Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sloop - (kussenovertrek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sloop 1 zn. ‘kussenovertrek’
Mnl. sloop, slope ‘kussenovertrek’ in LV slopen tot oircussen ‘55 kussenslopen’ [1444; MNW].
Mnd. slope ‘lus, strik’; ohd. slouf(a) ‘id.; afgeworpen slangenhuid’ (Duits Schlaufe ‘lus, strik’), vnhd. sloif, schläufe ‘lus, strik’ (nhd. Schleife); < pgm. *slaupōn-, *slaupja-.
Daarnaast met vergelijkbare betekenissen, uit algemener ‘omhullend voorwerp, omhullende band’: pgm. *slaubōn- (v.), *slauban- (v.), *slauba- (m.), waaruit mnl. slove ‘houten, lederen of metalen band; voorhuid’, sloof ‘grove mantel; voorhuid’ en oe. slīefe, slēfe ‘mouw’ (ne. sleeve); en pgm. *slupa- (o.), waaruit: mnl. (over)slop ‘overkleed’ (zie ook → slop), mhd. slopf, slupf ‘lus, strik’ en oe. (ofer)slop ‘overkleed, wijd gewaad’ (me./ne. slop ‘id.’).
De verschillende stamvormen *slaup-, slaub- en *slup- zijn wrsch. door analogiewerking ontstaan uit één paradigma van een ablautende n-stam, vroeg-pgm. nominatief *slaubōn, genitief *sluppas, uit pie. *sloubh-ōn, genitief *slubh-n-ós, een afleiding van de wortel *sleubh- van → sluipen. Bijna alle betekenissen van de bovengenoemde Germaanse woorden zijn terug te voeren op ‘voorwerp dat ergens overheen of omheen glijdt’, bij de oorspr. betekenis ‘glijden’ van sluipen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sloop* [kussenovertrek] {slope, sloop 1444} van sluipen (vgl. sloof1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sloop znw. v., reeds mnl. sloop, slôpe ‘kussenovertrek’, ohd. anaslouf, inslouf ‘indumentum’, ubarsloufi o. ‘mantel’, mhd. sloufe ‘kleed van een zuigeling’. Verder ohd. mhd. slouf ‘het glijden, buis’, en mnd. slōpe, oudnhd. schläufe (nhd. schleife) ‘strik’. Daarnaast abl. mnl. slop o. ‘overkleed’, overslop ‘overkleed, voorhuid’, sloppe ‘riempje’, oe. oferslop o., oferslype m. (ne. slops mv. ‘matrozenkleding’), on. sloppr m. ‘misgewaad’, slyppa v. ‘wijde mantel’. — Alles afl. van sluipen; men moet denken aan ‘een wijd kleed, waarin men zich glijden laat’ (vgl. ook sloof 1).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sloop znw. (het, de), reeds mnl. (noordndl. 15. eeuw). Vgl. ohd. ana-, in-slouf (m.?) “indumentum”, ubar-sloufi o. “peplum”, ur-sloufun, “exuviis”, mhd. sloufe v. “omkleedsel van een zuigeling”. Met afwijkende bet. ohd. sloufa v. of slouf m., mhd. sloufe v., slouf m. “oor, hengsel”, oudnhd. schläufe, nu schleife v., mnd. slôpe v. “strik”. Met ablaut mnl. slop o. “overkleed”, ōver-slop o. “id., voorhuid” (p en pp), sloppe (v.?) “riempje”, ags. ofer-slop o., ofer-slype m. (eng. slops mv. “matrozenkleeding”), on. sloppr m., slyppa v. “wijd overkleed, koorhemd”. De oorspr. bet. van al deze woorden was “wat over iets heenglijdt, over iets heen geschoven wordt”. Ze hooren bij slopen en sluipen. Vgl. ook slop; vooral ook sloven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sloop v. (overtreksel), Mnl. id. + Hgd. schläufe, schleife, Eng. slop: van sluipen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1sloop s.nw.
1. Los oortreksel van 'n kussing, matras, ens. 2. Sak met stowwe soos vere, kapok of klapperhaar gevul om 'n kussing of matras te vorm.
In bet. 1 uit Ndl. sloop (al Mnl.). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sleup kloof in de huid, greb (Oost-Noord-Brabant). ~ mhgd. sloufe ‘buis’, hgd. schlucht (‹ mhgd. sluft) ‘kloof’. Tessels slufter ‘smalle doorbraak van de zee door de duinen’, nholl. slofter, slochter ‘slop’. Van een basis die ook in sluif en sloof aanwezig is en oorspr. ‘glibberig zijn’ betekende, maar later ‘kloof’.
NEW 648-649, De Bont 1960, 560, Keyser 183, IEW 963-964.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sluipen, van den Germ. wt. slup, verwant met slip = glijden, zie Slijpen. Het woord w.d.z.: glijdende gaan met het bijbegrip van: zacht, ongemerkt, slinks. – Afl. is slop en sloop.

Sloop (kussensloop), van sluipen (z. d. w.); het woord w.d.z.: waar het kussen in sluipt, in glijdt; zie Sleuf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sloop ‘kussenovertrek’ -> Fries sloop ‘kussenovertrek’; Papiaments slopi (ouder: sloopi) ‘kussenovertrek’; Sranantongo sropu (ouder: slopoe) ‘kussenovertrek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sloop* kussenovertrek 1444 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal