Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smoren - ((doen) stikken; op zacht vuur gaar (doen) worden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

smoren ww. ‘(doen) stikken; op zacht vuur gaar (doen) worden’
Mnl. in de afleiding versmoren ‘door verstikking (en bij uitbreiding ook op andere manieren) om het leven brengen’ in (si) spouwen hur in sijn oghen. So menech warf hi ne const ghedoghen. Ende versmordene der mede ‘zij spuwen Hur in zijn ogen, zo vaak dat hij het niet kon verdragen, en zij verstikten hem daarmee’ [1285; VMNW], datment in olie versmort ‘dat men hem (de schorpioen) in olie onderdompelt’ [1287; VMNW], dan ook smoren ‘door verstikking (enz.) om het leven komen of brengen’ in om datter in es waters berste, smoort van eweliken derste ‘omdat daar een gebrek aan water is, stikt het (dier) van de aanhoudende dorst’ [ca. 1375; MNW], Also wort die levendige geest, die geen voedinge en heeft, gesmoort [1485; MWN]; vnnl. smoren ook ‘op een zacht vuur gaar doen worden’ in een goede vette (h)inne om te smoorene ‘een goede dikke kip om te smoren’ [1555-60; MNW].
Mnd. smoren ‘smoren’ (vanwaar door ontlening nhd. schmoren ‘(vlees) smoren’); nfri. smoare ‘id.’; oe. smorian ‘doen stikken’, vanwaar een zn. me. smorðer ‘walm, verstikkende rook’ (ne. smother ‘id.’) met een bijbehorend ww. me. smorðren ‘verstikken’ (ne. smother ‘id.; uitdoven’).
Herkomst onduidelijk. Er zijn geen verwante woorden buiten het Germaans. De wortels *smur-, *smul- (als in → smeulen) en *smuk- (als in mnl. smoken ‘walmen, laten roken’, mnd. smoken ook ‘door rook doen stikken’, nfri. smoke ‘roken’, oe. smocian ‘id.’ > ne. smoke) hebben dicht bij elkaar liggende betekenissen en lijken op een gemeenschappelijke oorsprong te wijzen.
Bij smoren ‘doen stikken’ ontstonden diverse afgeleide en overdrachtelijke betekenissen, zoals ‘uitdoven’, ‘(vlees) in een gesloten pan gaar laten worden’, ‘(een geluid, een gevoel, een handeling e.d.) doen ophouden’, en onovergankelijk ‘(van organische stoffen) broeien’. In de samenstellingen smoordronken en smoorheet (in Als de Wachters smoor droncken waren [1634; iWNT] resp. Was den ganschen dagh smoor heet [1694; iWNT]) heeft de stam smoor- via ‘verstikkend’ een algemenere betekenis ‘in hoge mate’ gekregen, zoals ook in stikheet en stikdonker. In het Afrikaans zijn daarnaast nog de samenstellingen smoorwarm en smoorkwaad ontstaan. In smoorverliefd [1916; iWNT voorspiegelen] heeft het eerste lid dezelfde betekenis, maar deze samenstelling is ontstaan door samentrekking van smoorlijk verliefd ‘zo verliefd, dat men er bijna in stikt’, zoals in Hier door word zy allengskens smoorelyk verliefd op haar zelve [1731; iWNT]. Door verkorting ontstond een bn. smoor: Jan was ... smoorder dan smoor op zijn Paulientje [1925; iWNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smoren* [verstikken] {1287} middelnederduits smoren, oudengels smorian; variant van smoken en smeulen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smoren ww. mnl. smōren ‘doen stikken, stoven, stikken’, mnd. smoren (> nhd. schmoren ‘vlees met vet in een gesloten pot gaar stoven’), oe. smorian ‘versmoren, doen stikken’. Daarnaast met ô (volgens v Wijk 629 misschien secundair) Kiliaen smooren ‘roken, dampen, stoven, onderdompelen’, vla. smooren ‘roken, nevelig zijn’. — De germ. wt. *smur staat naast *smul in smeulen en *smuk in smoken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smoren ww., mnl. smōren “doen stikken, stoven, stikken”. = mnd. smōren “id.” (nhd. schmoren “smoren, stoven”), ags. smorian “versmoren, doen stikken”. Basis germ. smur-, naast smul- (zie smeulen) en smuk- (zie smoken). Vla. smooren “rooken, nevelig zijn”, Kil. smooren “rooken, dampen, doen stikken, stoven, onderdompelen” heeft eer secundaire ô dan dat ’t een oude ablautvorm is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

smoren o.w., Mnl. id. + Ags. smorian (van waar Meng. smorther, Eng. smother): z. smeulen. Hgd. schmoren is ontleend aan ’t Ndd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

smoren, ww.: roken, in rook opgaan; roken (van tabak); misten; stuiven. Ook Vlaams. Zie smoor. Samenst. smoorgerief, smoorkot.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

smoren ww.: motregenen; roken (tabak); (onkruid door afbranden) verstikken; (kleine aardappelen) in vet poffen. In Vlaanderen betekent smoren vooral ‘misten’. 1668 pestilentiaele smoringhen, Gent (LC). Zie smoor.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

smoren (B, G, L, W, ZO, ZV), ww.: roken (van tabak); misten; motregenen (ZV). 1668 pestilentiaele smoringhen, Gent (LC). Zie smoor. Afl. smorend (G) 'mistig'; samenst. smoorgerief, smoortoebak.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

smoor ww.
1. Deur gebrek aan lug sterf. 2. Laat sterf deur lug weg te neem. 3. In 'n geslote pan oor lae hitte gaarmaak. 4. Met geweld onderdruk. 5. (minder gebruiklik) Baie warm kry of wees.
In bet. 1 - 4 uit Ndl. smoor (1547 in bet. 1 en 2, 1599 in bet. 3, 1735 in bet. 4). Bet. 5 het, wsk. n.a.v. die Ndl. b.nw. smoor-
heet (1688 - 1696), in Afr. self ontwikkel. Eerste optekeninge in Afr. in die Cape Monthly Magazine (Oktober 1870) in die samestelling smoor-picklaar (Scholtz 1965: 142) en by Mansvelt (1884).
D. schmoren (17de eeu), Eng. smother (1200). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1891).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

smoren, ww.: misten; roken (van tabak). Zie smoor.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

smoor II: (ver)stik; met rook maar sonder vlam brand (bv. vuur); langsaam gaar maak/word; Ndl. smoren, “verstik; demp (bv. geluid); onderdruk (bv. gevoel); gaar maak/word”, ens., reeds Mnl. smoren en Mned. smoren wu. Hd. schmoren, “op ’n bep. manier laat braai”, hoofs. Germ. – smoor I en II hou wel verb. m. mekaar, maar dek mekaar nie volkome nie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smoren ‘(doen) stikken, op zacht vuur gaar (doen) worden’ -> Engels smoor ‘(ver)stikken; verbergen; (uit)doven’; Duits schmoren ‘(vlees) stoven’ (uit Nederlands of Nederduits); Javaans semur ‘stoven (gerechten)’; Petjoh smoor ‘bepaalde manier om vlees te braden’; Negerhollands smoor ‘braden’; Papiaments smor (ouder: smoor) ‘op een zacht vuur gaar laten worden in boter; (fig.) in de doofpot stoppen; (verouderd) verstikken’; Sranantongo smuru ‘verstikken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smoren* verstikken 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2107. Iemand in zijn eigen sop (of vet) laten gaar koken (of smoren),

d.w.z. zich niet met iemand bemoeien, hem geheel aan zich zelven overlaten. Ontleend aan spijzen, die genoeg eigen vet of sop hebben om gekookt of gebraden te worden, en geene andere zelfstandigheden daarvoor behoeven. Syn. van het 17de-eeuwsche zich met zijn eigen smeer of smout droopen; J.v.d. Veen, Antw. Wederbotten:

 Soo veel my aenraeckt, 'k vind my genoegh gewroken,

 Want in syn eygen vet sien ick den vogel koken.Ndl. Wdb. IV, 99; III, 3464Eene andere verklaring in Tijdschrift XXXIX, 159.. Vgl. Haagsche Reize, 29: Ik wachtede my voor al wel om hem te contradiceren of zyne dwaasheid aan te tonen, latende hem in zyn sop gaer kooken, en beantwoordende alles met stilzwygen; no. 170; Tuinman I, 104; Nest, 13: Hij had het liefst dat men hem maar in zijn sop gaar liet koken; Prol. 7: Och, laat 'm toch in z'n sop gaar koke.... as ie z'n eige door z'n wijf op z'n kop wil late zitte, lààt 'm z'n lol; Nkr. VIII, 9 Mei, p. 2; Het Volk, 14 April 1914, p. 9 k. 4; Handelsblad, 22 April 1914, p. 6. k. 3 (avondbl.); Op R. en T. 114: Kom Gerrit, laat ze maar in d'r vet gaar smoren; Nw. Amsterdammer, 20 Maart 1915, p. 9 k. 1: Nou kerel, laat hem dan in zijn vet gaarsmoren; Heyermans, Ghetto, 102: Laat 'r gaar koken in d'r eigen vuil; Rutten, 151 b: iemand laten stoven in zijn eigen nat; gron.-overijs. iemand in zien (eigen) vet loaten smoren, hem doodzwijgen (Molema, 451), dat ook voorkomt bij Pers, 666 b: Den Staeten in hun eygen vet te doen smooren; vgl. ook H.v.Z. 112: 'k Zal je maar in je eigen vet late gaarsmoore; Breuls, 87: Laot em in zen eige vet gaar kooke, laat hem links liggen, stikken. In het Friesch: immen yn 't sop bisoarje litte of yn syn eigen sop bikoelje litte; hd. einen in seiner eigenen Brühe kochen lassen (Wander I, 489); fr. faire cuire quelqu'un dans son propre jus; eng. to let a person stew in his own grease; frye inne oure owne gres (± 1370; Prick).

2565. Hij is niet in de wieg gestikt (gesmoord of gestorven),

d.w.z. hij is zeer oud geworden. De uitdr. in de wieg smoren komt o.a. voor bij Erasmus, die mededeelt, dat men in zijn tijd ‘si quando nunciatur obitus hominis natu grandis’ zeide: nihil acerbum haud periit in cunabulis (Suringar, Erasmus, bl. 385). Vgl. verder Vondel, Lucifer, 2041: Nu is het tyt om 't menschelyck geslacht te smooren in zyn wiegh, en opgang; Pers, 742 a: Beatrix trouwde met Karel III, waar by hy seven kinderen teelde, die alle, genoegh in de wieghe, zijn gestorven. Hooft bezigt de uitdrukking van kwaad, dat men in het begin stuitVgl. Journal, 364: Cassiod. var. 6, 21, 1: Sed quanto melius in ipsis cunabulis adhoc mollia reprimere quam indurata crimina vindicare.; zie Brieven, 230: Maar de luiden weeten wat het in heeft ende 't quaedt in de wiege te smooren. Elders in zijne Ned. Hist. spreekt hij, volgens Weiland, van ‘de misdraght der muitery in de wieghe te worghen’. Van Effen, Spect. III, 167 past ze toe op boeken, die ‘in zo een kwynende toestand ter waereld gekomen zyn, dat ze geen maand levens beloven, en dat het een barbaarsche wreedheid schynt, dezelven in de wieg te smoren, in plaats van ze hun eigen dood te laten sterven’. Zie nog Tijdschrift IV, 253: 't Waer beter dat gedrocht in zyne wieg gesmoord (vgl. fr. étouffer le monstre au berceau); Tuinman I, 315; Harreb. II, 457: Hij is in de wieg niet gesmoord (of verzuimdDit laatste bij Campen, 80: Ick en bin in die wieghe niet versuemet.); Nkr. III, 26 Sept. p. 3; VI, 5 Oct. p. 3 en vgl. het Friesch: hy is net yn 'e widze smoard; in Zuid-Nederland: hij is niet in de wieg versmacht (Claes, 287; Waasch Idiot. 742; Antw. Idiot. 1440).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

smel-1 ‘langsam und rauchend verbrennen, schwelen’

Mir. smāl, smōl, smūal f. ‘Feuer, Glut, Asche’; mnl. smölen, ndl. smeulen ‘glimmen, schwelen’, nd. smelen, smölen ds., ō-stufig fläm. smoel ‘schwül’; mengl. smolder ‘Rauch’, nengl. smoulder; auch (vgl. rauchen : riechen), mengl. smel, smul (-ll-) ‘Geruch’, engl. smell;
osorb. smalić ‘sengen’, nsorb. smališ ‘sengen, schwärzen’, klr. prysmałýty ‘anbrennen’.
Mit k-Erweiterung: lit. smilkstù, smil̃kti ‘einen schwachen Dunst oder Rauch von sich geben’, smilkýti ‘räuchern’, smelkiù, smel̃kti ‘ersticken’;
daneben im Germ. mit r- ags. smorian ‘ersticken (tr.)’, mnd. smoren ‘dämpfen, ersticken (tr.und intr.), schmoren’, fläm. smoren ‘rauchen, neblig sein’, mnd. smurten ‘ersticken’, mengl. smorther, engl. smother ‘Dampf’.

WP. II 691 f.; Vasmer 3, 670, 675.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal