Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spant - (dakrib)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spant zn. ‘dakrib’
Mnl. span in Balken, spannen ... Vloghen ghinder indie lucht ‘balken, dakspanten vlogen daar door de lucht’ [1300-25; MNW-R], die span ‘de dakspant’ [1450; MNW]; vnnl. spant ‘balk tegen de nok’ in Swaere sparren, door den timmerman laest gevordert tot spanten ‘zware stammen, door de timmerman onlangs afgewerkt tot spanten’ [1659; iWNT].
Hetzelfde woord als → span 1. Spanten vormen samen de draagstoel van de vorstbalk. Wrsch. is de -t secundair toegevoegd zoals ook in → rijst, wellicht o.i.v. gebint, dat hetzelfde betekent.
Mnd. span ‘steunbalk van de nok; scheepsrib’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spant* [balk tegen de nok] {1662} afgeleid van spannen1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spant znw. o., eerst sedert de 17de eeuw en vandaar mnd. nhd. nde. nzw. spant. — Het is hetzelfde woord als span: het paar spanten vormen samen de draagstoel van de vorstbalk. Opmerkelijk is dat naast span in de bet. ‘overeenkomst, verbond’ ook de bijvorm spant, spante voorkomt. Dat maakt het niet waarschijnlijk, dat de t zou zijn toegevoegd onder invloed van bint; eerder kan men dan denken aan een paragogische expressieve t evenals in rijst en borst, wanneer men niet zijn toevlucht wil nemen tot een afl. met een dentaal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spant znw. (de, het), nog niet bij Kil. Een ook ndd. en door bemiddeling der scheepstaal in ’t Hd. en Skandin. overgenomen woord: hd. de. zw. spant. Wellicht uit span II in de bet. “gebint, spant”; met -t naar bint? Vgl. echter spanten mv. (Amsterdam ± 1500) = “overeenkomsten”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spant. Reeds in de 17e eeuw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spant o. en v., uit *gespante, van spannen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spant ‘balk tegen de nok; elk van de gebogen balken of inhouten die de dwarsverbindingen van een scheepsromp vormen’ -> Duits Spant ‘balk tegen de nok; elk van de gebogen balken of inhouten die de dwarsverbindingen van een scheepsromp vormen; rib’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens spant, (spanter) ‘balk tegen nok’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors spant ‘balk van de kiel tot de reling’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds spant ‘balk tegen de nok’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools szpant ‘balk tegen de nok’ (uit Nederlands of Duits); Litouws špantai ‘balk tegen de nok; elk van de gebogen balken of inhouten die de dwarsverbindingen van een scheepsromp vormen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spant* balk tegen de nok 1662 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal