Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snorder - (illegale taxichauffeur die onderweg vrachtjes oppikt)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snorder [illegale taxichauffeur die onderweg vrachtjes oppikt] {1926-1950} < jiddisch sjnorrer [bedelaar], eig. muzikant, van hoogduits schnurren [gonzen, brommen] (vgl. snorren2, schnorrer).

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

snorder: kramer, venter, taxichauffeur zonder vergunning; snorren: los werk zoeken; (aan)snorren: (een mogelijke klant of een wagen) aanspreken, aanklampen; op de snor zijn: kramen, venten | (met dezelfde, typisch Nederlandse, zogenaamde deltavorming, de inlassing van een epenthetische d na n en vloeiklanken, als in diender, polder, porder) wrschl. < Jidd. sjnorrer (zie aldaar).
Het WNT suggereert een eventuele (‘blijkbaar’) afleiding van Ned. snorren: zoeken, speuren, rondsnuffelen, dat een bijbetekenis zou zijn van snorren: suizen, gonzen.
Tot nu toe zijn van snorder in bovenstaande betekenis geen vindplaatsen bekend van voor 1932. Dat maakt herkomst uit joods taalgebruik waarschijnlijk. In de jaren dertig, veertig begint namelijk het overnemen van joodse woorden door verschillende groepen van de niet-joodse bevolking, zonder de bedoeling ze als geheimtaal te gebruiken.

— Als snorder word je wereldwijs
Je zorgt maar voor je eige
Je weet, wanneer je smoeze kan
En wanneer je moet zwijge. (ALLAN PENNING, 1945)
— Gisteravond was ik op de snor met potloden. (H. VAN AALST, 1946)
— Een gaspitje zo klein als de nuttigheid gedoogde en zo groot als de schroom nog niet verbood was tussen hen bij het kleden. En aangezien hij veel eer gereed was dan zij, kon hij, terwijl ze bezig bleef, een aapje snorren. Te middernacht reed ze naar huis, nog niet de kleinste kus van dankbare herinnering hadden ze ten afscheid gewisseld. (F. BORDEWIJK, 1947)
— Wel vond men in een paar oude kisten het volledige dossier van de Kolonne-Henneicke, een groep van vijftig mannen, die onder leiding van de beruchte en door het verzet geëlimineerde Amsterdamse snorder-taxichauffeur Christiaan Henneicke vele honderden joden tegen een beloning van ƒ 7,50 per stuk op eigen initiatief had ingerekend en overgeleverd aan de SD. (MAX PAM, 1989)
— Hij was een van de jongste klanten, en toch al ex-zeeman, ex-bouwvakker, ex-kelner, ex-snorder, ex-paardenslager, ex-kermisbokser, ex-bajesklant - maar het had er alle schijn van dat hij op het spoor was van zijn ware roeping. (KEES VAN BEIJNUM, 1995)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

snorder (Jiddisch schnorrer)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snorder illegale taxichauffeur die onderweg vrachtjes oppikt 1932 [WNT snorren] <Jiddisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal