Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snuit - (vooruitspringend deel van kop)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

snuit zn. ‘vooruitstekend deel van de kop’
Mnl. snuyt ‘bek van een dier’ [1477; Teuth.].
Mogelijk een van de formaties met sn-anlaut voor ‘spits vooruitstekende kop of bek’, waarvoor zie → snavel (NEW, Toll., Pfeifer). Wellicht gevormd onder invloed van het werkwoord → snuiten.
Mnd. snūt (nnd. snute, vanwaar nhd. Schnute); vnhd. schnauße (nhd. Schnauze mogelijk o.i.v. schneuzen ‘snuiten’); nfri. snút, snute; me. snute, snoute (ne. snout); nzw./nno. snut, nde. snude; alle ‘snuit, bek’ en (pejoratief) ‘gezicht’; < pgm. *snūt-. De Engelse en Noord-Germaanse woorden zijn mogelijk van Nederduitse oorsprong.
Zie ook → snoet en → snoeshaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snuit1* [vooruitspringend deel van kop] {snuut, snuyt 1477} middelnederduits snute, middelengels snoute, behoort tot de grote groep met anlautend sn, die een grondbetekenis ‘snijden, scherp’ hebben, waarbij snip [schuit, vogel] en snavel, waarmee het beeld van de neus wordt geassocieerd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snuit znw. m., sedert Kiliaen, mnd. snūte, nhd., schnauze (vroeg-nhd. schnausse heeft de klankwettige vorm; de z onder invloed van schneuzen), me. snoute (ne. snout), nnoorw. snūt. — Staat naast snoet en behoort tot de vele formaties met sn-anlaut, waarvoor zie: snavel. — Zie ook: snuiten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snuit znw. (gew. de), sedert Kil. (ook = “neus”) en den Teuth. = nhd. schnauze (sedert de 16. eeuw; z naar schneuzen), mnd. snûte v., meng, snoute (eng. snout), noorw. snût m. “snuit”. Vgl. snoet. Wsch. een vrij jong woord. Sluit zich aan bij ’t ww. snuiten, laat-mnl. snûten (zwak), ohd. snûzen (nhd. schneuzen), mnd. snûten, ags. snŷtan, on. snŷta “snuiten”. Met het ablautende snot misschien van een basis germ. snū̆t-, idg. snū̆d- “vloeien, laten vloeien”. Evenwel doen mhd. snûde v. “neusverstopping”, mnd. snōderen “snot uitsnuiten, verkouden zijn”, noorw. dial. snyda “verkoudheid”, snyden “snotterig” het vermoeden opkomen, dat die t-vormen de oudste zijn, waar t, tt uit idg. dhn ontstaan kan zijn en dat dan al de geciteerde woorden van een basis snudh- komen, waarvan ook afgeleid worden: nier. snuadh “gezichtskleur”, kymr. nudd “nevel”, lat. nûbês “wolk”, gr. nuthón · áphōnon, skoteinón, nuthõdes · skoteinõdes (Hes.), av. snaoδa- “wolkenmassa”. Snudh- is verlengd uit snu-, waarvan lat. nû-trîx “voedster” (letterlijk: “de moedermelk latende vloeien”), gr. néō “ik zwem”, naíō “ik vloei”, naúei · réei, blúzei (Hes.), oi. pra-snu-”de moedermelk laten vloeien”. Natuurlijk kunnen we voor de germ. woorden ook idg. snu-d- naast snu-dh- (of snu-t-) aannemen. Ohd. snûden “snuiven, spotten”, ags. snyðian, on. snyðja, snuðra, snoðra “snuffelen” herinneren in bet. aan snuiven, terwijl eenige formeel bij dit laatste zich aansluitende woorden semantisch eer aan snuiten doen denken, reden waarom men ook de basis van snuiven wel van snu- “vloeien” afleidt: onwsch., maar deze niet klare betrekkingen maken ook de gegeven etymologie onzekerder. Bepalen we ons tot het combieeren van snot en snuiten met lat. nû-trîx en oi. pra-snu-, dan blijven we op vasteren bodem. — Snuit “afval van vlas” komt van snuiten in de bet. “uitstekende draden e.dgl. afsnijden”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snuit 2 m. (snoet), +Hgd. schnauze, Eng. snout, Zw. snut, De. snude: z. snuiven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

snoets (zn.) gezicht, snoet; Nuinederlands snoet <1665> < Aokens Schnautze.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjnoets, zn.: snuit. Vanwege de ts beantwoordt het woord aan D. Schnauze, dat bij Luther in de 16de eeuw evenwel nog Schnauße was en dus klankwettig helemaal overeenstemde met Mnd. snûte, Mnl. snute, snuut, Ndl. snuit. De ts is wellicht te verklaren door invloed van schneuzen, zie sjnoetsen.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

snuit. In de 17de eeuw komt de eedformule by mijn snuyt voor. Dit werd tot een vrij onschuldige uitroep van verbazing of verwondering.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snuit ‘vooruitspringend deel van de kop’ -> Engels snout ‘slurf van een olifant; vooruitspringend deel van de kop; nachtvlindersoort met lange voelsprieten aan de voorkant van de kop’; Papiaments snùit ‘bek (plat)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snuit* vooruitspringend deel van kop 1477 [Teuth.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

snā-, snǝ-(t-), snāu-, sn-eu-, sn-et- ‘fließen, Feuchtigkeit’

1. Ai. snā́ti, snāyatē ‘badet (sich)’, Partiz. snātá-, av. snayeitē ‘wäscht, reinigt durch Spülen’, Partiz. snāta-; d(h)-Präs. -snāδayǝn; ai. snāpáyati ‘schwemmt’, snápana- ‘zum Baden dienend (vom Wasser)’; dazu lat. Neptunus oben S. 316;
gr. νήχω, -ομαι ‘schwimme’ (Bildung wie σμήχω, ψήχω u. dgl; idg. gh oder kh); νῆσος, dor. νᾶσος ‘Insel’ als ‘Schwimmer’;
lat. , nāre (*snā-i̯ō) ‘schwimmen’, umbr. snata, snatu Akk. Pl. n. ‘ūmecta’; air. snām ‘das Schwimmen’, cymr. nawf ds., bret. neun̄vi ‘schwimmen’; mir. snāid ‘schwimmt, kriecht, fließt’;
2. auf *snǝ-t- beruht lat. natō, -āre ‘schwimmen, fließt’; ven. FlN Nati-sō(n), *Natusis nhd. Netze; cymr. naid f. ‘Sprung’ (*snati̯ā), bret. n(e)ijal ‘fliegen’, corn. nyge ‘fliegen, schwimmen’, mcymr. dienad (*dī-ro-natā) ‘Tosen des Meeres’, und arm. nay ‘naß, flüssig’;
3. auf sn-et-, *sn-ot- beruht wohl gr. νότος ‘Südwind’ (‘Regenwind’), νότιος, νοτερός ‘naß’, νοτίς f. ‘Nässe’; thrak. FlN Νέστος, S. 759?
4. Neben snā- liegt snāu- und sneu-:
ai. snāuti, Partiz. snuta- ‘triefen, eine Flüssigkeit des Körpers, besonders Muttermilch, entlassen’ (Präs. idg. *snāu-ti oder dehnstufiges *snēu-ti); gr. νά̆ω, Imperf. ναῖον, äol. ναύω ‘fließe’ (*σναϝι̯ω); Ζεὺς νά̄ϝιος (Dodona) als strömend gedacht, wovon νᾱιάς, ion. νηιάς, -άδος, auch νᾱΐς, ion. νηΐς, -ΐδος ‘Bach-, Quellnymphe’, Νηρεύς, Νηρηΐδες (*σνᾱϝ-ερο-, substantiviert wohl in νηρόν· τὸ ταπεινόν Hes., das als ‘Meerestiefe’ zu verstehen sein wird; aber νηρίδας· τὰς κοίλας πέτρας Hes. vielleicht zu ner- ‘eindringen’), reduktionsstufig νᾱρός (*νᾰϝερός) ‘rinnend, fließend’, ναέτωρ· ῥέων, πολύρροος Hes., att. Vok. νᾶτορ m. ‘Strom’, νᾶμα (*νᾰϝεμα) ‘Flüssigkeit, Quelle’, νᾱσμός (*νᾰϝεσμός) ‘Wasserlauf, Quelle, Bach’; mir. snāu, snō ‘Strom’ (*snāu̯ā);
5. von *sneu- aus: νέω (Fut. νεύσομαι) ‘schwimme’, lak. νόα· πηγή, ἔ-ννυθεν· ἐκέχυντο Hes. lat. nūtriō, -īre ‘säugen, nähren’, Ableitung von einem *sneu-trī fem. ‘Milch fließen lassend’;
als d-Erweiterung von sneu- faßt man mir. snūad (auch FlN) ‘Fluß’; ‘caesaries’ (‘*herabfließend’), mhd. snuz ‘Schnupfen’, norw. snott, ags. gesnott n. ‘Katarrh’, aisl. snȳta, ahd. snūzen, nhd. schneuzen, norw. snūt m. ‘Schnauze’, nhd. Schnauze;
mit p: mhd. snupfe, aisl. snoppe ‘Schnupfen’, mhd. snūfen ‘schnaufen’, snūben ‘schnauben’ u. dgl.; nach Wissmann, Nom. postverb. 178 f. sind germ. snub-, snup-, snud-, snut-, snug-, snuk- lautmalend (wie auch snab-, snap-, snad-, snat-, snak-, ebda. 187 f.), nach Johannesson 223 f. gehören sie zu snu- ‘schnauben, pusten’, also zu obigem *sneu-;
mit idg. t: mhd. snudel, snuder, snūde ‘Schnupfen’, ahd. snūden ‘schnauben, schnarchen’, aisl. snyðja ‘schnüffeln, wittern (vom Hund)’, snuðra, snoðra ds.;
ob hierher thrak. νύ̄σᾱ ‘Nymphe’?

WP. I 397, II 692 ff., WH. II 146 f., 172, 190 f., Loth RC. 46, 154 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal