Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smeerwortel - (Symphytum officinale)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smeerwortel* [plant] {smeerwortel(e) 1351} zo genoemd naar het gebruik van een papje uit de wortelstok op botbreuken en wonden.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

smeerwortel
Gewone smeerwortel | Symphytum officinale L.

In de kruidengeneeskunde werd de wortelstok van deze plant geplet en het slijmerige schraapsel werd dan gesmeerd op wonden en zweren om die te genezen, zodat Smeerwortel letterlijk uitdrukt hoe de geneeskrachtige plant gebruikt werd. Ook nu nog wordt smeerwortelzalf in de kruidengeneeskunde gebruikt, o. m. bij de behandeling van rugpijn.

In Cyrurgie, een van de gekopieerde geschriften uit de veertiende eeuw van de beroemde Ieperse arts Jan Yperman (?1275-?1331), had de Smeerwortel de naam Confilie die grote (ook Consolida maior). De gedroogde, verpulverde wortelstokken van de plant maakten deel uit van een poeder – een pulver – dat gebruikt werd om wonden te genezen nadat ze genaaid waren: “… ende als de wonde genayt es. so stroyt opten naet dit pulver dat gi vore gemaect selt hebben. Want het doet de lippen vanden wonden te gadere heilen.”

Over het wondhelende effect lezen we in Dodoens (1618): “De Wortel van Waelworte-lcruyt [d.i. de Gewone smeerwortel] is in veel dinghen nut ende goet: want op de versche wonden, scheurselen ende breuckingen geleyt, gheneest die haest.” Hij noemt de plant ook Waelwortel oft Groot Symphytum. Zowel het woord wallen als Symphytum, nu de Latijnse geslachtsnaam, betekenen dichtgroeien van wonden. Pas in de 20ste eeuw werd door wetenschappelijk onderzoek inderdaad geconstateerd dat deze plant een stof bevat, namelijk allantoïne, die het aaneengroeien van wondranden bevordert.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Smeerwortel, Symphytum officinale
Symphytum: hangt samen met het Griekse werkwoord sumphuoo dat samengroeien of vergroeien betekent en slaat op de helende werking van het kruid bij verwondingen.
Officinale: dat wil zeggen dat de plant in de apotheek aanwezig was.
Smeerwortel: vanwege de taaie, slijmerige, gomachtige substantie die de wortelstok bevat en die op zweren gesmeerd werd, ontstond de naam Smeerwortel.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Sýmphytum | Sýmphytum officinále: Smeerwortel
De naam Symphytum hangt samen met het Griekse werkwoord sumphuoo dat samengroeien of vergroeien beduidt, en slaat op de helende werking van het kruid bij verwondingen. Dat de Smeerwortel in de geneeskunde aanwending vond kunnen we opmaken uit de wetenschappelijke soortnaam officinale, dat wil zeggen dat de plant in de apotheek aanwezig was. Het eerste geschrift waarin de plant genoemd wordt is dat van Pseudo-Apuleius in de vierde eeuw na Chr. Hij beschrijft haar onder de ‘naam’ ‘confirma’ naar het Latijnse confirmare dat vastmaken, versterken wil zeggen, en dat betrekking heeft op de wondhelende kracht. Bij Hildegard von Bingen staat ze te boek als consolida, van het Latijnse consolidare, dat vastmaken of lassen beduidt. Ook hier wordt weer op het helen van wonden geattendeerd.
Vanwege de taaie, slijmige, gomachtige substantie die de wortelstok bevat en die op zweren gesmeerd werd, ontstond de naam Smeerwortel. De benamingen Smertwortel op Walcheren en Zuid-Beveland, en Smerwortel in Zeeuws-Vlaan-deren zijn varianten van Smeerwortel. Op deze vettige wortelstok duiden ook namen als Spekwortel en Vetwortel. De Smeerwortel stond vooral bekend als middel om beenbreuken te genezen, daarom kreeg ze namen als Heelwortel op de Noord-Veluwe, Heilbeen in Zuid-Limburg en Scheurwortel (scheur in de betekenis van breuk) in Noord-Overijsel, Salland, het graafschap Zutphen en op de Veluwezoom. Men spreekt in het genoemde graafschap ook - verbasterd -van Schuurwortel en in Friesland is de naam Scuorwortel.
Een waarschijnlijk niet meer in gebruik zijnde volksnaam is Waalwortel (oudtijds Waelwortel, Walwortels). Deze naam wijst in dezelfde richting van genezen of helen, want een Oudhoogduits woord dat in medische kringen gebruikt werd, luidde wallen of wellen en betekende helen. In de vijftiende eeuw heette de plant in het Duits ‘Die gross Wallwurz, bij Toxites in 1576 ‘Wallwortz um ihrer heilsamen wallenden krafft willen.’ Het is dus zeker mogelijk dat deze namen met elkaar in verband staan. De naam Waalwortel komen we ook bij Dodonaeus tegen; hij schrijft: ‘De wortel van Waelwortelcruydt is in vele dinghen nut ende goedt: want op versche wonden, scheurselen ende breuckinghen gheleydt, gheneest die haest.’
Ook hier het zwaartepunt op de geneeskracht van de plant. Of moeten we het Wael of Waal zoeken in de richting van Waal als poel of plas? Dus een plant die op vochtige plekken voorkomt? Dit is inderdaad het geval daar zij langs waterkanten en op vochtige grasgronden voorkomt. Dat de slijmige wortelstok ook bij keelziekten (onder meer ‘de herdigheyt van de kele’) aangewend werd blijkt uit de naam Keelwortel. Om de dorst te verdrijven knauwde men eertijds op de wortelstok.
Op Walcheren komt de niet onaardige naam voor van Lampeglazen, hetgeen wijst op de buikvormige verdikking van de wijd-buisvormige bloem, die aan een ouderwets lampeglas doet denken, dat eveneens een buikvormige verbreding heeft. De in het vergeetboek geraakte naam ‘Ezelsoor duidt op de vorm van het blad, dat wel iets weg heeft van het oor van dit dier. De naam Schijtwortel in oostelijk Drente behoeft geen nadere toelichting, want ze werd bij buikloop ge-
bruikt. Dat men eertijds ook goed kon waarnemen, blijkt uit de in Zeeland voorkomende naam Oezelblommen. Dit oezel beduidt hommel en slaat op het drukke bezoek van hommels aan de bloemen. Heukels geeft nog, zonder nadere plaatsaanduiding, Hommelwortel op. Dat kinderen op de wortelstok zogen kunnen we opmaken uit de op Overflakkee, Voorne en Beierland voorkomende naam Zuiger. Heukels geeft nog op Suikerwortel en Suikwortel, zonder enige nadere aanduiding.
Voor nog menig andere kwaal of ziekte werd zij aangewend en aanbevolen. Zo vinden we een Middelnederlands recept, luidende: ‘Salve: neemt populierbotten ende smeerwortelen ende nachtscade ende malrovie; dese cruden ghesoden in smeere ende ghewronghen door een cleet, deze salve es goed jeghen drope (schurft) ende doet zweeren heelen.’ De Smeerwortel werd zeer geacht, reden waarom men hem ook in de hoven aanplantte. Zo beveelt in 1539
H. Bock, in zijn ‘Neu Kreuterbuch,’ nog aan het kruid in de tuinen te kweken. In de middeleeuwen werden de jonge stengels als groente gebruikt; deze werden als asperges klaar gemaakt.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal