Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

som - (totaal; bedrag; rekenkundig vraagstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

som zn. ‘totaal; bedrag; rekenkundig vraagstuk’
Mnl. de summe uan elker weke ‘het totaal van elke week’ [1236; VMNW], summa van ‘totaalbedrag van’ [1284; VMNW], somme in ghelde ‘som geld’ [1276-1300; VMNW], dat is die som ‘dat is de hoofdzaak’ [1465-85; MNW-R]; vnnl. zekere som geld [1525; WNT zalig I], somme ‘rekenvraagstuk’ in deze ... Sommen (betreft voorbeelden van delingen) [1595; Stockmans].
Ontleend, aanvankelijk rechtstreeks, later via Frans somme, aan Latijn zn. summa ‘hoofdzaak, totaal, geldsom’, van bn. summus ‘hoogst, laatst, volledig’ dat als overtreffende trap van super ‘zich boven bevindend’ optreedt, zie → super(-).
Lit.: B. Stockmans Jz. (1595), Een korte ende eenvuldighe instructie ..., Dordrecht

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

som [totaal] {summe [het geheel van iets (vooral bij een optelling), hoeveelheid, som gelds] 1236, somme 1266} < oudfrans summe, somme < latijn summa [hoogste plaats, voorrang, som van een optelling, totaal], eig. vr. van summus [hoogste, bovenste, grootste]; vroeger werd van onder naar boven opgeteld.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

som

In de vorm somme of summe in de betekenis: het geheel, de menigte kwam het woord som reeds in het Middelnederlands voor. De definitie van het woord in zijn eigenlijke betekenis is: het geheel dat ontstaat door de optelling van getallen. De Latijnse grondvorm waarvan som is afgeleid, luidt: summa, dat eigenlijk betekent: bovenste. De Romeinen telden namelijk niet zoals wij van boven naar beneden, maar van beneden naar boven op, zodat de uitkomst, de som, boven de reeks kwam te staan. Begrijpelijk is dat som daarna gaat betekenen: vraagstuk. Het bijvoeglijke naamwoord summier betekent: alleen het bovenste, de oppervlakte rakend, dus: oppervlakkig of bondig. De somme aller leere is Godt te eeren ende sijn geboden te houden, zegt de Prediker. Daar betekent som: de kern, de hoofdzaak.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

som znw. v., mnl. somme, summe v. ‘het geheel, menigte, geldsom, kort begrjp, compendium’, evenals mnd. mhd. summe (nhd. summe), ofri. somme < lat. summa ‘totaalsom’, eig. het bovenste getal van de reeks, die van onderaf opgeteld wordt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

som znw., mnl. somme (summe) v. (m.) “het geheel, menigte, geldsom, kort begrip, compendium”. Evenals mhd. summe v. met dgl. bett. (nhd. summe), mnd. summe gew. m., ofri. somme v. “som” uit lat. summa resp. fr. somme.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

som v., uit Fr. somme, van Lat. summam (-a) = het hoogste, het gezamenlijke, zelfst. gebr. vr. van summus = hoogste (d.i. *sup-mus, superlat. van sub: z. op).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

som (Frans somme); (ronde --) (vert. van Frans compte rond)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Som (< Lat. summa = de hoogste plaats). Oorspr. resultaat van een berekening (dat boven de gestelde opgave geschreven werd). Het woord werd aanvankelijk dus evenzeer gebruikt voor verschil (summa reliqui), product (summa multiplications) en quotient (summa divisionis) als voor het resultaat van een optelling. In de 15e eeuw ontmoet men echter reeds sommeren voor optellen, zodat het toen blijkbaar voornamelijk in verband met optellen werd gebruikt. In het wonderlijke spraakgebruik een vraagstuk een som te noemen, schijnt het Nederl. alleen te staan.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Som, van ’t Fr. somme, Lat. somma = het hoogste, het gezamenlijke: de uitkomst van wat samengesteld wordt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

som ‘rekenkundig vraagstuk; totaal’ -> Indonesisch som ‘totaal’; Papiaments sòm (ouder: som) ‘rekenkundig vraagstuk, conclusie; (verouderd) totaal’; Sranantongo son ‘rekenkundig vraagstuk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

som totaal 1236 [CG I1, 22] <Frans

som rekenkundig vraagstuk 1717 [WNT] <Frans

som munteenheid van Kirgizië en Oezbekistan 1993 [Enc. Munten en Bankbiljetten] <Kirgizisch of Oezbeeks

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal