Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spalk - (lat o.i.d. om iets bijeen te houden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spalk zn. ‘lat o.i.d. om iets bijeen te houden’
Mnl. spalke in houten spalken enen vinger breet ende eene spanne lanc [1351; MNW-P].
Nnd. spalk ‘spaan, splinter’; oe. spelc ‘spalk’ (ne. dial. spelk); on. spjalk ‘spaan’ (nzw. dial. spjälk); < pgm. *spalka-, *spelkō. Het woord betekent eigenlijk ‘afgespleten stuk hout’ en is een afleiding van de wortel *spel- ‘splijten’, zie → splijten en → spouw.
spalken ww. ‘met een spalk bijeenhouden’. Mnl. spalken. met hardden stale ‘spalken met hard staal’ [1260-80; VMNW]. Afleiding van spalk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spalk* [hout om gebroken ledematen onbeweeglijk te bevestigen] {spalke, spalc [spaan, dun latje, spalk] 1351, vgl. het ww. spalken 1260-1280} oostfries spalk [splinter], oudengels spilk, oudnoors spjalkir [pijler], ijslands spjālk; verwant met spouwen1, splijten; de betekenis is ‘afgespleten stuk hout’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spalk znw. v., mnl. spalc, spalke ‘spalk bij verbinden van een wond; metalen versiersel’, vla. spelke v. ‘splinter, spaan latje’, hagelands spalk ‘splinter’, oostfri. spalk ‘splinter’, oe. spielc ‘spalk’ (ne. spelk), on. spelka ‘spaander, dunne lat’, spjalkir v. mv. ‘dunne latjes’. — kymr. fflochen (< splokiīna) ‘houtsplinter’, arm. pelk ‘lang stuk hout’ van idg. wt. *(s)p(h)elg ‘splijten’, afl. van *(s)p(h)el ‘splijten’, vgl. oi. sphaṭati ‘scheurt, barst open’, gr. sphalássein ‘snijden’, sphálaks ‘steekdoorn’, lat. spolium ‘afgetrokken dierhuid’, lit. spãlis ‘vlasafval’. (IEW 985-986).

Van deze wortel zijn afgeleid:
met dentaal zie: spelt en spouwen.
*splei zie: splijten
*pleus zie: vlies.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spalk znw., mnl. spalc of spalke (v.?) “spalk (bij ’t verbinden van een wond), metalen versiersel”. Hiervan spalken ww., mnl. spalken “spalken, met spalken verbinden”. Vgl. vla. spelke v. “splinter, spaan, latje”, spelken “spalken”, oostfri. hagelandsch spalk “splinter”, ags. spielc “spalk”, spielc(e)an “met spalken verbinden”, on. spelka, spjalk v. “spalk”, spelkja “met spalken steunen”. De bet. “spalk” gaat op “afgesneden resp. puntig gesneden voorwerp” terug. Germ. spaxlk- komt van de kortere basis spel-, spal-, spul- “splijten” (vgl. spouwen). Ndl. open-spalken “wijd openzetten”, nog niet bij Kil., gaat wsch. niet op een oergerm. *spalkanan “splijten” terug, eer is ’t denominativum bij spalk, oorspr. “met spalken openhouden”. Ook oostfri. spalken “splijten, barsten”, hagelandsch spalken “splinteren”, Antw. spalken “spatten” (: spolken “splijten”) zal wel een denominativum zijn met de oorspr. bet. “splinteren”. Vgl. nog Teuth. afgespelckt “steil afgesneden, preruptus”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spalk. Na “ags. spielc” invoegen: “(eng. spelk)”.
Buiten het Germ. is wellicht arm. p’elk ‘lang stuk hout of stof’ verwant: Petersson KZ. 47, 264.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spalken, spalk o.w. resp. verbaalabstr. , Mnl. spalken + Oostfri. spalken, Ags. subst. spielc (Eng. spelk), On. spjalk (Zw. spjälka, De. spjelke): verwant met spalten en spouwen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

spalk(e) (oost), spelke (Knesselare), spelte (Heurne, Nevele, Poeke), zn. v.: klapspaan aan molen. Mnl. spalke 'spaan, spalk', 1376 naghelen daer de roede mede ghespelct was, Knesselare (Coutant 353), Vnnl. spalcke 'lat, band' (Kiliaan). De var. spelte via stembandocclusief. Oostfri. spalk 'splinter', Oe. spielc, E. spelk, On. spjalk 'spalk'. Idg. *sp(h)el- 'splijten'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1spalk s.nw.
1. Houtplankie of iets soortgelyks om die dele van 'n gebreekte been te bevestig sodat dit nie kan beweeg nie. 2. Voorwerp om iets oop of van mekaar af te hou.
In bet. 1 uit Ndl. spalk (Mnl. spalke). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

spelke (DB, WVD: sporadisch), spelte (WVD), zn. v.: spalk, (afgespleten) spaan (DB), klapspaan aan molen (WVD). Mnl. spalke ‘spaan, spalk’, Vroegnnl. spalcke ‘régula, fascia, lamina’ (Kiliaan). De var. spelte via stembandocclusief. Oostfri. spalk ‘splinter’, Oe. spielc, E. spelk, On. spjalk ‘spalk’. Idg. *sp(h)el- ‘splijten’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spalk ‘hout om gebroken ledematen onbeweeglijk te bevestigen’ -> Indonesisch spalk ‘hout om gebroken ledematen onbeweeglijk te bevestigen’; Papiaments spalk ‘hout om gebroken ledematen onbeweeglijk te bevestigen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spalk* hout om gebroken ledematen onbeweeglijk te bevestigen 1351 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)p(h)elg- ‘spalten’, (Weiterbildung von (s)p(h)el- ds.)

Arm. p’elk ‘langes Stück Holz oder Stoff’; aisl. spjalkir Pl. ‘Speiler’, ags. spelc, spilc ‘Span, Holzschiene’, ostfries. spalke ‘Splitter’, spalken ‘bersten, spalten’, aisl. spelkja, ags. spilcan ‘schienen’; vgl. cymr. fflochen ‘Holzsplitter’ (*splokitnā);
gr. φελγύνει· ἀσυνετεῖ, ληρεῖ Hes.; lit. paspilgęs ‘dünn im Stroh (vom Korn), im Wachstum zurückgeblieben’, werden besser zu einer eigenen Sippe der Bed. ‘verkümmern, kümmerlich’ zusammengeschlossen.

WP. II 680.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal