Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sluipen - (zich behoedzaam voortbewegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sluipen ww. ‘zich behoedzaam voortbewegen’
Onl. slūpan ‘kruipen, glijden’ in Ich bim uze minen rokche geslophan ‘ik ben uit mijn overkleed gekropen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. slupen in So quam hi lise ut sinen hole Geslopen ‘toen kwam hij ongemerkt uit zijn hol geslopen’ [1265-70; VMNW]; vnnl. sluypen.
Mnd. slupen; ohd. sliofan (nhd. vero. schliefen); nfri. slūpe; oe. slūpan; got. sliupan; alle ‘kruipen, glijden, glippen’, < pgm. *sleupan-, *slūpan- (zie → ruiken). Daarnaast met dezelfde betekenis *slupp(j)an-, waaruit ohd. *-slupfen (nhd. schlüpfen). Zie verder nog → slopen, dat teruggaat op een causatief pgm. *slaupijan-, en → sloop 1 en de aldaar genoemde varianten.
Verwant met Latijn lūbricus ‘glibberig’; < pie. *(s)leubh- ‘glijden’ (LIV 567). Voor het Germaans wordt een n-achtervoegsel aangenomen, zoals bij → likken 1, zodat pie. *sleubh-n- > pgm. *sleupp- (wet van Kluge), gevolgd met verkorting van de stamklinker (> *slupp-) of het geminaat (> *sleup-). Zie ook → sluimeren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sluipen* [zich onopgemerkt voortbewegen] {slupen 1285} middelnederduits slupen, oudhoogduits sliofan, oudengels slupan, gotisch sliupan; vgl. sluiken, sluimeren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sluipen ww., mnl. slûpen, mnd. slûpen, ohd. sliofan (ouder-nhd. schliefen), oe. slūpan, got. sliupan. — lat. lūbricus ‘glibberig’ (IEW 963). — Zie verder: sloep, sloop, slop, slopen en ook sloof en sluiken, verder nog: sluimeren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sluipen ww., mnl. slûpen. = ohd. sliofan (verouderd nhd. schliefen), mnd. slûpen, ags. slûpan, got. sliupan “sluipen”. Verwant is wsch. lat. lûbricus “glibberig”, dat echter ook anders verklaard wordt. Als wij voor idg. (s)lū̆b- dezelfde ruime bet.-sfeer mogen aannemen, die verschillende germ. met slu- beginnende bases (zie bij slooien) hebben, dan mogen ook ier. lobar, lobur “zwak”, lit. slùbnas “id.” hierbij gebracht worden. Dit is echter onzeker. Vgl. sloep, sloop, slopen, slop.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sluipen ono.w., Mnl. slupen + Ohd. sliofan (Mhd. sliefen, Nhd. schliefen), Ags. slûpan, Go. sliupan + Lat. lubricus (d.i. *slubricus), Lit. slubnas = zwak: uitbreiding van den wortel van sleuren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sloepe (ww.) sluipen; Aajdnederlands slupan <1100>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

sluip-sluip bw., ww.
Al sluipende, of sluipend voortbeweeg.
Reduplikasie van sluip, so genoem ter beklemtoning van die voortdurende of herhalende aard van die handeling.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sluipen, van den Germ. wt. slup, verwant met slip = glijden, zie Slijpen. Het woord w.d.z.: glijdende gaan met het bijbegrip van: zacht, ongemerkt, slinks. – Afl. is slop en sloop.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sluipen ‘zich onopgemerkt voortbewegen’ -> Papiaments slùip ‘zich onopgemerkt voortbewegen’; Sranantongo sliipi, sroipi ‘zich onopgemerkt voortbewegen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sluipen* zich onopgemerkt voortbewegen 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sleub(h)- ‘gleiten, schlüpfen’, nur lat. und germ.; vgl. auch sleug̑-.

Lat. lūbricus ‘schlüpfrig, glatt’;
got. sliupan ‘schleichen’, ahd. sliofan, nhd. schliefen, ags. slūpan ‘gleiten, schlüpfen’, mnd. slūpen ‘schlüpfen, schleichen’, got. afslaupjan ‘abstreifen’, ags. slīepan ‘an- oder ausziehen’, ahd. mhd. sloufen ‘schlüpfen lassen, an- oder ausziehen’, mhd. sluft (eig. ‘Schlupf’), nhd. Schlucht, mhd. slupfer(ic), nhd. schlüpfrig (ro-Formans wie in lūbricus), ags. slyppe ‘Teig, Schleim’, ahd. mhd. slouf ‘das Schlüpfen, Röhre’, mhd. sloufe ‘Röhre, Windel, Erbsschote’, nhd. Schleife, älter Schläufe, dial. Schlaufe, usw.;
im Germ. auch *sluƀ- (idg. *sleup- oder *sleubh-): ags. slīefan ‘(Kleider) anziehen’, slīefe f. ‘Ärmel’ (engl. sleeve), nl. sloof ‘Schürze’, nhd. dial. Schlaube ds.

WP. II 710 f.; WH. I 822 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal