Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slikken - (door het keelgat doen gaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

slikken ww. ‘door het keelgat doen gaan’
Mnl. slicken ‘door het keelgat doen gaan, verzwelgen’ in dat ons wolf no hont en slicke in sinen mont ‘opdat geen wolf of hond ons met zijn bek zal verslinden’ [14e eeuw; MNW], slicken, slyckeren ‘id.’ [1477; Teuth.].
Wrsch. hetzelfde woord als → likken met een s-mobile. Volgens anderen is het een afleiding van slīkan ‘glijden’ (nhd. schleichen ‘sluipen’), zie → slijk, met als oorspr. betekenis ‘door de keel doen glijden’. De betekenis zou dan in het Nederlands beïnvloed zijn door → slokken.
Mnd. slicken ‘verzwelgen’ (vanwaar door ontlening nzw. slicka ‘likken’); mhd. slicken ‘id.’, slecken ‘snoepen’ (nhd. schlecken ‘likken; snoepen’) < pgm. *slikkōn-; met andere ablaut on. sleikja ‘likken’ (nno. sleik(j)e ‘id.’) < pgm. *slaik-ijan-. Voor wrsch. verwante woorden zonder s-mobile zie → likken 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slikken* [door het keelgat doen gaan] {sli(c)ken 1351-1400} middelnederduits slicken [likken, snoepen], middelhoogduits slecken [snoepen], ablautend oudnoors sleikja [likken]; zonder s in de anlaut likken1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slikken ww., mnl. slicken, mnd. slicken ‘likken, snoepen’, laat-mhd. slecken ‘snoepen’ (nhd. schlecken), waarnaast abl. on. sleikja ‘likken’. — Daarnaast staat zonder mobiele s het ww. likken 1.

De bet. van het nnl. slikken is ver van de oorspr. afgeweken; FW 617 denkt aan invloed van slokken. Voor de klinkervarianten *slikkōn en *slukkōn vgl. nog J. de Vries, PBB 80, 1958, 8-9.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slikken ww., mnl. slicken. = laat-mhd. slëcken “snoepen” (nhd. schlecken), mnd. slicken “likken, snoepen”. Ablautend met on. sleikja “likken”, dat wegens zijn k niet met likken I mag gecombineerd worden. Veeleer zijn likken II en slijk verwant: oorspr. bet. “(met de tong) over iets heen glijden”. Slikken is in de bet. door slokken beïnvloed.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slikken o.w., Mnl. slicken, intens. van *slijken + Ohd. slîhhan (Mhd. slîchen, Nhd schleichen), Meng. slîken = glijden. On. adj. slíkr = glad, van den wortel van slijk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

slikken likken (Groningen). = mnl., mndd. slicken ‘likken’. Ablautend ~ ono. sleikja ‘likken’. ~ (zonder mobiele s-) likken.
TNTL XL 97, NEW 650.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slikken. Sommigen denken aan den Germ. wt. slik (zie Slijk): het zou dan een causatief zijn en bet.: (naar binnen) doen glijden; anderen houden het voor een bijvorm van slokken, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slikken ‘door het keelgat doen gaan; (gewestelijk) likken’ -> Deens slikke ‘likken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors slikke ‘likken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds slicka ‘likken’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slikken* door het keelgat doen gaan 1351-1400 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1622. Iemand iets onder (of door) den neus wrijven,

d.w.z. iemand iets op onzachte wijze zeggen; hem in bedekte termen verwijtingen doen, iets onaangenaams zeggen; mnl. enen iet onder doghen werpen. Eig. iemand iets onwelriekends onder den neus wrijven (vgl. iemand iets op zijn brood geven, - te slikken geven, - te ruiken geven). De uitdr. kan ontleend zijn aan de gewoonte om honden of katten, die nog niet zindelijk zijn, met hun neus in de uitwerpselen te drukken In de 17de eeuw leest men bij Winschooten, 265: Smijt hem dat voor de scheenen: hetwelk oneigendlijk beteekend: vrijf hem dat eens door de neus; houd hem dat eens voor oogen; Hooft, Brieven, 384: Die hem onder verwe van heusch vermaan, groove onweetenheidt in 't stuk van Staat en Oorlog door den neus wrijft; ook Ned. Hist. 229; 427; bij Pers, 214 b: iemand iets in 't gezicht wrijven. Voor de 18de eeuw vergelijke men R. Ansloo, 128: Dies wryft hy hem veel smaat en laster door de neus; Tuinman I, 199: Ymand iets onder den neus wryven; Sewel, 520: Iemand iets in de neus wryven, to upbraid one with a thing, to twit in the teeth with; Villiers, 86. Synoniem was de uitdr. iemand iets door de tanden wrijven (eng. to hit or to cast) anything in a person's teeth) en iemand iets in den baard wrijven (hd. einem etwas in den Bart reiben); thans dial. iemand iets in zijn murf (mond) wrijven. Ook in het hd. is bekend: einem etwas unter die Nase reiben, waarvoor men in het Fransch zegt: planter, jeter ou plaquer qqch. au nez de qqn; de.: at kaste En Noget i Naesen. In Zuid-Nederland: iemand iet onder zijnen neus wrijven (Antw. Idiot. 1916); iemand iet vègen, iemand iet onder zijnen neus vègen, hem iets in bedekte termen verwijten (Antw. Idiot. 2117); iemand iets door den baard strijken (Joos, 117); iemand iets op den neus geven (Schuermans, 407 b), waarvoor volgens De Bo, 325 b ook gezegd wordt iemand iets door den neus flinken = door den baard wrijven, en iemand een snuifje geven (vgl. Tuinman I, 199: iemand een riekertje geven; fri. immen in rûker jaen) of iemand eene sneuve of sneuven geven; Schuermans, 644; Bijv. 309 a; Waasch Idiot. 457 b; in Antw. iemand laten snuiven. In het Friesch: immen hwet om 'e noas wriuwe.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal