Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sloffen - (slepend lopen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sloffen ww. ‘slepend lopen’
Vnnl. sloffen ‘talmen, treuzelen, nalatig handelen’ in Bij daech noch nacht Sloft mijn gedacht Uw deuchden te trompetten ‘ik aarzel nooit uw deugden rond te bazuinen’ [1609; iWNT], sonder lang daer op te sloffen ‘zonder daarmee lang te talmen’ [1613; iWNT], ‘slap afhangen, slobberen’ in Sijn borst-rock staet en gaept, en sloft hem by de leden ‘zijn kamizool staat open en slobbert langs zijn lijf’ [1635; iWNT]; nnl. sloffen ‘met de zolen over de grond slepend lopen’ in een sloffenden en sleependen gang [1773; iWNT].
Afleiding van het bn. slof ‘nalatig, traag’, zoals in emant ..., de sloff ende lancksaem in sijne brocken dyken to maecken were ‘iemand die nalatig en traag zou zijn in het herstellen van zijn doorgebroken dijken’ [16e eeuw; MNW], Onachtsame sloffe mensch, ghy hebt te langh gemert ‘onachtzaam traag persoon, u hebt te lang getalmd’ [ca. 1600; iWNT marren], ook sloef [1599; Kil.]. Hierbij hoort eveneens het zn. slof ‘nalatig persoon’. De herkomst van deze woorden is onzeker. Verband met → slobberen 2 (NEW, Toll., EDale) is onwaarschijnlijk. Zie ook → sloven en sluipen.
Het is onzeker of er verband is met (v)ne. sloven ‘slons, sloddervos’ (ca. 1450; OED).
De oorspr. betekenis van sloffen ‘talmen, treuzelen’ is verouderd, maar nog herkenbaar in de afleiding → versloffen en in de uitdrukking een zaak laten sloffen. De huidige betekenis is wrsch. beïnvloed door → slof ‘pantoffel’ en heeft ook een klanknabootsend element.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sloffen* [slepend lopen] {1640 als ‘treuzelen’; de huidige betekenis 1769-1811} van slof2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sloffen ww. ‘slepend over de grond lopen; traag zijn’, nnd. sluffen, nfri. slofje is een afl. van slof 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjloefen, ww.: slepen met schoen of slof. Zoals sloffen intensivum bij sloven ‘schuiven’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1slof ww.
Met die voete sleep.
Uit Ndl. sloffen (1769).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sloffen ‘slepend lopen’ -> Noors sluffe ‘slepend lopen; nalatig zijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments kana slòf ‘lopen te sloffen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sloffen* slepend lopen 1769-1811 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal