Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slungel - (lang, mager persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

slungel zn. ‘lang, mager persoon’
Nnl. slungel ‘lang, mager persoon’ in een lange slungel van een Meid [1785; WNT].
Ontleend aan Middelnederduits slüngel ‘lang, mager persoon’ (vanwaar door ontlening ook Hoogduits Schlingel), dat ablautend hoort bij mnl. slingenslingeren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slungel [lange jongen] {1785} < middelnederduits slungel, hoogduits Schlüngel, Schlingel; ablautend bij slingeren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slungel znw. m., sedert de 18de eeuw < mnd. slungel, oudnhd. (oostmd. schlüngel sedert de 15de eeuw, later echter schlingel) behoort tot de woordgroep van slinger.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slungel znw., nog niet bij Kil. = mnd. slungel, oudnhd. (oostmd.) schlüngel (nu schlingel) m. “slungel”. Ablautend met slinger. Afl.: slungelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slungel m., + Nhd. schlüngel, schlingel: met abl. bij slingeren, vergel. bengel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

slungel s.nw.
Lang, maer persoon, of lomperd.
Uit Ndl. slungel (1785).
D. Schlingel (15de eeu).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

slungel: (meestal voorafgegaan door lange) lange, magere man (die met slingerende bewegingen loopt) en een onbenullig voorkomen heeft.

‘Daar staat die lange slungel al, aan ’t einde van de laan,’ zeide Bouke zachtjens… (Jacob van Lennep, De pleegzoon, 1833)
… die slungel van een Karel. (Louis Couperus, De boeken der kleine zielen, 1901-1903)
Dan noem je dien langen slungel van Wichers zeker oom? (Nannie van Wehl, Vooruitgestuurd, 1909)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

slungel (MiddelnederDuits slungel)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slungel ‘lange jongen’ -> Duits Schlingel ‘bengel’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens slyngel ‘schoft’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors slyngel ‘schooier’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds slyngel ‘onopgevoede opgeschoten jongen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slungel lange jongen 1785 [WNT] <Nederduits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal