Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smoken - (roken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smoken* [roken] {1429 in de betekenis ‘roken, doen roken’} middelnederduits smoken, oudengels smocian, smiecan; buiten het germ. grieks smuchein [door een smeulend vuur doen verteren], oudiers múch, welsh mwg [rook], litouws smaugti [verstikken, wurgen], russisch smuglyj [donker, bruin], armeens mux [rook].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smoken ww., mnl. smōken ‘roken, walmen, laten roken’, mnd. smōken ‘roken, door rook doen stoken’, oe. smocian ‘roken’ (ne. smoke). Daarnaast caus. germ. *smaukjan in smiēcan ‘roken (trans. en intrans.), misschien ook mnl. mnd. smoken indien op te vatten als smôken. Van *smeukan, vgl. mnl. smieken ‘roken’, oudnnl. smuucken, smuycken ‘roken, dampen’, oe. smēocan ‘roken’. — lit. smáugiu, smáugti ‘door rook verstikken, wurgen’, gr. smugẽnai naast smúchō ‘laten verzengen’. (IEW 971). — Zie: smook.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smoken ww., mnl. smōken “rooken, walmen, laten rooken”. = mnd. smōken “rooken, smoken, door rook doen stikken”, ags. smocian “rooken” (eng. to smoke). Hierbij ags. smoca m. “rook” (eng. smoke), mnl. smōke v. (ȫ?) “geur” en met ablaut mnl. smooc m. (nnl. smook), mhd. smouch (nhd. schmauch), mnd. smôk, ags. smîec m. “rook, damp” en het ww. oudnnl. smuucken, smuycken “rooken, dampen, nevelen” (nog vla. smuiken “rooken, stofregenen”), mnl. smieken “rooken” (de ie- en u-vormen zijn van gelijken oorsprong), ags. smêocan “id.”. Ags. smîecan “id.” (misschien ook mnl. mnd. smôken, dat in de spelling niet van smōken te onderscheiden is) is een causatief-formatie bij smêocan enz. of — veeleer — een afl. van smook. Het heeft den schijn, naar de zeer schaarsche “belegstellen” te oordeelen, alsof in ’t Mnl. smōke (ȫ) en smooc naar analogie van reuk en rook hun bett. verdeeld hebben. Verwant is gr. smūgẽnai “door een smeulend vuur verbranden”, misschien ook lit. smáugiu, smáugti “worgen” (zie echter bij smokkelen), russ. smúglyj “gebruind, donker van teint”. Van een basis (s)mū̆qh- komen gr. smū́khō “ik doe in smeulend vuur verbranden”, ier. mûch, arm. mux “rook”. Zie smoren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

smoken. Met idg. g nog arm. murk ‘gezengd, gebrand’ (*smū̆g-ri- of *smū̆g-ro-): Petersson Z.slav. u. vgl. Wtf. 40.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

smoken ono.w., Mnl. id., denom. van smook + Hgd. schmauch, Ags. smoca (Eng. smoke) + Arm. mux = rook. Gr. smúkhein = doen smeulen, Oier. mùch = rook: Idg. wrt. s-meṷɡ, s-meṷɡh.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

smoken, ww.: roken, dampen. Uitdr. koken en smoken. Ook Ovl. smoken ‘dampen, walmen, roken’, maar ook ‘motregenen’. Mnl. smoken ‘walmen, roken’, Vnnl. smuken ‘faire bruine ou brouillard’ (Lambrecht), smoken ‘dampen, roken’ (Kiliaan). Oe. smocian, E. to smoke, Mnd. smôken ‘roken, walmen’, D. schmauchen. Factitieve afl. van Mnl. smooc ‘smook, rook, walm’, Vnnl. smooc, doom ‘vapoeur’ (Lambrecht), smuuck ‘bruine ou brouillard’ (Lambrecht), smoock ‘damp, rook’ (Kiliaan). Oe. smoca, smêoc, E. smoke ‘rook’, Mnd. smôc, Mhd. smouch ‘rook, damp’, D. Schmauch, E. smog ‘vuile mist’ < smoke + fog. Germ. *smuk-, Idg. *(s)meukh-, *(s)meug(h)-.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

meuken 1, moken ww.: smeulen van vuur, dreigen van het weer, motregenen. Var. van smoken (zie i.v.), met mobiele s., vgl. smokkelen/mokkelen. Zie ook meuk.

smoken ww.: motregenen; in vet smoren, poffen. Vlaams smoken betekent ‘dampen, walmen, roken’. Mnl. smoken ‘walmen, roken’, Vnnl. smuken ‘faire bruine ou brouillard’ (Lambrecht), smoken ‘dampen, roken’ (Kiliaan), 1738 veel rook en smeuken, Gent (LC). Oe. smocian, E. to smoke, Mnd. smôken ‘roken, walmen’, D. schmauchen. Factitieve afl. van Mnl. smooc ‘smook, rook, walm’, Vnnl. smooc, doom ‘vapoeur’ (Lambrecht), smuuck ‘bruine ou brouillard’ (Lambrecht), smoock ‘damp, rook’ (Kiliaan). Oe. smoca, smêoc, E. smoke ‘rook’, Mnd. smôc, Mhd. smouch ‘rook, damp’, D. Schmauch, E. smog ‘vuile mist’ < smoke + fog. Germ. *smuk-, Idg. *(s)meukh-, *(s)meug(h)-. Afl. smokertjes ‘in vet gesmoorde aardappelen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

moken (ZV), meuken (ZV), ww.: smeulen van vuur (A), dreigen van het weer (ZV), motregenen (Z). Var. van smoken (zie i.v.), met mobiele s., vgl. smokkelen/mokkelen. Zie ook mook.

smoken (A, G, W), ww.: dampen, walmen, roken (G, W); motregenen (A). Mnl. smoken 'walmen, roken', Vnnl. smuken 'faire bruine ou brouillard' (Lambrecht), smoken 'dampen, roken' (Kiliaan), 1738 veel rook en smeuken, Gent (LC). Oe. smocian, E. to smoke, Mnd. smôken 'roken, walmen', D. schmauchen. Factitieve afl. van Mnl. smooc 'smook, rook, walm', Vnnl. smooc, doom 'vapoeur' (Lambrecht), smuuck 'bruine ou brouillard' (Lambrecht), smoock 'damp, rook' (Kiliaan). Oe. smoca, smêoc, E. smoke 'rook', Mnd. smôc, Mhd. smouch 'rook, damp', D. Schmauch, E. smog 'vuile mist' < smoke + fog. Germ. *smuk-, Idg. *(s)meukh-, *(s)meug(h)-.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

smoken (DB), ww.: dampen, roken. Mnl. smoken ‘walmen, roken’, Vroegnnl. smuken ‘faire bruine ou brouillard’ (Lambrecht), smoken ‘vaporare’ (Kiliaan). Oe. smocian, E. to smoke, Mnd. smoken ‘roken, walmen’ D. schmauchen. Factitieve afl. van Mnl. smooc ‘smook, rook, walm’, Vroegnnl. smooc, doom ‘vapoeur’, smuuck ‘bruine ou brouillard’ (Lambrecht), smoock ‘vapor, fumus’ (Kiliaan). Oe. smoca, smêoc, E. smoke ‘rook’, Mnd, smôc Mhd. smouch ‘rook, damp’, D. Schmauch, E. smog ‘vuile mist’ < smoke +fog, Germ. *smuk-, Idg. *(s)meukh, *(s)meug(h)-.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Smoken, van den Germ. wt. smuk = rooken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smoken ‘roken’ -> Schots smuik, smook; smeuk ‘roken, dampen, smeulen met dikke rook; beroken, (vlees) roken; uitroken (bijen); verkleuren door rook’; Duits schmoken ‘roken’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands smook, smōk ‘roken’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smoken* roken 1429 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)meukh-, (s)meug-, (s)meugh- ‘rauchen, Rauch’, mukhu- ‘Rauch’

Arm. mux, Gen. mxoy ‘Rauch’; gr. σμύ̄χω (χ = kh oder gh; ἐσμύγην von der g-Form) ‘lasse verschwelen; in langsamem Feuer verzehren’; ir. mūch ‘Rauch’, cymr. mwg (mit Alternation ū : u), corn. mok ds., bret. moug, mog ‘Feuer’, moged ‘Rauch’ (-kh- oder -k-);
mit -g: gr. σμυγῆναι; arm. murk, Gen. mrkoy ‘sengend’ (*smū̆gro-);
ags. smēocan ‘rauchen’, mnl. smieken und smuiken ‘rauchen’; Kaus. ags. smīecan ‘rauchen, räuchern’, mnd. smōken ‘schmauchen, räuchern, durch Rauch ersticken’; ags. smīec m. ‘Rauch’, mhd. smouch ‘Rauch, Dunst’; ags. smoca m. ‘Rauch’, smocian ‘rauchen, räuchern’;
lit. smáugiu, smáugti ‘ersticken (ursprüngl. durch Rauch), erwürgen’; vielleicht russ. smúglyj, klr. smuhłyj ‘schwarzbraun’ (‘rauchfarben’); die bsl. Worte allenfalls mit gh, worauf auch arm. moyg ‘braun, dunkel’ als *smougho- in Vergleich käme; unklar das Verhältnis zu russ.-ksl. smaglъ ‘dunkel, braun’, russ. smága ‘Flamme; Ruß’, čech. smahnouti ‘dörren, schmachten’.

WP. II 688 f., Vasmer 2, 669 f., 677.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal