Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sluiten - (dichtdoen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sluiten ww. ‘dichtdoen’
Mnl. sluten ‘sluiten, opsluiten’ [1240; Bern.], die ingel sloet Die porten van din paradise Met vasten sloten ‘de engel sloot de poorten van het paradijs met sterke sloten’ [1265-70; VMNW], ‘beëindigen’ in Om hunne geschillen ende twist ... te sluyten [1376; MNW].
Os. slūtan (mnd. sluten); ohd. sliozan (nhd. schließen); ofri. slūta (nfri. slute); alle ‘sluiten, afsluiten’, < pgm. *slūtan- (mnl., os. en ofri.), *sleutan (ohd.). Voor deze klinkervariatie zie → ruiken. Zie ook → slot, → sloot en → sleutel.
Vanwege de betekenis ligt verwantschap met Latijn claudere ‘sluiten’ voor de hand. Dat woord gaat terug op pie. *kleh2u-d-, zie → klooster. In het Germaans is dan een s-mobile toegevoegd.
Overdrachtelijk betekent dit woord ook wel ‘eindigen’ of ‘beëindigen’, zoals openen ook ‘beginnen’ kan betekenen. Gebruikelijker is in deze betekenis de afleiding → besluiten, of ook wel afsluiten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sluiten* [toedoen] {sluten 1201-1250} oudsaksisch slutan, oudhoogduits sliozan, oudfries sluta; buiten het germ. latijn claudere [sluiten], grieks kleiein [sluiten], oudiers cló, oudkerkslavisch ključĭ [sleutel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sluiten ww., mnl. slûten, os. slūtan, ohd. sliozan (nhd. schliessen), ofri. slūta. — Alleen in het germ. vinden wij vormen met mobiele s (of het woord lot ook tot de hier behandelde woordgroep behoort is onzeker). — Idg. wt. *klēu, *klāu ‘haak, pin’(?), vgl. lat. clāvis, gr. klēïs ‘sleutel’, oiers clō ‘spijker’, lit. kliūvù, kliū́ti ‘aanhaken, hangen blijven aan’, en daarvan met dentaal-afl. lat. claudō ‘sluiten’, lit. kliudaũ, kliudýti ‘doen aanhaken’ (IEW 604-605).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sluiten ww., mnl. slûten. = ohd. slioʒan (nhd. schliessen), os. slûtan (in ût-bi-slûtan “secludere”), ofri. slûta “sluiten”. Met slot, sleutel, wsch. ook sloot van de idg. basis (s)qlâud-((s)qlē̆ud-), (s)qlûd-, waarvan ook lat. claudo “ik sluit”; deze basis is een verlenging (vgl. bij gieten) van (s)qlā̆u-, (s)qlē̆u-, waarvan ier. clô “spijker”, kymr. clo “grendel, sluiting”, lat. clâvis “sleutel”, clâvus “spijker”, gr. klēís, dor. klāís “sleutel”, kleíō “ik sluit”, po. kluka “haak” (alg.-slav. woord, evenals:) obg. ključĭ “sleutel”; misschien nog hierbij lit. kliûvù, kliúti “haken, blijven hangen”. Voor germ. sl- uit skl- vgl. slijten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sluiten. Lit. kliúti ‘haken, blijven hangen’ stellig hierbij: vgl. lot Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sluiten o.w., Mnl. sluten, Os. slûtan + Ohd. sliʒan (Mhd. slieʒen, Nhd. schlieszen), Ofri. slúta + Lat. claudere (uit *sclaudere), Gr. skleíein = sluiten. Lat. clavis = sleutel, clavus = spijker, Oier. cló = id., Osl. ključǐ = sleutel: Germ. wrt. s(k)leut, Idg. wrt. (s)qleṷ(d).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

slete (ww.) sluiten; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) sleeten, Vreugmiddelnederlands sluten <1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjleten, ww.: sluiten. Ndd. slieten, D. schließen.

sloeten, ww.: sluiten. Heterofoon met onverschoven oe. Mnl. sluten, Os. slûtan, Ofri. slûta.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sjleete sluiten (Heerlen). = hgd. schlieszen. De klankverhouding tegenover nl. sluiten vindt men ook bij hgd. biegen naast nl. buigen. De ui is oorspronkelijk in die persoonsvormen die u of i of j in de volgende lettergreep kenden.
Jongeneel 55.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sluiten, van den Germ. wt. slut, Idg. sklaud = sluiten; vgl. ’t Lat. claudo voor sclaudo = ik sluit; zie Sluis.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

sluiten. - Niet zelden wordt in Zuid-Nederland, in zinnen als de onderstaande, het ww. sluiten gebezigd, ofschoon ons taaleigen besluiten vereischt. Al kan hier geen Fransch werkwoord bepaaldelijk worden aangewezen, toch is zulks ongetwijfeld aan Franschen invloed te wijten. Zie verder boven bij Dekken. || Het onderwijzerscongres ... is met een banket gesloten, De Toekomst 30, 480.

zich sluiten. - Naar fr. se fermer. || De groeven in zijn voorhoofd werden dieper; zijne tanden sloten zich opeen; zijne vuisten balden zich, TEIRLINCK, Cil. 63 (er wordt vereischt hij sloot zijn tanden opeen of hij knarsetandde). Achterover nu stortend, sluiten zich hare oogen, WATTEZ in Ned. Dicht- en Kunsth. 9, 310 (hier past hare oogen vielen toe). Haar kaakbeen sloot zich met eenen knap, bij het herdenken van wat de snul haar gezegd had, MOORTGAT, Versleten 6 (er wordt vereischt zij sloot de kakebeenen enz.). Niet eer was hij er wel van bewust, dat de feeks hem had aangegrepen, of zijne kleine, zenuwachtige vuist sloot zich als eene klem om parelsnoer en kanten halsdoek, 58 (hier zou passen hij klemde de kleine vuist om enz.). Zijn oogen sloten zich, hij voelde, dat hij ging in onmacht vallen, BUYSSE in Nederland 1894, III, 53 (als boven zijn oogen vielen toe).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sluiten ‘toedoen’ -> Deens sluta ‘afsluiten, overeenkomen, verenigen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds sluta ‘dichtdoen, ophouden met, concluderen, eindigen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands slut, slot, slyt, slot (toe) ‘toedoen’; Berbice-Nederlands slokti ‘toedoen’; Sranantongo sroito ‘aansluiten’; Sranantongo sroiti ‘sluiten (van een verzekering, overeenkomst)’; Saramakkaans sòotó ‘toedoen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sluiten* toedoen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

223. Met gesloten beurzen betalen,

‘doordat nl. in iemands rekening met iemand anders debet en credit gelijk geacht worden’; iets tegen wat anders ruilen. Zie Halma, 67: Met geslootene beursen betaalen dat is, met ruilen of anderzins zonder geld uit te schieten, payer sans bourse délier; vgl. Tuinman I, 323; Willem Leevend VI, 372; het fri. mei de ta-pong bitelje; Antw. Idiot. 480; Waasch Idiot. 252 a; De Bo, 654 a: Met geloken beurzen betalen; Ndl. Wdb. II, 2200; 2283.

272. Een gesloten boek.

Wanneer iets voor iemand een gesloten boek is, weet hij niets van den inhoud, is de daarin behandelde zaak hem geheel vreemd. Wellicht moet men hier denken aan boeken, die met koperen sloten werden dicht gemaakt, zooals bijbels en ook kerkboeken, wier sloten evenwel meestal van goud of zilver zijn; doch ook is het mogelijk dat men te denken heeft aan het ‘boek, verzegelt met seven zegelen’, waarvan in den bijbel, Openb. 5:1, sprake is. Vandaar ook de uitdr. een boek met zeven zegelen of sloten in denzelfden zin van iets, waarvan men geen begrip heeft (hd. ein Buch mit sieben Siegeln; eng. a sealed book; fr. c'est lettre close pour lui).

2081. Dat sluit als eene bus,

d.w.z. dat sluit zeer goed; van eene rekening, eene redeneering enz. gezegd. In de 16de eeuw bij Marnix, Byenc. 4: Petrus Waldo richtede eene nieuwe leere aen, die effen op der Hugenose leere so wel sloot als een Busse. Zie verder Winschooten, 35 en 39: Het sluit als een Bus; dat is, het sluit soo digt als een Pot; Oudaen, H. Broederm. 54: 't Verhaal sluit als een bos; Halma, 98: Dat sluit als eene bus, het sluit heel digt, cela ferme comme une boite; Harreb. I, 104; Ndl. Wdb. III, 1926. In Vlaanderen: sluiten gelijk eene peperdoos (Schuerm. 470 a), dat in Oost-Vlaanderen beteekent gierig zijn (Bijv. 238 a); fri. it slût as in bos. Bij J. Vosmaer, Leven en wandelingen van Mr. M. Vroeg, hoofdst. XV: Woorden die op hem pasten als een deksel op een pillendoosje.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

klēu- (auch klĕu-?) und klāu- vielleicht eigentlich ‘Haken, krummes Holz oder Astgabel, Pflöckchen’, verbal einerseits ‘anhaken (sich anklammern), hemmen, auch von hinkendem Gauge’, andrerseits ‘durch einen vorgesteckten Haken, Riegel, ein Pflöckchen verschließen’

Gr. ion. κληΐς -ῖδος, altatt. κλῄς, att. κλείς, dor. κλᾱΐς, -ΐδος ‘Schlüssel’ (auch ‘Riegel; hakenförmige Öse; Ruderdolle’)., dor. sekund. κλᾳξ, epidaur. Gen. κλαικος ds., κληΐω (ion.), κλῄω (altatt.), κλείω (att.) ‘verschließe mit einem Balken, einem Riegel, einem Schlüssel’, κλήιθρον (ion.), κλῃ̃θρον (altatt.), κλεῖθρον (att.) ‘Verschluß’;
lat. clāvis ‘Schlüssel’, Demin. clāviculae ‘Wickelranken des Weins’, clāvus ‘Nagel (zum nageln): Steuerruder, Ruderpflock’, claudō, -ere ‘schließen, sperren’ (*klāu̯i-dō, mit präsensbildendem d); dazu wohl claudus ‘lahm, hinkend’ (zu clūdus, clōdus s. WH. I 231), claudeō, -ēre ‘hinken’.
air. clō, Pl. clōi ‘Nagel’; unklar mcymr. clo m. ‘Riegel, Verschluß’, Pl. cloeu ‘clavi’, mbret. clou ‘ferrement’ (Ernault RC. 37, 104 f.);
aus dem Germ. wohl hierher (mit beweglichem s-) ahd. sliozan, mnd. slūten, afries. slūta ‘schließen’, ahd. sluzzil, asächs. slutil ‘Schlüssel’, ahd. sloz n. ‘Schloß’ (sl- aus skl-); vgl. mengl. slote = nd. slaten ‘Riegel’, mnd. slēt aus *sleuta- ‘biegsame Stange’, wenn aus ‘Pflöckchen, Aststück’.
Ohne s- vielleicht anord. hljōta stark. V. ‘losen, erhalten’, ags. hlēotan, as. hliotan ‘losen, erlosen’, ahd. hliozan ‘losen, wahrsagen, zaubern’, got. hlauts ‘Los, Erbschaft’, aisl. hlautr ‘Los’, ahd. hlōz n., as. hlōt ‘Los, zugeteiltes Recht oder Eigentum’, aisl. hlutr ‘Los, Anteil, Ding, Sache’, ahd. (h)luz ‘als Los zugefallener Anteil, Landanteil’, afries. ags. hlot n. ‘Los’, ndl. lot ds.;
lett. kĺũt ‘werden, gelingen, erlangen’, kĺũtas ‘Schicksal’, lit. nekliūtas ‘Mißgeschick, Unheil’ und lit. kliudýti ‘anhaken machen’; wenn die germ. Sippe verwandt ist, ist eher von ‘Pflöckchen, Aststück als Losstäbchen’ auszugehen;
lit. kliūvù, kliū́ti ‘anhaken, hangenbleiben’, kliū́tìs, kliū́tė ‘Hindernis’, kliáutė ‘Hindernis, Gebrechen’, pasikliáu-ju, -ti ‘vertrauen auf’ (‘*sich woran klammern’), lett. kĺūstu, kĺũt ‘(hangenbleiben), (wohin) gelangen, werden’, kĺaustîtiês ‘hangenbleiben’, kĺūm-s, -a, -e ‘Hindernis’; Kausat. mit -d-: lit. kliudaũ, -ýti ‘anhaken machen’, kliaudaũ, -ýti ‘hindern’, kliaudà ‘körperliches Gebrechen’ (s. oben zu lat. claudus), lett. kĺũdît Iter. zu kĺũt (s. oben);
mit k-Formans aksl. ključь ‘Haken, Schlüssel’, ključ-ǫ, -iti ‘zusammenschließen’; russ. kljuká ‘Krücke, Krummstab, Ofenkrücke’, serb. kljȕka ‘Haken, Schlüssel, Klammer’, aksl. ključ-im, -iti ‘biegen, krümmen’, auch ksl. kljuka ‘List, Betrug’ u. dgl., und als ‘anhaken = sich zusammenfügen, passen, sich ereignen’ abg. kĺučiti sę ‘passen, zusammentreffen’ u. dgl.; wohl auch serb. kljȕna ‘Art Haken, Krampe’, kljȗn ‘etwas Gebogenes, Krummes’.

WP. I 492 ff., WH. I 231, Trautmann 137 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal