Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snerpen - (een schril, snijdend geluid maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

snerpen ww. ‘een schril, snijdend geluid maken’
Vnnl. in Trouwe, zijne reeden snerpen; Soo weet hij 't hun in te scherpen ‘voorwaar, zijn woorden striemen; zo weet hij het hun in te prenten’ [1613; iWNT], Zijne reeden snerpen ‘zijn hersens pijnigen’ [1623; iWNT], Hoe sou dat dingh snappen en snerpen en snarren! (over een gitaar) [1656; iWNT]; nnl. Als eens 't Decemberweer In 't aanzicht snerpt [ca. 1710; iWNT].
Ohd. snerfan ‘verschrompelen, verkrampen’ (mhd. snerfen); nno. dial. snerpa ‘verschrompelen’; < pgm. *snerpan-. Daarnaast het causatief snarpijan- ‘doen samentrekken’, waaruit: nde. snerpe en nzw. snärpa ‘id.’. Het Nederlandse, zwak vervoegde of later zwak geworden werkwoord snerpen kan op beide vormen teruggaan. Hierbij horen wrsch. ook pgm. *snarpa- ‘scherp, grof, ruw’ (on. snarps, nno. snarp) en met nultrap *snurpijan- ‘samentrekken’ (nhd. dial. schnurfen, nno. snyrpa).
Verdere herkomst onbekend.
In betekenis en gedeeltelijk in klank komt het woord overeen met nerpen en snerken, als in De winter te meerder nerpende ‘toen de winter des te meer snerpte’ [1562; iWNT nerpen]) en Mijn leden, die mi doodelic snercken ‘mijn lichaam, dat mij heftig pijn doet’ [1539; iWNT snerken]. Misschien zijn dit klankexpressieve varianten; zie ook knerpen onder → knarsen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snerpen* [een pijnlijk aandoend geluid maken] {1623} oudhoogduits snerfan; vermoedelijk klanknabootsend gevormd, vgl. snerken, snurken, snorren1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snerpen ww. ‘pijnlijk striemen, schrijnen; een schril geluid voortbrengen’, eerst sedert de 17de eeuw bekend, vgl. ohd. snerfan ‘samentrekken; verschrompelen’, waarnaast abl. schnurfen = nnoorw. dial. snurpa. Daarentegen betekent on. snerpa (< *snarpjan) ‘scherp maken’ en got. atsnarpjan ‘aanraken’. Te verbinden met on. snarpr ‘scherp, grof, ruw’. — Formeel is te vergelijken arm. snerb ‘eng, smal’ (H. Schröder, IF 17, 1904, 461).

Men kan uitgaan van een grondvorm *snerb, afl. van *(s)ner, waarvoor zie: snaar. Dat geldt vooral voor bet. als ‘verschrompelen’. (IEW 976). Het is echter mogelijk, dat men in de bet. ‘een snerpend geluid maken’ eerder moet denken aan een klankwoord, evenals snerken en snerten, die alle tot de groep van snorren behoren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snerpen ww., nog niet bij Kil. Uit *snarpian òf = ohd. snërfan “samentrekken” (trans.), noorw. dial. snerpa “samenkrimpen, verschrompelen”, waarbij met ablaut bei. schnurfen, noorw. dial. snurpa “id.” en on. snarpr “scherp, ruw”. Vgl. nog westf. snirpsch “scherp (van den wind)”. Evenals er bij scherp twee bases onderscheiden werden met de bett. “scherp zijn” en “schrompelen, rimpelen”, zouden wij dat ook hier kunnen doen. Evenwel zijn de bett. van germ. snaxrp- veeleer onder den invloed van skaxrp- opgekomen, eventueel van nog andere rijmende bases: vgl. ohd. sarf “scherp, ruw, wild”. Als got. at-snarpjan “aanraken, proeven” terecht met snerpen wordt gecombineerd, zou deze bet. dichter bij de oorspronkelijke kunnen staan; evenwel kan dit woord ons geen goede etymologie aan de hand doen. De betrekkingen, waarin snaxrp- tot auslautvarianten staat (vgl. on. snerkja, ags. ge-sneorcan “ineenschrompelen”, oud-nnl., nog vla. snerken “schrijnen”, laat-mnl. oudnnl., nog dial. snerken “een scherp geluid doen hooren, snauwen, hoonen, knetteren, braden”, vla. snerten “een scherp geluid maken, opengaan (de huid van zweet e.dgl.))”, maken de beoordeeling niet gemakkelijker. De tusschen haakjes geciteerde vormen staan deels met snorren in ablaut.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

snerpen. Tenminste sedert de 17e eeuw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snerpen ono.w., dial. snerken, snerten + Ohd. snerfan (Mhd. snerfen), Ags. gesneorcan (= samenkrimpen), On. snarpr (= scherp, pijnlijk), snerkja (= samenkrimpen); vergel. nerpen. Uit de oorspr. bet. ontwikkelt zich die van bij het samenkrimpen geluid maken of pijn doen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

snerven (GG: B), ww.: snerpen, pijn doen. Var. van snerpen, zie snerken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snerpen* een pijnlijk aandoend geluid maken 1623 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)nerb- ‘schneiden’?

Gr. νορβεῖ· ἐνταμεῖται, νορβά· καλή Hes. (wie nhd. ‘schneidig’?); auch got. at-snarpjan ‘anfassen’?; aisl. snarpr ‘scharf, hart, uneben’, snerpa ‘schärfen’, ndl. snerpen ‘beißen (von Wunden), schmerzen’, westfäl. snirpsch ‘scharf (vom Wind)’; ahd. snerfan ‘zusammen ziehen’; ohne s-: nisl. norpa ‘frieren’.

WP. II 701;ob zu obigem sner-b- (sner-2)?

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal