Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snijden - (met een scherp voorwerp kerven of scheiden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

snijden ww. ‘met een scherp voorwerp kerven of scheiden’
Onl. snīthan ‘snijden’ in ich sneyth thar minen mirran ‘ik sneed daar mijn mirre’ [ca. 1100; Will.]; mnl. sniden ‘(af)snijden, maaien, kerven, graveren e.d.’ in bosen wille uan den herten ... snjden ‘(de) verdorven lusten van het hart wegsnijden’ [1200; VMNW], Die eene brac. die andre sneet ‘de een brak (het brood), de ander sneed’ [1265-70; VMNW], en bilde dat gesniden of gevarwet is ‘een beeld dat gehouwen of geschilderd is’ [1270-90; VMNW], sniden in .iiij. sticken ‘in vier stukken snijden’ [1282; VMNW].
Os. snīdan (mnd. sniden); ohd. snīdan (nhd. schneiden); ofri. snītha (nfri. snije); oe. snīðan; on. sníða (nzw. snida); got. sneiþan; alle ‘snijden, afsnijden, maaien e.d.’, < pgm. *snīþan-.
Verdere etymologie onbekend. Men kan weliswaar pie. *sneit- (LIV 574) reconstrueren, maar er zijn buiten het Germaans geen zekere verwanten, behalve misschien Oekraïens snit ‘blok’, Oudtsjechisch snět ‘dikke tak’ (< pie. *snoit-). Er is betekenisovereenkomst met een Keltische wortel *snad-, waarbij Oudiers snaidid en Welsh naddu ‘(af)snijden’; maar deze wijst op pie. *sned(h)- (LIV 571) en is niet met de bovengenoemde Germaanse vormen te verenigen; overigens wel met ohd. snat(t)a ‘striem, litteken’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snijden* [met een scherp werktuig scheiden] {sniden 1200} oudsaksisch snithan, oudhoogduits snidan, oudfries sniða, oudengels sniðan, oudnoors sníða, gotisch sneiþan; buiten het germ. worden vergeleken oekraïens snït [houtblok], tsjechisch snět [tak], middeliers snéid [kort, klein, snel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snijden ww., mnl. snīden, os. snīthan, ohd. snīdan (nhd. schneiden), ofri. snītha, oe. snīðan, on. snīða, got. sneiþan. — Verbindingen buiten het germ. zijn onzeker; mogelijk iers sneid ‘klein, kort’, klruss. snït ‘houtblok’, tsj. snět ‘tak’ (IEW 974). - — Wij mogen dan uitgaan van een wt. *snei, waarnaast *sneu stond (zie: snood en snugger). Deze wortels behoren tot de grote groep van woorden, die met sn- beginnen en die als grondbegrip ‘scherpe punt, neus, snavel’ hebben. De bet. van snijden zou dus kunnen zijn ‘tot een scherpe punt afsnijden’, vgl. ook in dit verband: snoeien en verder: snede.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snijden ww., mnl. snîden. = ohd. snîdan (nhd. schneiden), os. snîthan, ofri. snîtha, ags. snîðan, on. snîða, got. sneiþan “snijden” (en daaruit ontstane bett.). Mogelijke combinaties: met ier. snêid “klein” (*snei-ti-), — met čech. snĕt “tak”, klruss. snït “blok”. Of van een idg. basis sqni-t- en hoogerop met snip verwant? Zie nog snede.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snijden o.w., Mnl. sniden, Os. snîthan + Ohd. snidan (Mhd. sniden, Nhd. schneiden), Ags. sníden, Ofri. snítha, On. sníđa, Go. sneiþan: oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

snije (ww.) snijden; Vreugmiddelnederlands snithan <1100>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

snijden, (onoverg.; sneed, is gesneden), breken, kapot gaan (draad, touw, ketting e.d.). Je moet de langste belt* nemen, die je kan vinden. No frigiti (vergeet het niet), want deze kan elk moment snijden (B. Ooft 1969: 34). Het kabaal dat b.v. gemaakt wordt in de bioscoop wanneer de film is ’gesneden’ is oorverdovend (Dobru 1967: 8). - 2. (overg.; sneed, heeft gesneden), (voetbalterm) passeren, omspelen. 3. (sneed, heeft gesneden), doorsnijden van het leidsel* van een staande vlieger bij een vliegerwedstrijd die stré-koti (S) genoemd wordt. Het onderwerp kan zijn de vlieger die dit doet, de oplater van deze laatste, de staart, een glasscherf o.i.d. aan deze. De vliegers van allerhande vorm worden vaak prachtig opgetuigd en van een brommer* en een lange staart voorzien, waarmee men bij wedstrijden probeert de tegenstanders te ’snijden’ of anders zo hoog mogelijk te komen (A.M. Bueno d.M. in Helman 1977: 61). - Etym.: S koti = AN s. en SN bet. 1. - Zie ook: breken*.
— : de mond snijden, in de rede vallen. Ma’ mama, is daarover wou ik gaan praten toen mama me de mond heeft gesneden (Cairo 1976: 18). - Etym.: S koti mofo (koti = o.m. AN snijden, hier ’afsnijden’; mofo = mond).

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

snijden: ritueel slachten

Zie ook scheschten, sjesjten, sjuchten

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

snijden. In West-Brabant komt de verwensing voor zij moesten de tong uit zijn stinkende strot snijden! De emotionele betekenis duidt op minachting en kan weergegeven worden met ‘rot op’.

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

[Nederlandse woorden in joodse omgeving]
snijden in Joodse kringen gebruikt: v. jidd. scheschten.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

[Judaeo-Nederlands]
snijden in Joodse kringen gebruikt: met verenging van de betekenis = ritueel slachten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snijden ‘met een scherp werktuig scheiden’ -> Zweeds snickra ‘timmeren’ (uit Nederlands of Nederduits); Creools-Portugees (Ceylon) sny ‘een pen maken of bijsnijden’; Negerhollands sni, śini, snie ‘met een scherp werktuig scheiden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snijden* met een scherp werktuig scheiden 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1048. De kaas snijden,

d.w.z. royaal doen, geuren, pronken, naast 'm snijden, er netjes uitzien. Zie Harreb. I, 372; Onze Volkstaal II, 120; Volkskunde XXII, 87; Woordenschat, 536: kaassnijer (mil.), een klein burgerlijke dandy; Antw. Idiot. 634: kaassnij(d)er, stoffer, pocher, windmaker; Schoolm. 240:

Ja, trotsche menschEen kaaskooper te paard., dit moet gij weten,
Gij, die de kaas snijdt op uw paard,
Gij kunt geen klein Edammertje eten
Of t' is u door de koe gebaard.

Vermoedelijk wil de uitdrukking zeggen: hij snijdt de kaas dik, met hompenVgl. de uitdr. hij snijdt de kaas met hompen, hij is een baas, een piet, een heel heer; Het Volk, 25 Nov. 1915, p. 1 k. 1: Ja, - de sociaal-democratische theorie is wèl verderfelijk gebleken voor de arbeidersklasse sinds Amsterdam twee rooie wethouders heeft! Want als deze twee ‘volksverrajers’ er niet waren, zouden de ‘arrebeiers’ in Amsterdam allang de kaas met hompen gesneden hebben.; daarna hij schept op (zie aldaar), doet zich mooi voor, is een branie. Zie Ndl. Wdb. VII, 733.(Aanv.) Vgl. in de 16de eeuw bij R. Visscher de kaas dick (te grof) snyen, pralen, geuren (V.d. Laan, R. Visscher II, 114).

1215. Gesneden koek,

eig. zoete koek die reeds aan plakjes gesneden isVgl. Boekenoogen, 961: Snijkoek, zoete koek, die aan plakjes gesneden wordt. en die men zoo maar kan gebruiken; vandaar bij overdracht van iets dat kant en klaar is of waar geen moeilijkheden meer aan verbonden zijn; vgl. Dievenp. 16: De rechercheur heeft te zorgen dat het heele zaakje als gesneje koek voor de heeren komt; Het Volk, 21 Oct. 1913, p. 5 k. 1: De lafste zinneloosheden gingen er in als gesneden koek (vgl. no. 1187); Nest, 66: Dat alles moet gesneden koek voor je zijn. In Zuid-Nederland gesne(d)en brood, gemakkelijke, licht uitvoerbare taak (Antw. Idiot. 303).

1929. Het is goed riemen snijden uit een andermans leer,

d.w.z. men kan gemakkelijk met het geld van een ander royaal zijn, onbekrompen uitgaven doen; het is goed spinnen met een andermans garen. Vgl. Bouc van Seden, vs. 537:

 Dune moets uut ander mans siden
 Ne gheene breede riemen sniden.

Zie verder Coninx Somme, 430: Uut ander lude leder sneden si brede riemen; Goedthals, 29: men snyt breede riemen wt ander lieden rugge; Prov. Comm. 776: wt vremder huyt snijtmen breede riemen; Campen, 111: wt ander luyde leer is guet rijmen snijden; Winschooten, 207; De Brune, Bank. I 337: uyt een anders kasse is 't licht geld te tellen; V.d. Venne, 229: wt ander luyden vleys is 't goet hackten snijden; Cats I, 429: 't is licht groot vuur maken van een anders turf (Harreb. II, 348 b); Halma, 539; Afrik. Van 'n andermans se vel (leer) breë rieme sny; Joos, 86, 175; De Cock1, 224: het is goed spinnen van een andermans garen; Suringar, Erasmus L, waar meer dan veertig varianten worden opgegeven; Ndl. Wdb. XIII, 113; Bebel, no. 245; mlat. corrigias exide alieno in tergore largas. Voor het ndd. vgl. Taalgids V, 176 en voor het hd. Wander II, 438: aus fremdem Leder ist gut Riemen schneiden; fr. du cuir d'autrui large courroie; fri. fen in oarmans lear ist goed riemen snijen. (Aanv.) Vgl. mlat. de cute non propria scinditur absque bria (= mensura).

2227. Het (tafel)laken doorsnijden,

d.w.z. de gemeenschap, den omgang met iemand afbreken; een verbond (politiek) verbreken; zie Handelsblad, 24 Juli 1917 (A), p. 1 k. 1: Hij (Michaelis) heeft het tafellaken tusschen zich en de jonkerpartij nog niet doorgesneden; 5 Dec. 1921 (A), p. 5 k. 2: De socialisten in België hebben gisteren in hun congres het tafellaken doorgesneden tusschen zich en de burgerlijke partijen, waarmee zij tot voor kort een coalitie hebben gevormd; Nw. Amsterdammer, 14 Sept. 1918, p. 1 k. 2: Dit zegt de man (de Duitsche keizer), die in hetzelfde Westfalen het tafellaken doorsneed tusschen socialistische arbeiders en zich zelf; De Vrijheid, 5 Sept. 1923, p. 2 k. 1: O, we weten dat de oorlog het laken heeft doorgesneden tusschen verleden en toekomst; Nkr. IX, 27 Nov. p. 2: Mijnheer Tellegen, tusschen u en mij is het tafellaken doorgesneden!; hd. zwischen uns ist das Tischtuch zerschnitten. Wellicht herinnert dat gezegde aan het vroegere symbolisch gebruik bij echtscheidingen, waarbij de man en de vrouw een linnen doek zoo doorsneden, dat ieder een deel er van hield. Zie Grimm, Rechtsalterthümer, bl. 454. In de geschiedenis wordt meermalen van het doorsnijden van het tafellaken melding gemaakt.

2274. Hij is wel (of goed) van den tongriem gesneden,

d.w.z. hij kan goed praten, babbelen, hetzelfde als: hij is van de spanader (-aard) (hd. Spannader) gesneden. Syn. van hij kan goed zijn mondplaat roeren (in Jord. 134); hij heeft een goede klep (Claes, 113); hij is niet onbesneden van lippen (zie Exod. VI, 11); hij heeft zijn bakkes ingesmeerd (in Antw. Idiot. 1556); hij kan zijn blad laten gaan (Antw. Idiot. 246). Beide woorden tongriem en spanader (vgl. mnl. bintadere?) beteekenen een zenuw, een band onder de tong, die bij sommige kinderen doorgesneden wordt, wanneer de tong zich niet vrij genoeg kan bewegen en de spraak belemmerd wordt. Vgl. Kiliaen: Span-ader onder de tonghe: linguae vinculum aut impedimentum, nodus linguae: nervus brevior linguam adstringens vulgo filum linguae; De Bo, 1062: ‘Men moet sommighe kinderen de tonghe eensdeels los maecken ende slaken van eenighe banden te seer nae in 't paleys (verhemelte) des mondts bindende ende spannende: d'welk men uyt sulcks oock de span-adere heet’ (aangeh. uit J. David, Christ. waerseggher, Antwerpen, 1604Zie ook Nederl. Volksboeken V, 217: Dat hi niet spreken en can, dat coemt bij der spanader die hi heeft die hem noch niet gesneden en is gheweest, maer wildi mi helpen ic sal u wel maken dat hi aen sijn sprake comen soude. Ende doen namen si den wilde man ende sneden hem van dye spanader ende mettien began hy te spreken.). In de 17de eeuw is de uitdr. zeer gewoon; zie Hooft, Brieven, 133 en 413; Westerbaen II, 700; J. Zoet, 7; Antonides, 25; Lichte Wigger, 18 r: Jij kent louter kakelen, die jou van de tong-riem ghesne'en heeft, heit sijn geld wel verdient; Rabelais I, 627: Sy wierd door de konst van den geneesheer en heelmeester geholpen, naa datse haar van den tongriem gesneeden hadden. Zoo haast zy de spraak nu bekoomen had, deedse niet dan snappen, rabbelen, kaakelen en kibbelen; Paffenrode, 187: Je bent niet qualijk van de tongreep gesneeden moer, me sou je voor mondig mogen trouwen; Van Effen, Spect. VI, 151; Halma, 646: Zij is wel van den tongriem gesneeden, zij kan haar woord heel wel doen; Sewel, 791: Zy is wel van de tongriem gesneeden, she is not tongue-tied; Tuinman I, 335; Harreb. II, 219; Gron. 181; De Arbeid, 9 Mei 1914, p. 1 k. 1; Zondagsblad v. Het Volk, 2 Mei 1914, p. 1 k. 2; Nkr. VII, 30 Aug. p. 5; enz.; fri. hy is goed fen 'e tongriem snein. Voor Zuid-Nederland zie nog Joos, 104; Waasch Idiot. 611; Antw. Idiot. 1150: van den spannaard gesneden zijn, wel ter taal zijn; 1252: onder zijn tong gesneden zijn, gemakkelijk praten; De Bo, 429 a: iemand van den hijg (huig) snijden, van iemand die onduidelijk en moeilijk spreekt, wiens woorden in de keel blijven steken; Loquela, 196; Rutten, 211 b: hij moet het spanaar niet gesneden worden, hij klapt veel en gemakkelijk; Volksk. XXVI, 188; voor het Nederd. vgl.: em is de Kêkelrêmen snîden (Eckart, 253; Ten Doornk. Koolm. II, 156 b en III, 447 a: de tungrêm is hum gôd löstHooft, Ned. Hist. 1027, zegt van koningin Elisabeth dat haar de tong wonderwel hing; vgl. Coster, 44 vs. 1013; Halma, 646: De tong is haar wel gehangen, zij is wel ter taale; Sewel, 791; het fr. avoir la langue bien pendue; eng. to have one's tongue well hung.); Korrespbl. XXXV, 68: Den is de Kekelremen god sneden (Hamburg); fr. avoir la langue bien affilée, déliée; couper le filet à qqn; hd. jem. die Zunge lösen.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sneit- ‘schneiden’, snoito- ‘Abgeschnittenes’

Got. sneiþan, aisl. snīða ‘schneiden, ernten’, ags. snīðan ‘schneiden, hauen’, as. snīthan, ahd. snīdan ‘schneiden’; aisl. sneið ‘abgeschnittenes Stück’, mhd. sneite ‘durch den Wald gelegter Durchhau’ u. dgl.; ahd. snit ‘der Schnitt’, mhd. snīde ‘Schneide’, Intensiv. *snittōn in mhd. snitzen ‘schnitzen’; aisl. sneis ‘kleiner (abgeschnittener) Zweig’, ags. snǣs, snās ‘Spieß, Speiler’, mhd. sneise ‘Reihe, Schnur, worauf etwas gereiht wird’ (*snoid-tā);
klr. snït ‘Klotz’, čech. snět ‘Ast’ (*snoito-s); vgl. vielleicht mir. snéid ‘klein, kurz’, falls aus air. *snéith?

WP. II 695 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal