Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slof - (pantoffel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

slof zn. ‘pantoffel’
Mnl. sloffe ‘soort slappe pantoffel’ in hooren schonen ende sloffen ‘hun schoenen en pantoffels’ [eind 15e eeuw; MNW]; vnnl. slof in ein solenmaker off sloffenmaker [1515; iWNT zool I], ‘gemakkelijk zittende of oude, aftandse schoen’ in Hy draeght ... thuys sloffen van pompoenen, Daer't binnenst is uyt gehaelt [1644; iWNT], De netste schoen die wort een slof [1632; iWNT]; nnl. Haare koussen waren vol gaaten; en zy liep op sloffen [1761; iWNT], BN ook wel sloef.
Vermoedelijk met expressieve geminatie bij mnl. sloven ‘schuiven over’ en het zn. sloof of slove ‘voorwerp dat ergens overheen of omheen glijdt of dat iets bedekt’, zie → sloven (Toll.). Vergelijk Engels slipper bij slip ‘glijden’, Zuid-Nederlands slets, West-Vlaams sletse, slis(se) ‘slof’ bij sliden ‘glijden’.
Afleiding van het werkwoord → sloffen (NEW) lijkt onwaarschijnlijk, aangezien de betekenis ‘lopen met de zolen over de grond slepend’ pas in de 18e eeuw is geattesteerd en wrsch. juist ontstaan is onder invloed van de schoeiselnaam. Afleiding van mnl. slof ‘nalatig, traag’ (WNT, EDale), waarvoor zie eveneens → sloffen, lijkt vanwege de afwijkende betekenis even onwaarschijnlijk, maar mogelijk heeft dit bn. wel invloed gehad op het ontstaan van de uitdrukkingen op zijn sloffen ‘op zijn gemak, zonder er veel voor te hoeven doen’ en het vuur uit zijn sloffen loopen ‘zich inspannen tegen de gewoonte in’. In uit zijn slof schieten ‘onverwacht in actie komen, onverwacht uithalen’ is slof ‘trage voortgang’ echter een ander woord, namelijk het nomen actionis bij sloffen, echter wel met bijgedachte aan slof ‘pantoffel’.
Sommige langwerpige voorwerpen worden eveneens slof genoemd, bijv. een bruin- of steenkoolbriket [1929; iWNT] of een pak met kleinere pakjes sigaretten [1947; Leeuwarder Courant].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slof1* [pantoffel] {slof(fe) 1476-1500} bij slof2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slof 1 znw. m. ‘ruime pantoffel zonder hak’, sedert de 16de eeuw (Humsterland 1562), nnd. sluffe, fri. slof; daarnaast Kiliaen sloef (nog vla.). — Afl. van sloffen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slof v., + Ndd. sluf, Fri. slof, Eng. sloven: behoort bij sluipen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

slóf (zn.) pantoffel; Middelnederlands sloffe <1476-1500>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjloeb, zn.: pantoffel, slof. Intensivum naast slof ‘pantoffel’ en sloof ‘voorschoot’ van het ww. sloven ‘schuiven’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

sloef, zn.: slof. Laatmnl. slof(fe) ‘wijde pantoffel’, Ndd. sluffe. Zelfde etymologie als sloof.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

sloef zn. m.: slof, pantoffel; sul, lummel, slordige kerel. Wvl. sloef ‘overkleed voor vuil werk’ (De Bo). Mnl. sloef ‘grof kledingstuk’, Vnnl. sloef ‘grof kledingstuk, smerig kledingstuk; smerig mens’ (Kiliaan). Van het ww. sloven ‘schuiven’. De slof schuift over de grond, vandaar sloefen, sloffen ‘slepend wandelen’. De bet. ‘sul’ kan worden afgeleid uit ‘smerig > onbeschaafd > dom mens’, maar kan ook worden teruggebracht tot het begrip ‘schuiven’, vgl. de vrouwelijke pendanten slepe, sletse, slet.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

sloef (B, G, W, ZV), zn. m.: slof, pantoffel; sul, slordige kerel (G, ZV); grote hoeveelheid eten en drinken. Wvl. sloef 'overkleed voor vuil werk' (De Bo). Mnl. sloef 'grof kledingstuk', Vnnl. sloef 'grof kledingstuk, smerig kledingstuk; smerig mens' (Kiliaan). Van het ww. sloven 'schuiven'. De slof schuift over de grond, vandaar sloefen 'slepend wandelen' (G, W). De bet. 'sul' kan worden afgeleid uit 'smerig > onbeschaafd > dom mens', maar kan ook worden teruggebracht tot het begrip 'schuiven', vgl. de vrouwelijke pendanten slepe, sletse, slet.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2slof s.nw.
1. Ou, verslete skoen of uitgetrapte pantoffel. 2. Slordige mens.
In bet. 1 uit Ndl. slof (Mnl. slof, sloffe) 'wye pantoffel'. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel, wsk. omdat mense wat slof (1slof) dikw. ook te lui en traag is om netjies te wees. Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884) in die afleiding sloffi.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sloffie: pantoffel; afgeslete skoen; Ndl. dim. v. slof (Fri. slof, by Kil sloef, nog i. Vl.), Ned. sluffe, afl. v. ww. sloffen, “sleepvoet loop, traag wees”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slof, sloffig, behoort bij slap; vgl. ’t Oostfriesche sluf = mat, krachteloos, verflenst, en sluffen (ons sloffen) = slap worden, slepend of sloffig gaan. Vandaar: niet krachtig of werkzaam optreden, maar onachtzaam zijn: een sloffig mensch; evenals sloof = een afgebeuld mensch. – Ook slof voor „pantoffel”: het schoeisel, waarop men slepend, zacht voortgaat.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slof ‘langwerpig pak met sigaretten’ -> Indonesisch selop, slof ‘langwerpig pak met sigaretten’; Surinaams-Javaans slof ‘langwerpig pak met sigaretten’.

slof ‘pantoffel’ -> Indonesisch selop, slof ‘pantoffel, muil’; Ambons-Maleis slof ‘pantoffel’; Jakartaans-Maleis selop ‘pantoffel’; Javaans selop, slop ‘pantoffel’; Keiëes slop ‘muil, pantoffel’; Kupang-Maleis slof ‘pantoffel’; Madoerees sēllop ‘pantoffel’; Makassaars solố ‘muiltje (waarin men alleen de tenen steekt)’; Menadonees slof ‘pantoffel’; Minangkabaus selop, solop ‘sandaal’; Muna silopu ‘schoen met hoge hak’; Sasaks sĕlop ‘pantoffel’; Soendanees sĕlop ‘pantoffel’; Ternataans-Maleis slof ‘pantoffel’; Petjoh slof ‘pantoffel’; Papiaments slòf (ouder: slof) ‘pantoffel’; Surinaams-Javaans selop ‘pantoffel, sandaal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slof* pantoffel 1476-1500 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2077. Iets op zijn slofjes afkunnen,

d.w.z. iets op zijn gemak afkunnen, eig. iets op zijn pantoffels, dus in huisgewaad afkunnen; syn. iets op zijn sokken doen (in Kokad. 56); zie Harreb. II, 275: Hij kan het wel op zijne sloffen af; Nkr. IX, 27 Febr. p. 6: Laat ze maar dokken die Britten, die Moffen, gaat het zoo door, je wordt rijk op je sloffen; Molema, 383; D.H.L. 40: Kalmjes-aan, op z'n slofjes, z'n geëerbiedigde koningin als kapitein te dienen; De Telegraaf, 2 Juni 1914, p. 5 k. 6 (ochtendbl.): Didier won op zijn slofjes den invitatie-wedstrijd voor Haagsche onafhankelijken. Vgl. het 17de-eeuwsche op zijn muiltjes gaan of loopen, een gemakkelijk leven hebben, op zijn gemak leven; het syn. iets op zijn pantoffeltjes afkunnen; fr. en pantoufles (zeldzaam), op zijn gemak, gemakkelijk; Handelsblad, 6 Nov. 1914, p. 2 k. 5 (ochtendbl.): Hij gedroeg zich als een die 't op zijn kamerpantoffeltjes af kan.

2076. Uit zijn slof schieten,

d.w.z. ‘uit den hoek’ komen, beginnen te spreken, ‘uit te pakken’; boos, driftig worden; zich ongewone moeite geven, eig. uit zijn ‘versloffing’ schieten, d.w.z. zijne traagheid, onverschilligheid laten varen; vgl. Hooft, Ned. Hist. 52: Alle hoop van slof oft slapping beneemen; Halma, 586: Slof, verzuim, agteloosheid; Sewel, 725: Slof, versloffing, neglect; Opprel, 82: in de slof blijven, niet gedaan worden; Harreb. II, 274; daar komt de slof in. Zie voor bewijsplaatsen uit onzen tijd Sjof. 20: De buurvrouwen verbaasden zich er over dat ze zoo uit d'r slof schoot, zij die altijd zoo'n lutje was en bij wie 't eene woordje niet gauwer ging dan 't andere; Lvl. 11: Martin, geprikkeld, schiet uit z'n slof; Nkr. I, 24 Nov. p. 5: Borgesius schoot herhaalde malen uit zijn slof, maar over de kiesrechtkwestie zweeg hij als een mof; Amst. 25: Jonges, meheer, die kan zoo orisineel uit z'n slof schiete, dat ie de heele boel an 't lachen maakt; Handelsblad, 5 Dec. 1913, p. 5 k. 3 (avondbl.): De ‘Kölnische Zeitung’, die zoo vaak optreedt als orgaan der Duitsche regeering, schiet nu plotseling uit haar slof; 15 Febr. 1914, p. 2 k. 4 (ochtendbl.): Alleen bij uitzondering, als er parade is, schiet op eens het Rijksgezag uit zijn slof; 2 April 1914, p. 5 k. 1 (avondbl.): In de Nederlandsche pers was het Het Leven, dat op den eersten dag van het tweede kwartaal steeds frisch uit de slof schoot; Het Volk, 1 Nov. 1913, p. 11 k. 2; 7 Nov. 1913, p. 1 k. 3: De heer Kuyper had misschien hoop, dat een van ons uit zijn slof zou schieten, en plechtiglijk verklaren: wij doen niet mee; 23 April 1914, p. 2 k. 2; 9 Mei 1914, p. 9 k. 2; De Arbeid, 15 Oct. 1913, p. 4 k. 2: Eindelijk zijn dan deze menschen uit hun slof geschoten en brengen heel wat beroering te weeg; Zondagsblad v. Het Volk, 1905 p. 107: Is hij zoo balsturig van aard? Schiet hij zoo gaarne uit zijn slof? Is hij zoo'n haantje de voorste?; Nw. School, III, 266: Zijn die redacteuren razend? zóó te schieten uit hun slof!; De Arbeid, 3 April 1915, p. 2 k. 2: Hierop schiet Oudegeest triomfantelijk uit zijn slof; Handelsblad, 19 Oct. 1914 (ochtendbl.), p. 3 k. 3: Daarna schoten Smits, Lesoeur en Heim wat meer uit hun slof en spoedig gaf de eerste aan Vernooy het nakijken, bijna onmiddellijk gevolgd door een tweede doelpunt; 29 Dec. 1914, p. 6 k. 4 (ochtendbl.): Het tweede bedrijf bevat ook een kostelijk stuk spel voor den heer Reule als Louis de Grancé. Zelden zagen we hem zoo uit zijn slof schieten; 14 Febr. 1915 (avondbl.), p. 10 k. 1: Veel moois was er tot nu toe niet vertoond totdat plots in de 23ste beurt Robijns (een biljardspeler) erg uit z'n slof schootIn Jord. II, 84: Zoo een sloome kaasdraaier, die nooit ereis uit de mouw schoot, nee, 't maakte hem wee.; Schakels, 142: Schiet niet uit je slof (houd je bedaard). Syn. zijn Hij komt raar uit de koets vallen en Hij kan raar uit zijn klomp schieten (Harreb. II, XLVIII), welke laatste uitdrukking ontstaan is door de opvatting van slof = muil.

2497. Het vuur uit de sloffen loopen,

d.w.z. zich veel moeite geven; eig. gezegd van een paard, dat zoo snel loopt, dat door de aanraking van hoeven en straatsteenen de vonken er uitvliegen. Vgl. Harreb. II, 275: Hij loopt het vuur uit de sloffen; De Arbeid, 3 Oct. 1914 p. 2 k. 2: De arbeiders, welke zich eerst het vuur uit de sloffen geloopen hebben om den heer Prins en zijn kornuiten op het kussen te brengen; Het Volk, 27 Juni 1914 p. 2 k. 3: Het is duidelijk, voor wie vooral deze laatste hulptroepen van den heer Van Diesen zich zoo voor dezen het vuur uit de sloffen ziet loopen; Nkr. I, 6 Oct. p. 2: Wel liepen de dames kiesrechtbeweegsters niet voor hem het vuur uit de sloffen? IV, 22 Mei p. 2: In plaats van zich het vuur uit de sloffen te loopen om mijnheer A of mijnheer B 'n paar stemmen meer te bezorgen; Nw. Amsterdammer, 23 Januari 1915 p. 11 k. 1: Toen ik het vuur uit mijn sloffen geloopen had, om de kastanjes voor hem uit het vuur te halen, liet-i mij tegen de lamp vliegen; Kippev. II, 157: Ik zal me het vuur voor je uit de sloffen loopen; Het Volk, 17 Juni, 1915 p. 1 k. 3: Ook nu weder zullen wij getuige zijn van het schouwspel, dat de arbeiders zich het vuur uit de sloffen loopen, om de profeten van het behoud opnieuw met macht te bekleeden; Nkr. IX, 10 Juli p. 6: Hij liep 't vuur uit z'n sloffen om werk te vinden; 17 Juli p. 6; Handelsblad, 3 Jan. 1916 p. 1 k. 4 (A): Die vóór den oorlog zich het vuur uit de sloffen liep om steenkool te verkoopen, is nu en gros handelaar in varkens; Ndl. Wdb. VIII, 2838; enz. In Zuid-Nederland zegt men in dezen zin: Veur iet of iemand de schoenen van zijn voeten loopen (zie Antw. Idiot. 2019), zijn voeten uit zijn schoenen loopen of de zolen van de schoenen loopen, dat te vergelijken is met het 17de eeuwsche zijn schoenen afloopen (zie Brederoo I, 320, vs. 305).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)leup-, (s)leub(h)- ‘schlaff herabhängen(d)’, nur german. und baltisch

Ags. lyft ‘schwach’ = mndl. luft, lucht ‘link’, ofries. luf ‘schlaff, müde’, aisl. lūfa ‘dichtes Нааг’ (wohl ‘*dicht und lang niederhängendes’), mnd. lobbe ‘hängende Lippe, Manschette’, ndl. lobbig ‘schlotterig, schlaff’, isl. lubba f. ‘großer Dorsch’; nd. sluf, ndl. slof ‘matt, schlaff’, sluffen ‘schleppend gehen’, engl. sloven ‘nachlässiger, unreinlicher Mensch’; ndl. slobbe ‘Schlamm’, engl. slobber, slubber ‘geifern, besudeln’, nd. slubberen ‘schlürfen’, nisl. slupra ‘schlürfen’ (Vorstellung des Herabhängenlassens beim Essen, des hängenden Schleimes und Schlammigen);
lit. lū́pa f. ‘Lippe’ (: mndd. lobbe) und slùbnas ‘schlaff, matt’.

WP. II 710.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal