Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smullen - (met welbehagen eten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

smullen ww. ‘met welbehagen eten’
Vnnl. smullen ‘met welbehagen tot zich nemen’ in Of icse noode, en zaudse niet willen commen smullen? ‘als ik haar uit zou nodigen, zou ze dan niet willen komen smullen?’ [begin 16e eeuw; MNW], wilt niet dyncken dan om te smullene ‘wil nergens anders aan denken dan aan smullen’ [1509; iWNT], Dan moechdijse smullen “met appetijte, ..., den heresijte” ‘dan kun je haar, de ketterij, met veel genoegen tot je nemen’ [ca. 1540; iWNT vrame], smullen ‘lekker eten, brassen, slempen’ [1588; Kil.], Als sy haer meugh hadden ghedroncken, En haer wel sat hadden ghesmult ‘toen zij naar hartelust hadden gedronken, en zich helemaal vol hadden geschranst’ [1610-19; iWNT].
Daarnaast ook al in de 16e eeuw een zn. smul ‘iemand die van lekker eten houdt’ in den dicken botten smul ‘de dikke domme smulpaap’ [1539; iWNT smul I] en Een jongh meysken ende ouden smul (‘ouwe snoeper’) dats alle jare eene wieghe vul [1568; MNW smul]; Godev. Smul [1579; Debrabandere 2003].
Herkomst onduidelijk. Mogelijk ontleend aan Nieuwnederduits smullen ‘eten dat het vet uit de mond druipt, met welbehagen eten’, dat eveneens is overgenomen als Hoogduits schmullen (Grimm). In de oudste attestaties wordt er bij het smullen vooral genoten van drank en het liefdesspel, terwijl de huidige hoofdbetekenis ‘met welbehagen eten’ pas vanaf de 17e eeuw lijkt op te komen. Het woord kan daarom ook afgeleid zijn van vnnl. smul ‘warm, heet, gloeiend’ [1588; Kil.] en ‘dronken’ (via ‘gloeiend van de drank’) als in Wy willen ons van blijschappen gaen drincken smul [1556; iWNT smul IV], smul van drancke ‘dronken’ [1588; Kil.]. Kiliaan geeft als vormvarianten smul, smoel, soel, bijv. in s(m)oel weder ‘warm, zwoel weer’ [1588; Kil.]. Smul en smoel zijn mogelijk expressieve en daardoor niet-klankwettige varianten van vnnl. s(w)oel (nnl. zwoel), maar waarschijnlijker is afleiding van vnnl. smeulen, smoelen ‘zacht branden, gloeien’, zie → smeulen.
Verband met Middelhoogduits smollen ‘klaplopen’ of met vnnl. smuylen ‘glimlachen’ (verwant met Engels smile) is niet aan te tonen.
smulpaap zn. ‘iemand die van lekker eten houdt’. Vnnl. in Se meugen 't soo wel, als ... de beste smulpapen [1660; iWNT veger]. Samenstelling van smullen en paap ‘rooms-katholiek geestelijke’, een oud leenwoord uit middeleeuws Grieks pap(p)as ‘lagere geestelijke’, zie → paus. Paap werd sinds de Hervorming veelal als schimpwoord opgevat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smullen* [met welbehagen eten] {1501-1525 in de betekenis ‘slempen, brassen’; vgl. smul [smulpaap] 1539} nederduits smullen [eten, vuil maken], middelhoogduits smollen [klaplopen]; wel een relatief jonge vorming, die kan zijn ontstaan in associatie met woorden als (bij Kiliaan) smodderen [smullen] {1599} (verwant met modder), smakken, smikkelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smullen ww., sedert de 16de eeuw, mogelijk < nnd. smullen, vgl. smollen ‘klaplopen’. Formeel af te leiden uit *smuð-lōn en dan bij de groep van smodderen, vgl. het gewestel. smullig ‘smerig, smoezelig’. Terecht merkt FW 629 op, dat men bij zulke woorden beter niet van germ. grondvormen uitgaat, maar dat het affectieve karakter daarvan varianten van allerlei aard heeft doen ontstaan. Het is echter geraden om het nhd. schmollen hiervan geheel gescheiden te houden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smullen ww., sedert de 16. eeuw. = ndd. smullen “id.”, mhd. smollen “klaploopen”. Identisch met ndd. smullen “smeren, vuil maken”; voor de bet. zie bij smodderen en vgl. Kil. smuysteren “(be)smeren” (zie smoezelen II), nhd. schmaus m. “smulpartij”. Evenwel moeten we voor smull- niet van germ. smuz-l- uitgaan; veeleer zijn al deze woorden jong evenals de basis van smodderen. Er zijn wsch. associatieve betrekkingen aan te nemen tusschen smullen en de woordfamilie van hd. schmollen “pruilen”, mhd. smollen “id., glimlachen”, waarnaast ook vormen met smū̆s- voorkomen (zie meesmuilen). Vgl. ook Kil. smoel, smul “dronken” (en “zoel”, zie smeulen).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

smullen (Nederduits smullen)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smullen ‘met welbehagen eten’ -> Deens † smøl ‘het genieten van eten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smullen met welbehagen eten 1501-1525 [MNW] <Nederduits

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

smullen!; dat wordt —!, leuk!; dat wordt leuk! Informeel; sinds het eind van de jaren zeventig.

Let op, de volgende ‘prominent’ wordt Henk van Os, de directeur van het Rijksmuseum, die een link gaat leggen tussen de electronic superhighway en de oude meesters. Hmm, dat wordt smullen! (HP/De Tijd, 03/11/95)
Als de woordenstrijd hoog oploopt, gebiedt Sangma het tv-beeld en het geluid weg te draaien. ‘Camera’s off!’ Smullen. (Trouw, 18/04/97)
Uitgeverij De Harmonie bestaat 25 jaar en heeft als jubileumboek maar liefst duizend-en-één tekeningen van Peter van Straaten gebundeld. Dat is natuurlijk smullen, maar biedt ook de kans om op zoek te gaan naar terugkerende thema’s binnen al die variaties op ‘zo zijn onze manieren’. (Elsevier, 26/07/97)
Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

meu-1, meu̯ǝ- : mū̆- ‘feucht, moderig, netzen, unreine Flüssigkeit (auch Harn), beschmutzen’, auch ‘waschen, reinigen’, mu-dlo- ‘Waschmittel’, mū̆-tro- ‘Schlamm, Sumpf’

A. Ai. mū́tra- n. ‘Harn’, av. mūθra- n. ‘Unreinigkeit, Schmutz’ (: mnd. modder usw.);
arm. -moyn ‘plongé dans’ (*mou-no-);
gr. kypr. μυλάσασθαι ‘sich waschen’, Hes. (*mū-dlo-);
mir. mūn m. ‘Harn’; mūr ‘Schlamm’;
vielleicht (?) ndl. mooi, mnl. moy, nd. moi(e) ‘schön’ (*mou-i̯o- ‘gewaschen’);
lett. maût ‘untertauchen, schwimmen, saufen’, apr. aumūsnan ‘Abwaschung’, Kausat. (Iterat.) lit. máudyti, lett. maudât ‘jemanden baden’, lit. máustyti ds.; lett. mudêt ‘weich, schimmligwerden’;
abg. myjǫ, myti ‘waschen, spülen’, mylo (urslav. čech. usw. mýdlo-) ‘Seife’;
mit. anl. s- lett. smaũlis ‘ein schmutzig gewordener’, smulêt ‘besudeln’, smulis ‘ein Schmutzfink’;
poln. klr. muł ‘Schlamm’, russ. dial. múlitь (vódu) ‘(Wasser) trüben’ (mou-lo-); Formen mit r-Suffix, bzw. r-Erw. s. unten;
aus *mu-n-d-os (-d- zur Wurzelerw. meu-d-) in der Bed. ‘gewaschen’ auch lat. mundus ‘schmuck, sauber, rein, nett’, Subst. ‘Putz der Frauen; Weltordnung, Weltall’ (nach gr. κόσμος);
B. Erweiterungen:
1. meu-d-; mud-ro- ‘munter’ (vgl. ‘feucht-fröhlich’).
ai. mudirá- m. ‘Wolke’, lex. auch ‘Frosch’; dazu ai. mṓdatē ‘ist lustig’, mṓda- m., mōdana- n. ‘Lust, Fröhlichkeit’, av. maoδanō-karana- ‘Wollust bereitend’, ai. mudita ‘froh’, av. a-hǝ̄musta- (*a-sam-musta-) ‘dessen man nicht froh werden kann, widerwärtig’, ai. mud-, mudā ‘Lust, Freude’, mudrá- ‘lustig’;
gr. μύζω (*mudi̯ō) ‘sauge’, μύδος m. ‘Nässe, Fäulnis’, μυδάω ‘bin feucht, faul’, μυδαλέος ‘feucht’ (hom. ῡ durch metr. Dehnung, wonach jünger μῡδαίνω ‘bewässere’);
lat. mundus (s. oben meu-);
mir. muad (*moudo-) ‘rein, stolz’;
mnd. mūten ‘das Gesicht waschen’, ahd. muzzan ‘putzen’, schwed. dial. muta ‘fein regnen’, ndl. mot ‘feiner Regen’; mit anl. s- engl. smut ‘Schmutzfleck’, mhd. smuz, nhd. Schmutz, mengl. smotten, smoteren ‘besudeln’;
lit. mudrùs, lett. mudrs ‘munter’ (: ai. mudrá-), lit. mùdrinti, lett. mudît ‘antreiben’.
Von einem -es-St. m(e)udes- sind abgeleitet:
Lat. mustus (*muds-to-s) ‘jung, frisch, neu’ (ursprüngl. ‘naß, feucht’); gr. μύσος (*μυδσος) n. ‘Befleckung, Makel’; μυσαρός ‘ehrlos’; air. mossach ‘unrein’ (*mud-s-āko-), cymr. mws, bret.mous ds.; ndd. mussig ‘schmutzig’; russ. múslitь ‘begeifern, besabbern’, musljákъ ‘Sabberer, unsauberer Mensch’.
2. meug-, meuk- ‘schlüpfrig’ s. unter bes. Schlagworte.
3. meu-r(o)- usw.:
Arm. mōr ‘Schmutz, Sumpf’ (*mǝu-ri-?), mrur ‘Bodensatz’ (*murur); gr. μύ̄ρω (*μυρι̯ω), μύ̄ρομαι ‘fließen lassen, weinen’, ἁλι-μῡρήεις ‘ins Meer fließend’; ob hierher μῡρίος ‘unendlich’, μύριοι ‘10.000’? lat. muria ‘Salzlake’? lit. murstu, mùrti ‘durchweicht werden’, m. Pl. mauraĩ ‘Entengrün’, lett. maũrs m. ‘Rasen’, lit. máuras ‘Schlamm’, ablaut. mùras m. ‘Schmutz’, lett. murît ‘besudeln’; russ. mur m. muráva f. ‘Wiesengras’, dial. ‘Schimmel’, múryj ‘dunkelgrau’, usw.; vgl. S. 741 mir. mūr ‘Schlamm’.
4. meus-, musós, woraus mūs, musós, Wurzelnomen ‘Moos, Schimmel’.
Ahd. ags. mos n. ‘Moos, Sumpf’, aisl. mosi m. ds., hochstufig ahd. mios, ags. mēos ‘Moos, Mies’, aisl. mȳr-r f. (*meuz-ī-) ‘Moor, Sumpf’; lit. mūsaĩ m. Pl. ‘Schimmel auf saurer Milch’, ablaut. mùsos f. Pl.; abg. mъchъ ‘Moos’ (*musos), nbulg. muchъl ‘Schimmel’; dazu vermutlich arm. mamur ‘fucus, alga, muscus, situs’ (*memus-ro-).
5. Mit formantischem Guttural: lat. muscus m. ‘Moos’; norw. dial. musk ‘Staub, feiner Regen, Dunkelheit’, dän. dial. musk ‘Schimmel’, mndl. mosch, mosse ds.; aksl.; muzga (*mouz-gā) ‘Lake, Weiher’, russ. mzgnutь ‘verderben’, mozgnutь ‘abmagern’, abg. mъžditi ‘schwächen’, russ. mozgъ ‘regnerisches Wetter’, možšitь ‘einweichen’.
6. meut-:
arm. mut’ ‘dunkel; Dunkelheit, Nebel’, mt’ar ‘dunkel’; mir. mothar ‘Dickicht, dichte Masse’, nir. ‘Sumpf’ (*mutró- =)
mnd. modder ‘Schlamm’ = md. moder ‘verfaulender Stoff, Sumpf’ (nhd. Moder, echt nhd. Essig-, Weinmutter), engl. mother ‘Hefen’ (*mutro-); engl. mud ‘Schlamm’, mnd. mudde ‘dicker Schlamm’ (holl. modde), md. mot (-tt-) ‘Torferde, Morast’ (schweiz. mott ‘Torf’), ostfries. mudden ‘beschmutzen’, muddig ‘schmutzig’, schwed. modd ‘Schneeschmutz’, dial. muddig ‘schmutzig’;
mit anl. s- mnd. afries. smudden ‘beschmutzen’, ndd. smudden ‘fein regnen’, wfläm. smodder ‘Morast’, mengl. smod ‘Schmutz’, smudderen, ndl. smodderen ‘schmutzen’, älter ndl. auch ‘schmausen’ (ursprüngl. ‘unreinlich essen und trinken’; so auch ostfries. smūs, nhd. Schmaus, älter ndl. smuisteren ‘schmausen’ und ‘beschmieren’, nd. ndl. smullen ‘schmausen’ und ‘sudeln, beschmutzen’ wohl aus *smuð-lṓn; lit. smũtnas ‘traurig’ stammt aus poln. smutny ds. (Vasmer brieflich).

WP. II 249 ff., WH. II 126 f., 130, 134, 136, Trautmann 172, 188, 190 ff., Specht Indog. Dekl. 65, 257 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal