Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snuiten - (het slijm uit de neus verwijderen; een stukje van de verbrande pit van een kaars afbreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

snuiten ww. ‘het slijm uit de neus verwijderen; een stukje van de verbrande pit van een kaars afbreken’
Mnl. snuten ‘snuiten (van de neus of van kaarsen)’ [1240; Bern.], snuut of spiet of yesscet of hoestet of fnyeset ‘snuit of spuugt of hikt of hoest of niest’ [begin 15e eeuw; MNW], naast snutten [1477; Teuth.]; vnnl. snuyten, snutten [1573; Thes.], met sterk deelwoord ghesnooten [1612; iWNT].
Herkomst onduidelijk. Wrsch. een van de formaties uit de onder → snuiven aangevoerde groep woorden voor acties waarbij sprake is van een min of meer krachtige en/of schoksgewijze ademhaling. Zie ook → snot.
Mnd. snuten; ohd. snūzen (nhd. schneuzen); nfri. snute (ofri. alleen in snutteldōk ‘zakdoek’); oe. snȳtan (ne. dial. snite); on. snýta (nzw. snyta); alle ‘snuiten’, < pgm. *snūtijan-. Daarnaast staan met andere dentaal: mnd. snoderen ‘snuiten, verkouden zijn’; nhd. dial. schnudern ‘door verstopte neus ademen’; on. snoðra, snuðra ‘snuffelen’; < pgm. *snuþ-. De wortels *snuþ-, snūt- en *snut(t)- (zie → snot) worden door Kroonen (2009) met elkaar verbonden.
In het Nederlands wordt dit oorspronkelijk zwakke werkwoord sinds de 17e eeuw sterk vervoegd (snoot, gesnoten) onder invloed van de sterke werkwoorden van de tweede klasse.
Zie ook → snuiter.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snuiten ww., laat-mnl. snūten (zwak), mnd. snūten, ohd. snūzen (nhd. schneuzen), oe. snytan, oe. snyta. — Daarnaast met andere dentaal: mnd. snōderen ‘snuiten, verkouden zijn’, nhd. dial. schnudern ‘door verstopte neus ademen’, on. snoðra, snuðra ‘snuffelen’. Behoort tot de groep van met sn- aanvangende woorden, waarvoor zie: snavel.

Bij zulke affectieve woorden is er geen reden de wisseling t:d op een idg. d:dh terug te voeren. Er is evenmin aanleiding om naar idg. verwanten te speuren. Zo staat miers snuad ‘vloed’ in betekenis te ver weg. IEW 971-2 voert nog aan oi. snauti ‘druipen’, miers snau ‘stroom’, gr. aeol. nauō ‘stroom’ van idg. *snāu, dat weer zou teruggaan op *snā vgl. oi. snāti ‘baden’, lat. nāre ‘zwemmen’, gr. nēchō ‘zwemmen’. Daarmee heeft echter snuiten niets uit te staan; het is een afl. van sn-woorden, die ‘neus, snoet’ betekenen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snuit znw. (gew. de), sedert Kil. (ook = “neus”) en den Teuth. = nhd. schnauze (sedert de 16. eeuw; z naar schneuzen), mnd. snûte v., meng, snoute (eng. snout), noorw. snût m. “snuit”. Vgl. snoet. Wsch. een vrij jong woord. Sluit zich aan bij ’t ww. snuiten, laat-mnl. snûten (zwak), ohd. snûzen (nhd. schneuzen), mnd. snûten, ags. snŷtan, on. snŷta “snuiten”. Met het ablautende snot misschien van een basis germ. snū̆t-, idg. snū̆d- “vloeien, laten vloeien”. Evenwel doen mhd. snûde v. “neusverstopping”, mnd. snōderen “snot uitsnuiten, verkouden zijn”, noorw. dial. snyda “verkoudheid”, snyden “snotterig” het vermoeden opkomen, dat die t-vormen de oudste zijn, waar t, tt uit idg. dhn ontstaan kan zijn en dat dan al de geciteerde woorden van een basis snudh- komen, waarvan ook afgeleid worden: nier. snuadh “gezichtskleur”, kymr. nudd “nevel”, lat. nûbês “wolk”, gr. nuthón · áphōnon, skoteinón, nuthõdes · skoteinõdes (Hes.), av. snaoδa- “wolkenmassa”. Snudh- is verlengd uit snu-, waarvan lat. nû-trîx “voedster” (letterlijk: “de moedermelk latende vloeien”), gr. néō “ik zwem”, naíō “ik vloei”, naúei · réei, blúzei (Hes.), oi. pra-snu-”de moedermelk laten vloeien”. Natuurlijk kunnen we voor de germ. woorden ook idg. snu-d- naast snu-dh- (of snu-t-) aannemen. Ohd. snûden “snuiven, spotten”, ags. snyðian, on. snyðja, snuðra, snoðra “snuffelen” herinneren in bet. aan snuiven, terwijl eenige formeel bij dit laatste zich aansluitende woorden semantisch eer aan snuiten doen denken, reden waarom men ook de basis van snuiven wel van snu- “vloeien” afleidt: onwsch., maar deze niet klare betrekkingen maken ook de gegeven etymologie onzekerder. Bepalen we ons tot het combieeren van snot en snuiten met lat. nû-trîx en oi. pra-snu-, dan blijven we op vasteren bodem. — Snuit “afval van vlas” komt van snuiten in de bet. “uitstekende draden e.dgl. afsnijden”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

snuit znw., snuiten ww. Over t, tt < idg. dhn zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snuiten o.w., + Hgd. schneuzen, Eng. to snite, On. snýta (Zw. id., De. snyde): z. ook snuiven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjnoetsen, ww.: snuiten. Ohd. snûzen, Mhd. sniuzen, Mnd. snûten, Mnl. snuten, Oe. snytan, Mhd. snuz ‘neusslijm’, Ndl. snot. Een van de vele klankexpressieve sn-woorden, zoals snuiven, snavel.

snuiten, ww.: snuffelen, nieuwsgierig doorkijken. Afl. van snuit. Snuiten is dus ergens zijn snuit tussen steken. Vgl. neuzen, rondneuzen.

snutten, ww.: iemand de mond snoeren. Intensivum naast Ndl. snuiten ‘de snuit, het uiteinde afknippen’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

snutten, ww.: snuiten (kaars); afzetten, bedriegen; een scheef antwoord geven. Vnnl. snutten ‘snuiten; afzetten’ (Kiliaan). Instensivum bij snuiten. On. sn^yta ‘snuiten, bedriegen’. Voor de afgeleide bet., vgl. E. he made him pay through the nose; iemand bij de neus nemen; iemand de neus snuiten ‘bedriegen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

snutten (W), ww.: bedriegen, afzetten; ook uitdr. ze snutten 'veel geld verdienen'. Vnnl. snutten 'bedriegen' (Kiliaan). Instensivum bij snuiten. On. sn^yta 'snuiten, bedriegen'. Voor de afgeleide bet., vgl. E. he made him pay through the nose; iemand bij de neus nemen; iemand de neus snuiten 'bedriegen'.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Snuiten, een denom. van ’t Germ. snut (spr. snoet) = neusslijm; het woord wil dus zeggen: een geluid maken om dit slijm te verwijderen.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2096. Een (vreemde, rare, brutale) snuiter,

d.i. een snoeshaan, een kwibus, een kwant, grappenmaker; een rare snijer (fri. in rare, frjemde snijer); vgl. o.a. Op R. en T. 30: Dat 's 'n eigengereide, brutale snuiter. Wellicht beteekent ‘snuiter’ eig. bedrieger als afleiding van het wkw. snuiten in den zin van iemand geld afzetten; vgl. het mnl. enen die nose snuten, iemand afzetten; Kiliaen: Snuyten, snutten, emungere pecuniis, fallere, deplumare, deglubere aliquem; Winschooten, 268: Snuiten beteekend ook iemand te veel gelds voor eenige waar af neemen: waarvan sij hebben ons gesnooten: sij hebben ons bij de neus gehad: emungere aliquem pecunia; Tuinman I, 23: Hy is gesnoten, dat is, bedrogen; Halma, 593: Snuiten, verschalken, bedriegen; Sewel, 734: Hy heeft my gesnooten, he has nosed (or rooked) me; he made we pay through the nose; Rutten, 210: afsnuiten, ontnemen; iemand snutten, iemand zijn geld afwinnen of bedriegen; Schuermans, Bijv. 311 a: snutten, snuiten, 't zelfde als vastnemen, te veel doen betalen, bedriegen (Antw. Idiot. 1145. Vgl. voor denzelfden overgang van afzetten tot bedriegen het wkw. vlooien, dat in de 17de eeuw voorkomt in den zin van iemand van zijn geld berooven en thans nog in Zuid-Nederland bedriegen, foppen beteekent (Rutten, 262 a; Schuerm. 823 a). Ook in het hd einen ums Geld schnäuzen, iemand geld afhalenFranck-v. Wijk, 636 ziet in snuiter een overdracht van snuiter, voorwerpsnaam, dus kaarsensnuiter, en vergelijkt bengel (zie no. 201).; fri. immen snute, iemand afzetten; barsch terecht wijzen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal