Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spatie - (woord- en letterscheidingsteken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spatie zn. ‘woord- en letterscheidingsteken’
Mnl. spacie ‘ruimte’ [1240; VMNW], ‘tijdruimte’ [1265-70; VMNW], ‘periode’ [1265-70; VMNW], ‘wit gebleven deel van een akte’ [1407-50; MNW oorkonde]; nnl. ‘spatien’ Dit zijn kleine stukjes Letterstof ... zijn een weinig lager dan de Letter, om dat dezelven niet moeten drukken, maer volgens hunnen naem de plaets bekleeden, om Spatien, of afzonderingen der woorden, en tusschen Capitalen en Letters, op Tijtels, enzv. te maken [1801; Wardenaar, ed. Janssen, 1982, 378-379] spatie ‘het tussenstukje dat op de zetterij tussen twee woorden wordt geplaatst om de ruimte tussen die twee woorden aan te brengen’ [1824; Weiland], een tusschenzetseltje wordt op de boekdrukkerijen een pasje of spatie genoemd [1824; Weiland].
Ontleend aan Latijn spatium ‘ruimte; periode’.
De betekenissen van spatie die in het Middelnederlands aan het Latijn zijn ontleend, komen in het Nieuwnederlands niet meer voor. De betekenisontwikkeling in het Nederlands (‘ruimte’ > ‘lege ruimte op een akte’ > ‘ruimte tussen twee woorden’) loopt parallel met die van Engels space en Frans espace, waar de oorspronkelijke betekenissen echter bewaard zijn gebleven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spatie [tussenruimte] {spaci(e) [ruimte] 1201-1250} < latijn spatium [uitgestrektheid, (tijd)ruimte] (vgl. spade1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spatie znw. v. ‘tussenruimte’, mnl. spacie, spatie < lat. spatium.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† spatie znw., mnl. spacie, spatie v. Uit lat. spatium.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spatie v., uit Lat. spatium: z. spanseeren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

spasem, spoons(el), zn.: kaft. Vlaams spatie, spaasje ‘kaft van boek, papieren omslag’. Mnl. spacie, spatie ‘ruimte, ruimte om het bedrukte deel van een blad papier’, Vnnl. spacie ‘espace’ (Lambrecht), spacie ‘tussenruimte’ (Kiliaan). Ofr., Fr. espace < Lat. spatium ‘wit, onbeschreven deel van een blad, marge; boek, volumen’. Voor de vorm spasem, vgl.1489 onghespacemt (Stallaert); Vnnl. spacemen een boecksken (Kiliaan). Wellicht rechtstreeks uit Lat. spatium - Bibl.: L. Grootaers, De lotgevallen van een paar Latijnsche leenwoorden in onze dialecten. VMKVA 1943, 171-189. - J.B. Berns, Cooperculum en deksel. Een ‘calque linguistique’. TT 35 (1983), 5-9.

spotie, zn.: ruimte, afstand. Dial. uitsprak van spatie; zie spasem.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

spasjes zn. : poosje. Door klinkerverkorting uit spaasje.

spatie, spaasje zn. v.: tussenruimte (in ruimte en tijd), poosje, respijt. Vlaams ook ‘kaft van boek, papieren omslag’. Mnl. spacie, spatie ‘ruimte, ruimte om het bedrukte deel van een blad papier’, Vnnl. spacie ‘espace’ (Lambrecht), spacie ‘tussenruimte’ (Kiliaan). Ofr., Fr. espace < Lat. spatium ‘wit, onbeschreven deel van een blad, marge; boek, volumen’. Wvl. ww. spatiën ‘kaften’. - Bibl.: L. Grootaers, De lotgevallen van een paar Latijnsche leenwoorden in onze dialecten. VMKVA 1943, 171-189. - J.B. Berns, Cooperculum en deksel. Een ‘calque linguistique’. TT 35 (1983), 5-9.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

spasem(e) (R, ZO), zn. m.: omslag, kaft. 1489 onghespacemt (Stallaert); Vnnl. spacemen een boecksken (Kiliaan). Wellicht rechtstreeks uit Lat. spatium; zie verder spatie.

spatie (E, G, L, R, W, ZO, ZV), spaasje (Al), zn. v.: tussenruimte; kaft van boek (Al). Wvl. spatie 'papieren omslag, kaft van een boek'. Mnl. spacie, spatie 'ruimte, ruimte om het bedrukte deel van een blad papier', Vnnl. spacie 'espace' (Lambrecht), spacie 'tussenruimte' (Kiliaan). Ofr., Fr. espace < Lat. spatium 'wit, onbeschreven deel van een blad, marge; boek, volumen'. Wvl. ww. spatiën 'kaften'. - Bibl.: L. Grootaers, De lotgevallen van een paar Latijnsche leenwoorden in onze dialecten. VMKVA 1943, 171-189. - J.B. Berns, Cooperculum en deksel. Een 'calque linguistique'. TT 35 (1983), 5-9.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

spoosje, spoons, (afl.) spoonsel kaft (Vlaanderen, Brabant). « lat. spatium in de bet. ‘open ruimte op een blad’. Daaruit ontstond wschl. de betekenis ‘onbeschreven blad’ en daaruit ‘kaft’.
TNF krt 116 en commentaar.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

spatie, zn. v.: tussenruimte; papieren kaft, omslag om een boek, schrift (oost). Mnl. spacie, spatie ‘ruimte, ruimte om het bedrukte deel van een blad papier’, Vroegnnl. spacie ‘espace’ (Lambrecht), spacie ‘spatium, intervallum’ (Kiliaan). Ofr., Fr. espace < Lat. spatium ‘wit, onbeschreven deel van een blad, marge; boek, volumen’. 1489 onghespacemt (Stallaert); Vroegnnl. spacemen een boecksken ‘libellum consuere’ (Kiliaan). Ww. spatiën ‘kaften’. - Lit.: L. Grootaers, De lotgevallen van een paar Latijnsche leenwoorden in onze dialecten.VMKVA 1943, 171-189. – J.B. Berns, Cooperculum en deksel. Een ‘calque linguistique’. TT 35 (1983), 5-9.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spatie ‘woordscheiding’ -> Indonesisch spasi ‘ruimte tussen twee letters’; Singalees ispāsu-va, spāsu-va ‘vrije tijd, ruimte’ (uit Nederlands of Portugees); Sranantongo spasie ‘tussenruimte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spatie woordscheiding 1892 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal