Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spatel - (zalfspaan, strijkspaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spatel zn. ‘zalfspaan, strijkspaan’
Mnl. in de vorm spatule ‘platte lepel’ in altoes roerende metten spatule [1351; MNW-P]; vnnl. spatel, spatelken ‘platte lepel, strijkspaan’ [1599; Kil.]; nnl. spatel ‘plat stuk houten gereedschap’ in houten spatels, ... waar mede men het Zout wat afsteekt [1770; WNT], ook in de samenstellingen spatelvorm, spatelvormig ‘(met) de vorm van een spatel’ in een spatelvormig mesje [1853; WNT wrijfsteen].
Ontleend aan Laatlatijn spatula ‘spatel, roerblad’, verkleinvorm van spatha ‘id.; breed, plat stuk gereedschap of wapen’; dat woord is zelf ontleend aan Grieks spáthē ‘breed en plat stuk hout, lemmet van een zwaard’, verwant met → spa(de).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spatel [platte lepel] {spatule 1351, spatel 1599} < middeleeuws latijn spatula [pollepel], verkleiningsvorm van latijn spatha [brede houten plak] < grieks spathè [idem] (vgl. spade2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spatel znw. v. ‘klein schoffeltje, mesje’, Kiliaen spatel, ouder mnl. spatule, spatele ‘voorwerp om mee te roeren’, evenals laat-mhd. nhd. spatel v. ‘smal, vlak schoffeltje’ < lat. spatula ‘schoffeltje, spatel’, een verkleinw. van lat. gr. spatha, waarvoor zie: spade 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spatel (klein schoffeltje, mesje; in speciale technische bett.). Kil. spatel, mnl. spatule v. (m. o.?). Evenals mhd. spatel v. “smal, vlak schoffeltje” uit lat. spatula “id., spatel” (demin. van gr.-lat. spatha: zie spade I).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spatel. “Mhd. spatel v.” lees: “laat-mhd. nhd. spatel v.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spatel v., uit Lat. spatulam (-a); z. spalier.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

spatel (Latijn spatula)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spade, verwant met ’t Gr. spathè = zwaard, als werktuig om te steken of te stooten. Vgl. verkleinwoord is spatel, bijv. een spatelvormig blad.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spatel ‘platte lepel’ -> Duits Spatel ‘platte lepel, plamuurmes’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spatel platte lepel 1351 [MNW] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal