Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

span - (voorgespannen dieren, wagen met bespanning)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

span 1 zn. ‘aantal voorgespannen trekdieren, koppel’
Vnnl. span ‘bespannen wagen’ (figuurlijk) in des Heeren span [1630; iWNT], nnl. ‘voorgespannen trekdieren’ in vier span trekpaarden [1768; iWNT], span ‘paar, stel (mensen)’ in t Grijze span [1827; iWNT]. Zie ook → spant voor een Middelnederlandse attestatie.
Verkorte Hollandse vorm van ouder gespan < mnl. ghespan ‘tuig van paarden, troep, verbond’ [1380-1400; MNW], dat is afgeleid met het achtervoegsel → ge- (sub d) van het ww.spannen.
Nhd. Gespann ‘voor een wagen gespannen trekdieren’; oe. gespon ‘samenvoeging’.
Oorspr. was span een aanduiding voor trekdieren die voor een wagen gespannen werden. Aangezien dat er gewoonlijk twee waren, kwam in de 19e eeuw de betekenis ‘stel, paar’ op.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

span2* [voorgespannen dieren, wagen met bespanning] {1630, vgl. gespan(ne) [tuig en paarden] 1376-1400} van spannen1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

span 2 znw. o. ‘twee voorgespannen trekdieren’, hollands voor gespan, mnl. ghespan ‘tuig en paarden, troep, gebint, verbond e.a.’, nhd. gespann ‘span paarden’, oe. gesponn o. ‘samenvoeging’. Afl. van spannen. — > ne. span (nu in U.S.A. en Canada, maar reeds 1527 ne. span ‘het spannen van paarden voor een voertuig’ (vgl. Bense 434).

Een andere afl. is mnl. span o. ‘wat gespannen wordt; verbond; dakbalk’, mnd. span ‘span, paar, gebint’. — Zie daarvoor nog: spant.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

span II znw. o., niet bij Kil., reeds mnl., maar niet in onze bet., wel o.a. = “spant”. Met verlies van ghe- = mnl. ghespan (nn) o. “tuig en paarden, troep, gezelschap, meester met twee knapen, gebint, uitgespannen scherm e.dgl., verbond” (nog in eed-gespan e.dgl.) = nhd. gespann o. “span paarden”, mnd. span (nn) o. “span, paar, gebint”, ags. gesponn o. “samenvoeging”. Bij spannen. De ndl. vorm zonder ge- kan deels oorspr. noordndl., misschien speciaal fri.-holl. (vgl. beurt, bint) zijn, deels op invloed van spanne v., dat o.a. = “spant” voorkomt, berusten. Met ander formans Teuth. gespenne “span paarden” en wsch. “gebint”.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

spannetje Een van de vele benamingen voor ‘biertje met een borrel ernaast’. In de jaren vijftig gehoord in Amsterdam, in het Bargoens. Inmiddels is het woord in bredere kring bekend. Het staat sinds 1984 in de Grote Van Dale.
Vergelijk koppeltje en stelletje.

[Boezeman 6; Endt 137; Reeuwijk 70]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

span ‘voorgespannen dieren, wagen met bespanning’ -> Engels span ‘een paar voorgespannen trekdieren; sjortouw; voet- of handboeien’; Deens spand ‘voorgespannen dieren, wagen met bespanning, ploeg’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors spann ‘voorgespannen dieren’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds span ‘voorgespannen dieren, wagen met bespanning’ (uit Nederlands of Nederduits); Amerikaans-Engels span ‘paar voorgespannen dieren die op elkaar lijken’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels span, een stel voorgespannen paarden, muildieren of andere dieren, die meestal in uiterlijk en gang op elkaar lijken (Craigie, Webster).
- Van Nederlands span; overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en nog in gebruik.
* Het Nederlandse span betekent letterlijk ‘twee (of meer) voorgespannen trekdieren’, vandaar ook ‘twee bij elkaar passende trekdieren’, later ook gezegd van ‘twee bij elkaar passende zaken of mensen’. Span is afgeleid van het werkwoord spannen ‘vastmaken aan een voertuig of in een tuig’. De voorgespannen trekdieren kunnen met elkaar overeenkomen in kleur, bouw en dergelijke, maar voor het Nederlandse span is dat niet noodzakelijk. In het Amerikaans-Engels is dit echter kenmerkend geworden, en waarschijnlijk heeft men het Nederlandse leenwoord span overgenomen met deze betekenisvernauwing, ter onderscheiding van het algemeen Engelse team of yoke. Het woord span kan natuurlijk ook geleend zijn samen met sleigh (zie 2.12). Van het zelfstandige naamwoord werd het werkwoord to span afgeleid met de betekenis ‘overeenkomen in kleur en/of grootte’ (1828).
1769 Wanted, a Spann of good Horses for a Curricle.
1828 A span (pair) of horses is a common expression through all the state of New York, and even as far as Upper Canada. (OED)
1848
Span. A span of horses consists of two of nearly the same color, and otherwise nearly alike, which are usually harnessed side by side. The word signifies properly the same as yoke, when applied to horned cattle, for buckling or fastening together. But in America, span always implies resemblance in color at least; it being an object of ambition with gentlemen, and with teamsters, to unite two horses abreast that are alike. - Webster. This use of the word is not mentioned in any of the English dictionaries or glossaries. (Bartlett)
1945 I got a span of mules from the ranche. (Mathews)

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

span* voorgespannen dieren, wagen met bespanning 1630 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal