Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smart - (verdriet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

smart zn. ‘verdriet’
Mnl. smerte, smarte ‘pijn’ in of hem lachter doet ... of smarte ‘of hem schande aandoet of pijn bezorgt’ [1254; VMNW], ‘geestelijke pijn, verdriet’ in gesachtt Dat ongemac van harre smerten ‘verzacht de treurigheid van haar gemoed’ [1265-70; VMNW].
Ontstaan uit mnl. smerte met -e- > -a- voor -r- + dentaal als in → hart.
Mnd. smerte, smarte (vanwaar door ontlening nzw. smärta); ohd. smerza (nhd. Schmerz); nfri. smert(e); < pgm. *smertan.
Abstractum bij het oorspronkelijk sterke werkwoord *smertan- ‘pijn of verdriet doen’, waaruit: mnl. smerten, smarten (nnl. smarten); mnd. smarten; ohd. smerzan (nhd. schmerzen); nfri. smerte; oe. smeortan (me. smerten, ne. smart). Hierbij hoort ook het ablautende bn. *smarta-, waaruit oe. smeart ‘scherp, bijtend, prikkelend’ (me. smerte ook ‘vlug, bedrijvig, levendig’, ne. smart ook ‘sluw, slim, knap e.d.’).
Als men veronderstelt dat de s- binnen het Germaans is ontstaan, is pgm. *(s)mert- wrsch. verwant met: Latijn mordēre ‘bijten’; Grieks amérdein ‘beroven’; Sanskrit mrdnāti ‘hij verplettert’; Avestisch mōrəndat ‘vernietigt’; < pie. *h2merd-, *h2mord- (LIV 280). Seebold (1970) pleit op grond van de betekenisovereenkomst liever voor verwantschap met Litouws smélkti ‘pijn doen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smart1* [verdriet] {smarte, smerte 1254} oudhoogduits smerza, smerzo, oudengels smeart [pijnlijk]; buiten het germ. latijn mordēre [bijten], grieks smerdnos [verschrikkelijk], lets merdēt [uitmergelen], oudindisch mṛdnāti [hij drukt, wrijft].

smart2* [ontvelling] {1899-1906} hetzelfde woord als smart1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smart znw. v., mnl. smerte, smarte v. ‘pijn, wond, smart’, mnd. smerte, smarte, ohd. smerza v., smerzo m. (nhd. schmerz), me. smerte (ne. smart); vgl. abl. het bnw. oe. smeart ‘pijnlijk’ (ne. smart). — Men kan vergelijken gr. smerdnós, smerdaléos ‘verschrikkelijk’, lat. mordeo ‘bijten’, oi. mṛdnāti, márdati ‘stuk wrijven’, lett. mērdêt ‘uitmergelen, laten hongeren’ van idg. wt. *merd, afl. van *mer ‘wrijven, stukwrijven’, waarvoor zie: murw. — Daarvan afgeleid smarten 3.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smart znw., mnl. smerte, smarte v. “pijn, wond, smart”. = ohd. smërza v., smërzo m. “pijn, smart” (nhd. schmerz m.), mnd. smërte, smarte v., meng. smerte (eng. smart) “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

smart v., Mnl. smerte + Ohd. smerzo (Mhd. smerz, Nhd. schmerz), Ags. werkw. smeortan (Eng. to smart) + Skr. mardati = hij wrijft, Gr. smerdnós = wreed, Lat. mordere = bijten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

smert, zn.: erythema, intertrigo, als de huid openligt in de huidplooien. Vgl. Wvl. kertesmerte ‘intertrigo in de reet tussen de billen’. Smert ‘smart, pijn’. Vnnl. smerten ‘brandend pijn doen’ (Kiliaan), E. smart ’pijn doen’. Afl. gesmert zijn ‘aan intertrigo lijden’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1smart s.nw.
Groot hartseer.
Uit Ndl. smart (Mnl. smart(e), smert(e)). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Schmerz.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

smarte, smerte, snerte (DB), zn. v.: waterpeper, Polygonum hydropiper, Persicaria acris, perzikkruid, Polygonum persicaria. De naam smarte/smerte zou gegeven zijn vanwege de pijn ‘smart’ die gepaard gaat met de ongemakken waartegen dit kruid wordt gebruikt (Paque).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Smart, van den Germ. wt. smert, Idg. smerd = steken, bijten, dus: pijn doen; evenals bitter: wat bijt. (Vgl. ’t Lat. mordere, voor smordere = bijten.) Het werd oorspr. vooral toegepast op lichamelijke pijn, die ontstaat door wrijving van wonden; vgl. nog ’t smarten of schrijnen bij kleine kinderen; smarten = uitslijten der scheepstouwen door ’t wrijven, en het bekleeden met smarting om het afslijten door wrijving te voorkomen. Later werd smart meer fig. ook op zielepijn toegepast.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

smarten. - Naar fr. douleurs; het enkelvoud smart volstaat. || Ik vind de heldere dagen mijner kindsheid met hunne levendige vreugden en eindelooze smarten … weder, A. BERGMANN, Staas 2. De rouwtooneelen die gij immer zaagt, de smarten die gij hebt geleên, … dat al komt vóór uw’ geest als spoken dansen, VUYLSTEKE, Ged. 1, 60. Dit machtig gevoel, met hetwelk, benevens een scherper genot ook al de smarten, al de twijfel en al de strijden ontstaan, BUYSSE in De Gids1895, II, 5 (er wordt vereischt alle smart). Vruchteloos had hij nog eens al de droefheid en de smarten van ’t verleden ingeroepen, BUYSSE, Mea Culpa 34. Al die herinneringen … kwamen hem in het geheugen terug … En aan allen (sic) klemde zijn hart zich vast … O! ze nog te herleven, die reeds lang vervlogene herinneringen! geheel ’t verledene te herleven met al zijn smarten en zijn strijden! 177. In dit zeer lijvig boek (nl.Sinte Godelieve van Ghistel”) vertelt ons de heer Van Haeck al de smarten, die de heilige op deze aarde had te verduren, V. D. WEGHE, Proefschr. 29.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smart ‘verdriet, pijnlijke gewaarwording, leed’ -> Zweeds smärta ‘pijn, leed’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands smert, smerte ‘verdriet, pijnlijke gewaarwording, leed’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smart* verdriet 1254 [VMNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mer-5, merǝ- ‘aufreiben, reiben’ und ‘packen, rauben’

Ai. mr̥ṇāti, mr̥ṇati ‘raubt’, ā-marī-tár- ‘Rauber’, ámr̥ṇat ‘raubte’, malí-mlu- ‘Rauber; aber mr̥ṇā́ti ‘zermalmt, zerdrückt, zerschlägt’, mūrṇá- ‘zermalmt, aufgerieben’ gehören eher zu mel-1; ebenso marú- m. ‘Sand, Wüste, Fels’;
gr. μαραίνω ‘reibe auf, verzehre, entkräfte’, Pass. ‘verzehre mich, verschwinde allmählich, ermatte’, μαρασμός ‘Hinschwinden, Kräfteverfall’; μάρναμαι ‘kämpfe’; μάρμαρος ‘Stein, Felsblock’ (vgl. lat. rūpēs : rumpō), später (nach μαρμαίρω) ‘weißer Stein, Marmor’ (daraus lat. marmor);
lat. mortārium ‘Mörser’ (auf Grund von *mr̥-tós ‘zerrieben’); über morētum ‘Mörsergericht’ s. WH. II 112; morbus ‘Krankheit’ (*mor-bhos);
air. meirb ‘leblos’, mir. meirb, cymr. merw ‘schlaff, schwach’ (mer-u̯i-); mir. meirle f. ‘Raub, Diebstahl’, meirlech ‘Räuber’; air. mrath ‘Verrat’, cymr. brad ds. (*mrǝ-to-) zu air.*marnaid ‘verrät’, Konjunktiv -mera;
aisl. merja (Prät. marða) ‘schlagen, zerstoßen’; ahd. maro, marawi und mur(u)wi ‘mürbe, zart, reif’, ags. mearo ‘mürbe, zart’, aisl. morna ‘hinwelken’, norw. moren, maren ‘morsch’; nisl. mor n. ‘Staub’, aschwed. morþ ‘bröckelige Masse, Abfall’;
serb. mȑva ‘Brosamen’; abg. iz-mrъmьrati ‘roden’, aruss. -moromradi ‘nagen, zerkrümmeln’;
hitt. marriattari ‘wird zerschmettert’.
morā f. ‘Alp’: air. mor-(r)īgain ‘lamia’, eigentlich ‘Alpkönigin’ (mōrrīgain angelehnt an mōr ‘groß’), aisl. mara, ahd. mara, ags. mare (nhd. Mahr, Nachtmahr m.) ‘übernatürliches weibliches Wesen, das sich in der Nacht den Schlafenden auf die Brust setzt’, skr.-ksl. mora ‘Hexe’, klr. mora ‘Alp, Drude, Nachtmännchen’ usw.
mer-g-:
mnd. morken ‘zerdrücken’, ags. murc(n)ian ‘sich grämen’, murc ‘drückend, nagend (vom Hunger)’; s. weiteres unter (merk-), merg- ‘morschen, faulen’ usw.
mer-d-:
Ai. mr̥dnāti (mr̥dnīta-, mr̥ditá-), márdati, mardáyati ‘zerreibt, zerdrückt, zermalmt, reibt auf’, av. 3. Sg. mōrǝndat̰ (= mr̥nd-) ‘vernichtet’ (diese ar. Worte werden auch idg. meld- fortsetzen, s. mel-1; ai. mr̥dnā́ti vielleicht statt *mr̥ṇátti (*mr̥-n-ed-ti) durch Einfluß von mr̥ṇā́ti (s. oben S. 735);
arm. mart ‘Kampf’;
gr. βαρδῆν· τὸ βιάζεσθαι γυναῖκας Ἀμπρακιῶται Hes. (*mr̥d-); ἀμέρδω ‘beraube’ und ‘blende, verdunkle’ (‘beraube des Glanzes, des Augenlichtes’), μέρδει· κωλύει· βλάπτει Hes.; zum Aor. ἀμέρσαι neugebildet ἀμείρω;
ostfries. murt ‘brockelige Masse, Staub’, nd. murten ‘zerfallen’, mhd. murz ‘Stumpf’, schweiz. murz, morz ‘kleine Stückchen’;
lett. mẽrdêt ‘abmergeln, hungern lassen; eines Menschen Tode beiwohnen’ (letztere Bed. näher zulit. mérdėti, Präs. mérdmi, mérdžiu ‘sterben’, das auf einem do- oder dho-Präs. zu *mer- ‘sterben’ beruht, wie auch mer-d- ‘reiben’ im letzten Grund auf ein solches do-Präs. zurückgehen wird; ist lett. mẽrdêt ebenfalls zu mer- ‘sterben’ zu ziehen?);
lat. mordeō, -ēre, momordī ‘beißen’ (= ai. mardáyati, mamr̥dḗ), auch von Gefühlen und Geschmacksempfindungen;
vgl. die s-Formen:
gr. σμερδνός, σμερδαλέος ‘schrecklich, furchtbar’ (‘*aufreibend’), ahd. smerzan ‘schmerzen’, smerzo ‘Schmerz’, mnd. smerten, nd. ndl. smarten, ags. smeortan ‘schmerzen’, engl. smart ‘beißend, scharf, witzig’ und ‘nett, zierlich’; vgl. auch smerd- ‘stinken’.
mer-k-:
ai. marcáyati ‘gefährdet, versehrt, beschädigt’, mr̥ktá- ‘versehrt’, marká- m. ‘Hinsterben, Tod’ = av. mahrka- ‘Tod’, kons. St. ai. Instr. Sg. mrc-ā́, av. mǝrǝxš ‘Verderben, Zerstörung’, av. mǝrǝnčaiti ‘versehrt, zerstört’; arm. morč̣ ‘jung, zart’ (*morki̯o-); vielleicht alb. morr ‘Laus’ (*mōrko- ‘die Kratzende oder dgl.’? vgl. φθείρ ds.: φθείρω); lat. murcus ‘verstümmelt’ (daraus sizil. μύρκος ‘stumm’) und murcidus ‘träge, schlaff’; mhd. morgen ‘schlaff’.
Mit anl. s- lit. smer̃kti ‘in Not zu versetzen suchen’, smarkùs ‘grausam’, pa-smer̃kti ‘verderben’, nhd. dial. schmorgen ‘darben, notleiden’.
Hierher (als ‘Häcksel’) ags. mearg ‘Wurst’ = aisl. mǫrr ‘ds., Eingeweidefett’ (*marhu-), redupl. gr. μίμαρκυς ‘Blutwurst’; hitt. mar-kán-zi ‘zerschneidet’.
S. auch merk-2 ‘verdrießlich’ und 1. merk- ‘morschen, faulen usw.’.
mer-s-:
Ai. maṣam, maṣī̆m kar- ‘pulverisieren’, maṣi-, maṣī ‘Pulver’;
ahd. morsāri ‘Mörser’ (umgebildet aus lat. mortārium, s. S. 736), mhd. zermürsen ‘zerdrücken, zerquetschen’, md. zermorschen ds., schweiz. morsen, mürsen ‘zermalmen, kleinstoßen’, mhd. nd. mursch, murs, nhd. morsch, ndl. morzelen ‘zerreiben’.

WP. II 276 ff., WH. 42, 110 ff.; identisch mit mer-4.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal