Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slobberen - (hoorbaar drinken, slurpen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

slobberen 1 ww. ‘hoorbaar drinken, slurpen’
Mnl. slobberen ‘met een slurpend geluid bewegen’ in sij vielen dairmede in die graften ... ende slubberden rustelijken van den vyanden over ‘zij wierpen zich daarmee (t.w. met ladders) in de vestinggracht en waadden ongestoord door de modder vanaf de vijanden naar de overkant’ [1470; Froissart]; vnnl. De veste te slobberen ‘de vestinggracht uit te baggeren’ [1512-27; iWNT vest II], elck woort bescheydelick wtspreecken ..., niet slobberende of rabbellende ‘elk woord duidelijk uitspreken, zonder te slurpen of te brabbelen’ [ca. 1560; iWNT rabbelen], ‘met slurpgeluiden door de modder of een vergelijkbare substantie bewegen’ in Hoe slobberde haer hant inde Taerten ende Pasteyen? [ca. 1570; iWNT], ‘hoorbaar drinken of eten’ in Hy ... slobberdese op alle bey ‘hij slurpte ze allebei op’ [ca. 1600; iWNT].
Nevenvorm van vnnl. slabberen ‘slurpen’ [1599; Kil.], een frequentatief bij mnl. slabben ‘kwijlen, slobberen, slurpen’, zie → slab. Misschien gebeurde dit onder volksetymologische invloed van → modder, want in tegenstelling tot slabberen lijkt slobberen/slubberen in het Vroegnieuwnederlands een bredere betekenis te hebben gehad, en behalve met slurpen en kwijlen, ook met modder, vuil, smerigheid in verband te worden gebracht, zoals blijkt uit mnl. slobbrich ‘kleverig, morsig, dampig’ [ca. 1375; MNW], slob(be), slubbe ‘modder’ in van slubbe ane den wanden of van meste anden estrike ‘van modder aan de muren of mest op de vloertegels’ [ca. 1450; MNW slobbe], Swemmen door slijck, door slob, en diepe grachten [ca. 1600; iWNT slob II], slobben in De Eentjens die in 't water slobben [1615; iWNT], slobbe ‘slonzige vrouw’ [1721; iWNT], en zie hieronder voor slobkous.
Mnd. slubberen ‘slurpen, slobberen’; nfri. slobberje ‘slobberen’; ne. slobber ‘kwijlen’; nde. slubre ‘slobberen’ (in beide betekenissen); nzw. dial. slubbra ‘onduidelijk praten’. Bij mnl. slabben; nzw. slabba ‘kliederen’. De genoemde Nederlandse en andere Germaanse woorden hebben ook een zeker klanknabootsend aspect en sluiten zo aan bij de onder → slurpen genoemde woorden met labiaal + r.
NEW en Toll. veronderstellen verband met het bn. slof ‘nalatig, traag’, zie → sloffen, maar dat lijkt gezien het grote betekenisverschil niet erg waarschijnlijk.
Zie ook → slobberen 2.
slobeend zn. ‘soort eend (Anas clypeata)’. Nnl. slobeend [1758; Eigenhuis 2004]. Eerder al slobbe [1763; Eigenhuis 2004]. Deze eendensoort wordt gekarakteriseerd door zijn brede snavel, waarmee hij het voedsel van het wateroppervlak opslobbert. De officiële Friese naam is slob, naast plaatselijke en/of verouderde varianten zoals slobbe, slobber. ♦ slobkous zn. ‘zoolloze kous om enkels en schoenen, gamasche’. Nnl. eene soort van opgebonden Slobkousen [1773; iWNT]. Samenstelling van vnnl. slob(be) ‘modder, smerigheid’ en → kous. De slobkous was oorspr. bedoeld om de onderliggende kledingstukken te beschermen tegen vuil, maar werd ook wel gedragen om warmte te geven.
Lit.: J. Froissart en G. P. van der Loo (vertaling, 1470), Cronyke van Vlaenderen, Gent (editie 1898), 494

slobberen 2 ww. ‘los en ruim om het lichaam hangen, flodderen’
Vnnl. slobberen ‘los of slap zijn’ [1599; Kil.], in Al soo mijn hof haer sal beclaghen Van die dees slobber cleeren draghen ‘omdat mijn huishouding zich zal ergeren aan degenen die deze slobberkleren dragen’ [1621; iWNT]; nnl. in zijn eersten Engelsche slobberbroek [1889; Groene Amsterdammer], de kleeren slobberden hem om het lijf [1902; Gids], dit jonge goed in slobbertruien en trainingsbroeken [1956; Leeuwarder Courant].
Nevenvorm van slodderen ‘slordig zijn’ [1562; Naembouck], ‘slap zijn, slap worden’ [1599; Kil.] en ‘los en wijd om het lichaam hangen’ als in Slodder-broecke, Slodder-hosen, slodderende kleederen [alle 1599; Kil.]. Wellicht is de vorm slobberen gevormd onder invloed van het betekenisaspect ‘slordig’ van → slobberen 1 ‘slordig drinken’. Zie ook → flodder.
Bij slodderen: mnd. slodderen ‘ruim om het lichaam hangen’ (nnd. sluddern); mhd. slottern, sluttern, slotern ‘beven, rillen, sidderen’ (nhd. schlottern).
Verdere herkomst onzeker. Mogelijk een frequentatief met expressieve geminatie bij mhd. sloten ‘trillen, kloppen’, maar dat woord is laat geattesteerd en weinig frequent en lijkt dus eerder een terugvorming. Gaat men uit van de Duitse betekenissen, dan is verwantschap met got. afslauþnan ‘hevig schrikken’ mogelijk, bij een pgm. basis *sluþ-, *slud- ‘slap zijn’ (FvW, en zie ook → sluimeren), maar andere voorgestelde verwanten (FvW, NEW, Toll., Pfeifer), zoals on. sloðra ‘zich voortslepen’ (nzw. sluddra ‘stamelen’) en vnhd. slūdern ‘slingeren’ (nhd. schleudern), zijn vanwege de betekenisverschillen zeer onzeker (Kluge). Misschien gaan slodderen en de direct verwante woorden wel gewoon terug op een klanknabootsende vorming.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slobberen* [slordig eten, slecht en te ruim zitten van kleding] {1599-1607 als ‘knoeien’; als ‘te ruim zitten’ 1901-1925} ablautend bij middelnederlands slabben, fries slobberje, hoogduits schlappen, schlabbern, engels to slobber, to slabber, zweeds slubbra, deens slubre, bij slof2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slobberen ww. laat-mnl. overslubberen ‘door een gracht waden’, iteratief bij noordholl. slobben, mnd. slubberen ‘slurpen’, fri. slubberje, ne. slobber, slubber ‘kwijlen, bezoedelen’, dial. ‘slurpen’, nde. slubre ‘inslurpen’, naast nnoorw. dial. slupra, ‘slurpen’, nzw. dial. slubbra ‘bezoedelen’, slupra ‘slurpen’ en nde. slubbe, nnoorw. nzw. dial. slubba ‘bezoedelen, knoeien’. — Verder mnl. slobbe, slubbe ‘vuil, smerigheid’. — Alles formaties met -bb- naast slof 2. — > ne. slubber ‘bevlekken, bevuilen’ (nu alleen dial., sedert 1530, vgl. Bense 409).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slobberen ww., reeds laat-mnl. in ōverslubberen “door een gracht waden”; N.Holl. in deze bet. nog slobben. Hierbij ook mnl. slubbe, *slobbe “vuiligheid” (nog in slobkousen). Bij slab enz., wsch. als jongere, onomatop. gevoelde ablautformatie. Evenzoo mnd. slubberen “slobberen, slurpen”, fri. slobberje, eng. to slobber “id.”, de. slutre “id.”, slubbe “bezoedelen”. Uit ’t Ndl. vgl. nog slobbe “vaatdoek, meid voor ’t morsige werk”, slobberdoes, slobeend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slobberen o.w., + Ndd. slubberen, Fri. slobberje, Eng. to slobber, Zw. slubbra, De. slubre: bijvorm met ablaut van slabben.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjloeveren, ww.: kwijlen. Var. van sloeberen, slobberen.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

sjoeberen, soeberen, tjoeberen, sobberen, ww.: slurpen, slobberen; drinken. Klankexpressieve var. van sloeberen ‘slobberen’.

sloeberen, ww.: slobberen, slurpen. Ook Vlaams. Vnnl. slobberen ‘iets slaps eten’ (Kiliaan). E. to slobber ‘kwijlen, slobberen’, De., N. slubre ‘slurpen’, Fri. slobje, slobberje ‘hoorbaar en morsend drinken’. Freq. van sloven ‘schuiven’. Daarnaast (ook Ndl.) slabberen ‘slurpen’, D. schlabbern, E. to slabber, freq. bij Mnl., Mnd. slabben ‘slurpen’. Afl. met leensuffix -atie: sloeberatie ‘dunne spijs’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

sloeberen, slobberen ww.: slobberen, slurpen, slobberend eten, morsen (met eten op kleren); (ook) los hangen, flodderen, slodderen. Vnnl. slobberen ‘iets slaps eten’ (Kiliaan). E. to slobber ‘kwijlen, slobberen’, De., N. slubre ‘slurpen’, Fri. slobje, slobberje ‘hoorbaar en morsend drinken’. Freq. van sloven ‘schuiven’. Daarnaast (ook Ndl.) slabberen ‘slurpen’, D. schlabbern, E. to slabber, freq. bij Mnl., Mnd. slabben ‘slurpen’. Samenst. slobberdoekje ‘slabbetje’. Afl. sloeberig, slobberig ‘loshangend, flodderend’; slobberinge ‘draf, varkensvoer’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

sloeberen (E, G, ZO, ZV), slobberen (W, ZV), sloeweren (G), slabberen (G, W), slawweren, (G), slavveren (L), ww.: slobberen, slurpen; (ook) los hangen, flodderen, slodderen (ZV). Vnnl. slobberen 'iets slaps eten' (Kiliaan). E. to slobber 'kwijlen, slobberen', De., N. slubre 'slurpen', Fri. slobje, slobberje 'hoorbaar en morsend drinken'. Freq. van sloven 'schuiven'. Daarnaast (ook Ndl.) slabberen 'slurpen', D. schlabbern, E. to slabber, freq. bij Mnl., Mnd. slabben 'slurpen'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

sloeberen, slubberen (O), sleuveren (DB), ww.: slobberen, slurpen. Vroegnnl. slobberen ‘laxum sive flaccidum esse’ (Kiliaan). E. to slobber ‘kwijlen, slobberen’. Freq. van sloven ‘schuiven’ (zie sloven, sluffer). Daarnaast Ndl. slabberen, Ndd. slabbern ‘slurpen’, D. schlabbern, E. to slabber, bij Mnl. Mnd. slabben slurpen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slobberen* slordig en hoorbaar eten 1599-1607 [Claes]

slobberen* ruim zitten 1903 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)leup-, (s)leub(h)- ‘schlaff herabhängen(d)’, nur german. und baltisch

Ags. lyft ‘schwach’ = mndl. luft, lucht ‘link’, ofries. luf ‘schlaff, müde’, aisl. lūfa ‘dichtes Нааг’ (wohl ‘*dicht und lang niederhängendes’), mnd. lobbe ‘hängende Lippe, Manschette’, ndl. lobbig ‘schlotterig, schlaff’, isl. lubba f. ‘großer Dorsch’; nd. sluf, ndl. slof ‘matt, schlaff’, sluffen ‘schleppend gehen’, engl. sloven ‘nachlässiger, unreinlicher Mensch’; ndl. slobbe ‘Schlamm’, engl. slobber, slubber ‘geifern, besudeln’, nd. slubberen ‘schlürfen’, nisl. slupra ‘schlürfen’ (Vorstellung des Herabhängenlassens beim Essen, des hängenden Schleimes und Schlammigen);
lit. lū́pa f. ‘Lippe’ (: mndd. lobbe) und slùbnas ‘schlaff, matt’.

WP. II 710.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal