Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snood - (misdadig; schrander)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sneu bn. (NN) ‘jammer’
Nnl. in de teleurstelling, het was wel wat ‘sneu’, - was, goddank, niet al te pijnlijk [1895; Leeuwarder Courant]; Hij keek sneu en z'n blik zwierf onrustig rond [1906; iWNT zenuw], maar dat vonden ze al te ongezellig, te sneu voor papa [1909; iWNT].
Oost-Nederlandse umlautvorm (zie Schönfeld, par. 41b) met onderscheiden betekenis naast → snood, zoals → bleu 1 naast → blood staat.

snood bn. ‘boosaardig’
Mnl. snode ‘slecht, schamel, armelijk, gering’ in Wie snode dat hi si gegoet ‘hoe gering zijn bezittingen zijn’ [ca. 1340; MNW], snode laken op sijn bedde ‘een armoedig laken op zijn bed’ [1439; MNW], ‘schandelijk, smadelijk, boosaardig’ in Sijn snode herte dat was arch ‘zijn boosaardig hart was slecht’ [1390-1410; MNW-R], snode woorde ‘smadelijke praat’ [15e eeuw; MNW].
Herkomst onduidelijk.
Mnd. snode ‘slecht, schamel, waardeloos’; mhd. snœde ‘id.’; on. snauðr ‘arm, ontbloot van’; < pgm. *snauda-, *snaudi-. Hierbij horen oe. be-snyddan ‘beroven’, on. sneyda ‘id.’ (nzw. dial. snöda ‘verkwisten’) < *snaudjan- en wrsch. ablautend on. *snjóða, op grond van een verl.deelw. snoðinn ‘bijna kaal, dunharig’. Zie → snoeien.
De oorspr. Germaanse betekenis lijkt op grond van de hierboven genoemde woorden ‘ontbloot of beroofd van’.
Volgens NEW horen hierbij verder nog enkele woorden voor ‘snuffelen’, bijv. oe. snydian en on. snoðra, waarbij een betekenisontwikkeling ‘snuffelen’ > ‘happen, grijpen’ > ‘afsnijden’ > ‘kaal maken, beroven’ wordt verondersteld. Uiteindelijk zouden deze woorden dan bij de onder → snuiven genoemde groep horen.
In het Nederlands heeft het woord in de loop van de tijd diverse betekenisnuances gehad. Voor de 16e tot de 20e eeuw onderscheidt het WNT de betekenissen ‘waardeloos; ondeugdelijk; verderfelijk; droevig; hinderlijk; boosaardig’. Het woord heeft tegenwoordig meestal alleen nog de laatstgenoemde betekenis. De betekenis ‘droevig, jammerlijk, ellendig e.d.’ komt terug in de oorspronkelijk Oost-Nederlandse vorm → sneu.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snood1* [misdadig] {snode [schamel (ook van grond), veracht, lelijk, schandelijk] 1350} middelnederduits snode, middelhoogduits snœde, oudnoors snauðr; naast ‘snood’ de oostelijke umlautsvorm sneu; de oorspr. betekenis is waarschijnlijk ‘besneden’, vgl. oudengels besnyððan [beroven], oudnoors sneyða [idem], snoðinn [kaal].

snood2* [schrander] {1642} mogelijk hetzelfde woord als snood1 [misdadig], vgl. voor de betekenis slim.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sneu 2 bnw. ‘teleurstellend, jammer’, vgl. gron. sneu ‘schamel, beteuterd, verlegen, naar, schadelijk’, achterh. sneu ‘snood, sneu’, een vorm van oostelijke dialecten voor snood.

snood bnw., mnl. snôde ‘schamel, gering, arm, waardeloos, ellendig, smadelijk, onwaardig, snood’, mnd. snōde ‘slecht, gering, ellendig, waardeloos’, mhd. snœde ‘verachtelijk, schamel, gering, slecht, ellendig’, on. snauðr ‘arm, kaal’; vgl. verder oe. besnyððan, ‘beroven’, on. sneyða ‘beroven’, nzw. dial. snöda, nde. dial. snøde ‘verkwisten’ en on. snyðia, oe. snyðian ‘snuffelen’; verder on. snoðinn ‘kaal’, mhd. besnoten ‘spaarzaam, krap’ en snoðra, snuðra ‘snuffelen’. — Het woord behoort dus tot de groep woorden met sn-anlaut waarvoor zie: snavel.

Voor de bet. ontw. is er op te letten, dat uit een grondbet. ‘happen, grijpen’ die van ‘afsnijden’ (vgl. snipperen) en van ‘kaal’ konden worden afgeleid en van daar tot de bet. van snood is dan niet ver. Met name die van ‘verachtelijk’ laat zich eveneens aanwijzen in ohd. snuden ‘snuiven, bespotten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snood bnw., mnl. snôde “schamel, gering, arm, waardeloos, ellendig, smadelijk, onwaardig, snood”. = mhd. snœde “verachtelijk, schamel, gering, slecht, ellendig” (en: “met verachting (be)handelend, overmoedig”), mnd. snôde “slecht, gering, ellendig, waardeloos”, on. snauðr “ontbloot van, arm, onopgesmukt”. Oerw.- en ngerm. bet.: “ontbloot (van), beroofd (van), niet bezittend”, oudere bet. wsch. “besneden”. Ndl. sneu is een oostelijke dial.-vorm = ndl. snood: gron. sneu = “schamel, niet welig er uitziend, beteuterd, verlegen, naar, schadelijk (’n sneu bestek “iets naars, schadelijks”), beschamend, sneu”, achterh. sneu = “snood, sneu”. Met ablaut mhd. besnoten (nhd. dial. beschnotten) “krap, karig”, on. snoðinn “kaal”, ags. be-snyððan “berooven”, wsch. ook mnl. snōdel, snȫdel znw. m. “stumperd, domoor”, zelden bnw. “stumperig, onnoozel”; verder on. sneyða “berooven”. Wellicht is de ð formantisch: vgl. on. snøggr “kortharig” (*snawwu-). Als sn- op idg. sqn- teruggaat, is verwantschap met de bij nauw of de bij fnuiken besproken woordgroep of met beide tegelijk mogelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sneu bijv., dial. umlaut van snoo: z. snood.

snood bijv., Mnl. snode + Mhd. snœ̂de (Nhd. schnöde), Ags. werkw. be-snyđđan (= berooven), On. snauđr: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

snood, bn.: gevat, intelligent. Fri. snoad ‘snugger, schrander’. Hetzelfde woord als Ndl. snood ‘kwaad, slecht’, vgl. slim ‘slecht > gevat’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sneu, snood gevat, intelligent (Groningen, Oost-Noord-Brabant). = fri. snoad ‘snugger, schrander’. = nl. snood. Voor de betekenisontwikkeling vgl. slim, waar de bet. ‘gevat’ eveneens uit die van ‘slecht’ ontstond. De gron. eu is het gevolg v.e. umlautsfactor: vgl. mhgd. snoede ‘slecht’.
TNTL XL 103, Hoppenbrouwers 305, NEW 666.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snood ‘misdadig; (verouderd) gering, waardeloos’ -> Duits schnöde ‘ellendig’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sneu* jammer 1910 [WNT]

sneu* meelijwekkend 1989 [Hofkamp&Westerman]

snood* misdadig 1350 [MNW]

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal