoen (Claes, 109); veur kiekebil, voor niets (Waasch Idiot. 339Als Antwerpsche jongens soms eenen kleine, die nog niet zoo snel als zij en kan loopen, laten meespelen, en overeenkomen dat hij er niet en zal moeten aan zijn, dan heet die kleine kiekenvleesch (Kinderspel I, 79).), onze zegswijze ‘voor zoete koek meedoen’, en de door Harreb. II, XXXI en LXIII vermelde zegswijze hij doet meê voor de groene kaas, dan ligt het vermoeden voor de hand, dat de eig. bet. kan zijn: voor iets gerings geteld worden, den dienst doen van spek en boonen. De andere uitdrukkingen kunnen dan navolgingen zijn, toen men den eigenlijken zin niet meer verstond. Ze komt o.a. voor in Buiten, 19 Sept. 1914, p. 456: In 't zuiden waken ernstige jongens, die op hun qui vive zijn en drommels goed beseffen, dat ze daar niet voor spek en boonen staan; De Amsterdammer, 29 Maart 1924, p. 8: En zoo loopt de normale mensch-in-het-algemeen in ons, een beetje overspannen, geforceerde wereldje, er nog al eens voor spek en boonen bij; Nkr. II, 9 Febr. p. 2; De Arbeid, 25 Maart 1914, p. 4 k. 2; Ppl. 65; Het Volk, 13 Mei 1914, p. 1 k. 4; A. Jodenh. II, 2; Afrik. vir spek en boontjies; enz.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sp(h)ē(i)-3, spī- und sphē- : sphǝ- ‘gedeihen, sich ausdehnen = dick werden, vorwärtskommen, Erfolg haben, gelingen’, sphē-ko- ‘Kraft’, sphē-ti- ‘das Gedeihen’, sphǝ-ro- ‘ergiebig’, sphid-to- ‘dicht gedrängt’

Ai. sphā́yatē ‘wird feist, nimmt zu’, Partiz. sphītá- ‘geschwollen, wohlhabend, dicht, voll’, sphāta- ‘groß, stark’, sphītí- f. ‘das Gedeihen’, sphātí- f. ‘Mästung, Gedeihen’, Kaus. sphāváyati ‘mästet, verstärkt’, sphārá- ‘ausgedehnt, weit, groß’, sphirá- ‘feist’ (idg. *sphǝ-ró- = aksl.sporъ, ahd. spar); mit Formans -ko- (wie lett. spḕks): pīva-sphāká- ‘von Fett strotzend’;
ai. vi-ṣpitám ist strittiger Bedeutung;
von der aspir. Form sphē-: ἐρί-σφηλον “ἐρισθενῆ”, ἄσφηλοι· ἀσθενεῖς; σφηλὸν γὰρ τὸ ἰσχυρόν Hes.; ohne s- arm. partam ‘reichlich’;
lat. spatium ‘Raum, Zeit, Weite, Strecke, Dauer’; spēs, -ēī, Pl. spērēs f. ‘Erwartung, Hoffnung’, spērō, -āre ‘hoffe’; ursprüngl. ‘von Hoffnung geschwellt’; prosperus ‘günstig, glücklich’ (*pro-spǝ-ro-);
mcymr. ffysgiaw, corn. fesky ‘Eilen’ (*spid-sk-);
got. spēdiza ‘späterer’, spēdumists ‘spätester’, ahd. spāti, Adv. spātospät’ (eig. ‘*sich hinziehend’);
ags. spōwan ‘gedeihen, glücken’, ahd. spuon ‘gelingen’, germ. *spōði- im ahd. spuot, as. spōd, ags. spēd ‘Gedeihen, Beschleunigung, Eile’, nhd. sich sputen; ahd. usw. spar s. unten;
lit. spė́ti ‘Muße haben, schnell genug sein, imstande sein’, spė́rus ‘flink’, spė̃tas m. ‘Muße’, spėmė̃ f. ‘Eile’; spė̃kas und spėkà ‘Kraft’;
lett. spẽt ‘vermögen, können’, spḕks ‘Kraft, Stärke, Macht’ (wohl auch lett. spīte ‘Trotz’, spîtîgs ‘trotzig’);
aksl. spějǫ, spěti ‘Erfolg haben’; spěсhъ m. ‘studium’, spěšiti ‘eilen’;
aksl. sporъ (= ai. sphirá- usw.) ‘reichlich’, in neueren slav. Sprachen auch (und wohl das ursprünglichere) ‘lange dauernd, lang ausreichend’, so russ. spóryj, serb. spȍr ‘lang dauernd’, daher anderseits auch ‘lange ausreichend, sparsam’, čech. sporý ‘ergiebig, ausgiebig’ und ‘sparsam, spärlich’, spořiti ‘sparen’ (dt. Einfluß?), ahd. spar ‘sparsam, knapp’, ags. spær, aisl. sparr ‘sparsam, karg’ (: sporъ);
hitt. išpāi ‘ißt sich satt’, 3. Pl. išpii̯anzi.
Von spĭ- (: speĭ-) aus:
mit der Bedeutung ‘fett, dick’ und g-Formans: ai. sphij- (Nom. Sg. sphik, Du. sphijāu; sphicāu durch Entgleisung nach d. Nom. Sg.?), sphigī ‘Arschbacke, Hüfte’; aisl. spik n., ags. spic n., ahd. spec, -ckes ‘Speck’;
Mit Dentalformantien: gr. σπίδνος ‘ausgedehnt, weit, eben’, σπιδόεις, σπιδνός (Hes.) ds., σπιδόθεν ‘von weitem’, ἑλεσ-[σ]πίς, -σπίδος ‘Sumpffläche’, ἀσπιδής (*αν-σπιδής mit Präp. ἀν) ‘geräumig’, ἀσπίς, -ίδος ‘Schild’, (‘*dem Körper entlang gebreitete Fläche’?), σπίζω· “ἐκτείνω”;
lat. spissus (*spid-to-) ‘dicht, dick, langsam, zögernd’;
mit dh: σπιθάμη ‘Spanne (der Hand)’, σπιθίαι· σανίδες νεώς Hes.;
mit t: lit. speičiù, speĩsti ‘umringen’, spiẽsti ‘schwärmen’, spintù, spìsti ‘in Schwärmenausbrechen, von Bienen’, lett. spiêts ‘Bienenschwarm’ (Partiz. lit. spìstas ‘gedrängt’, lat. spissus); vgl. auch lett. spaile, spailis ‘Strich, Schwaden des Mähers’ (-l- vielleicht aus -dl-), lit. spielóti ‘in den Nährahmen einspannen’, lett. spailes ‘gespaltener Stecken zum Einklemmen’, spī̀le, spī̀lis ‘eine Zwicke, Zwickeisen; Holznägel; Not, Verlegenheit’ (mhd. Lw.?), spī̀lis auch ‘zeltartig ausgespannte Leinwand’, spī̀lêt ‘klemmen - zwicken, spannen’.
Mit g-Formantien:
gr. σφίγγω ‘schnüre ein, klemme ein’, σφιγκτήρ ‘Schnur, Band; Muskel’;
lett. spaiglis, spaigle ‘Krebsgabel’; germ. mit der Bedeutung ‘ausspannen = spreizen’: nhd. dial. spaichen ‘ausschreiten’, ausspaichen ‘mit Schritten oder ausgespannten Fingern ausmessen’, norw. speika ‘mit steifen (gespannten) Beinen gehen’, spīka ‘widerspenstig sein’.

WP. II 656 ff., WH. II 568 f., 576, Trautmann 274 f., Vendryes RC. 50, 92, Vasmer 2, 707, 710; dazu spēi-2 und spen-1.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal