Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slijpen - (glad of scherp maken door schuren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

slijpen ww. ‘glad of scherp maken door schuren’
Onl. slīpan ‘door wrijving scherp maken’ in de samenstelling slīpastēn ‘slijpsteen’: sliipsteen [1159-64; ONW], slipesten [1163; ONW]; mnl. slipen ook ‘door wrijving glad maken, polijsten’ in ende nemmermeer ne scurment ... none vilet noch ne slipet hetne ... begripet lichtelike ene roest smette ‘en nooit kan men het (ijzer) zo blinkend schuren of vijlen of slijpen dat het niet makkelijk een roestvlek krijgt’ [1287; VMNW], ‘vergaan, afslijten, afnemen’ in sin dogede begennen te slipene ‘zijn deugden beginnen te vergaan’ [1290-1310; MNW-P].
Mnd. slipen ‘slijpen; onverschillig zijn, sluw zijn’ (voor de betekenis ‘sluw’ zie ook → geslepen); ohd. slīfan ‘slijpen; glijden, kruipen, vergaan’ (nhd. schleifen ‘slijpen, glijden’); ofri. slīpa ‘slijpen’ (nfri. slypje); < pgm. *slīpan-. Men neemt aan dat de oorspr. betekenis ‘glijden’ is. Zie ook het causatief → slepen en → slippen.
Buiten het Germaans zijn er geen verwante woorden, behalve misschien de Griekse glosse olibrón ‘glibberig’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slijpen* [gladmaken door wrijven] {slipen 1287} middelnederduits slipen, oudhoogduits slifan, oudengels slupan [glijden, sluipen], noors slipe [slijpen]; voor verwanten vgl. slippen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slijpen ww., mnl. slîpen ‘slijpen’ (zelden ‘afslijten’), mnd. slīpen ‘slijpen, glijden, zinken, sluipen, slepen’, ohd. slīfan ‘slijpen, glijden, zinken’ (nhd. schleifen), nde. slibe, nnoorw. nzw. slīpa ‘slijpen’ (on. alleen slīpari ‘zwaardveger’ is ontleend uit mnd.). Abl. daarnaast oudnnl. sleef (overijs.) ‘schuins oplopend’, mhd. sleif, on. sleipr ‘glad, glibberig’ en ohd. sleffar, oe. slipor ‘glibberig’. — gr. olibrós ‘glibberig’ van idg. *(s)leib, afl. van *(s)lei, waarvoor zie: lijm. — Zie nog: slepen en slippen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slijpen ww., mnl. slîpen “slijpen”, zelden intr. = “afslijten”. = ohd. slîfan “slijpen, glijden, zinken”(nhd. schleifen), mnd. slîpen “id., sluipen, sleepen”, on. *slîpa, waarvan slîpari m. “(zwaard-) slijper”. De oorspr. bet. was “glijdend bewegen”. Met ablaut sleep, slepen I, slepen II, slippen en oudnnl. (overijs.) sleep “schuins oploopend”, mhd. sleif, on. sleipr “glad, glibberig”, ohd. slëffar, ags. slipor “id.”. Buiten ’t Germ. vgl. ier. slemun (*slib-no-), gr. olibrós “glad, glibberig”. Ook ier. slîpaim “ik slijp, polijst” (p < pp < bn)? Idg. sli-b-is uit sli- (zie slijm) verlengd. Voor vormen zonder s- zie leep I, leep II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slijpen o.w., Mnl. slipen + Ohd. slîfan (Mhd. slîfen, Nhd. schleifen), Ags. slîpan (Eng. intens. to slip), On. slípa (Zw. id., De. slibe) + Gr. olibrós, Oier. slemnu = glad, slipaim = slijpen. De eerste bet. is glijden, schuiven; vergel. straatslijper.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sliepe (ww.) slijpen; Aajdnederlands slipan <1195-1164>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjliepen, ww.: baantje glijden. Ndl. slijpen ‘schuren, wrijven’. Vgl. slibberen.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

slyp ww.
1. Deur vryf of skuur skerp of glad maak, vorm gee, of deur insnyding versier. 2. Die gees of verstand verfyn. 3. Deur geestelike kontak beïnvloed.
In bet. 1 uit Ndl. slijpen (Mnl. slipen). In bet. 2 uit minder gebruiklike Ndl. slijpen (ongeveer 1610 - 2de helfte van die 17de eeu). Ndl. slijpen is afgelei van dieselfde stam as slepen 'sleep' en slippen 'gly, glip'. Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. schleifen (8ste eeu).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

slijpen (DB, GG: K), ww.: sluipen, slippen, glippen (DB), een werkdag overslaan (en op de zwier gaan) (DB), overslaan (GG). Deze betekenissen gaan terug op de oorspr. bet. van slijpen ‘glijden’ (zie slibberen). De bet. ‘zachtjes zingen (van vinken in het begin van het seizoen’ (DB) is af te leiden uit ‘slepen’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

slijpen (sleep, heeft geslepen), (ook:) term bij knikkerspel, inhoudende de oppervlakte zodanig veranderen dat het rollen van een boegroe* ten ongunste van de werper beïnvloed wordt. Roept de speler, op wiens boegroe gemikt zal worden ’slijp’ dan mag hij het losse zand, dat er omheen ligt, wegvegen, waardoor de andere boegroe die van hem gemakkelijk voorbij rolt (Nekrui 13). - Zie ook: bati*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slijpen, afl. van den Germ. wt. slip (samenhangende met sli, zie Slijm) = glijden, ons „slippen”, zie Slepen. Eigenlijk is slijpen een causat. en bet. doen glijden, of glijdende, d.i. glad maken (een mes slijpen), vandaar ook scherp maken: een griffel slijpen. Vgl. nog: straatslijper, letterlijk: die de straat glad maakt door voortdurend loopen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slijpen ‘gladmaken door wrijven’ -> Engels † slipe ‘glad maken, polijsten; wetten, scherpen’; Deens slibe ‘gladmaken door wrijven’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors slipe ‘gladmaken door wrijven’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds slipa ‘gladmaken door wrijven, polijsten’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch selip, slép ‘gladmaken door wrijven’; Negerhollands sliep, slip ‘gladmaken door wrijven’; Papiaments sleip ‘scherp maken (van potlood)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slijpen* gladmaken door wrijven 1287 [CG NatBl]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

slijpen, innig tegen elkaar aan dansen; met langzame pasjes over de dansvloer bewegen. Informele jeugdtaal. Soms betekent het ook ‘flirten’. → schuifelen*.

Wat doen ze precies op een fuif? Dansen, pinda’s, lampions, visnetten, garage. En slijpen? (Lévi Weemoedt: Liefdewerk oud papier, 1980)
Ronnie mocht graag zien hoe ik met Theresa stond te slijpen. (Geerten Meijsing: Een meisjesleven, 1981)
We hebben gedanst. Geslepen als je het per se moet weten. (Nieuw Wereld Tijdschrift, mei 1986)
Tussen het swingen door kan er weer geslijpt (of geschoven) worden. (Preview, april 1987)
Stom tegen elkaar duwen op feestjes. Slijpen op feestzolders. (Boudewijn Büch: Brieven aan Mick Jagger, 1988)
Donkere hoekjes, zoenen, slijpen. (Nieuwe Revu, 14/08/96)
Wat mijzelf betreft: vroeger baalde ik op feesten natuurlijk: ik was de moppentapper, maar alle leuke meiden gingen aan het eind van de avond toch met alle leuke jongens slijpen en stapten daarna achter op hun grote brommers. (HP/De Tijd, 04/04/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1898. Een punt (of een puntje) aan iets kunnen zuigen.

Eene in Noord- en Zuid-Nederland bekende uitdrukking: ergens een voorbeeld aan kunnen nemen; iets niet kunnen verbeteren; met iets niet in vergelijking kunnen komen. Harrebomée II, 204 citeert: Hij zuigt (of slijpt) er een punt aan; Weiland verklaart ‘eene punt aan iets zuigen’ als ‘zich gereed maken tot tegenspraak, of tegenstand’, en vat ‘punt’ op in den zin van degen; Gron. hij ken d'r puntjes an zoegen (Molema, 339 a); in het fri. der kinst in puntsje oan sûgje. In Zuid-Nederland: Daar kunt gij nen punt aan zuigen, daar kunt gij mede bezig zijn, op nadenken en er het uwe uit trekken (Schuerm. Bijv. 253 a); zie ook Joos, 75: Lekt dat kalfken zijn muilken af, zuigt daar 'nen punt aan; Antw. Idiot. 1007; Waasch Idiot. 521: Aan iets een pinne of 'nen punt kunnen zuigen, iets kunnen doen, iets verstaan; 540: Zuigt daar 'nen punt of een pin aan. Zie verder Schoolm. 19:

 Ja het ging zoo gaauw, hoorde ik mijn kleinzoon dikwijls getuigen,
 Dat een stoomboot op stapel er gerust een punt aan had kunnen zuigen.

Handelsblad, 21 Mei 1914, p. 1 k. 5 (ochtendbl.): De heer Vliegen begon met het aftakelen der redevoeringen van de heeren Marchant en Bos (waaraan hij echter de klassieke ‘punt’ kon zuigen); Prikk. II, 57; Kmz. 81; Jord. 197; Nkr. II, 8 Maart, p. 2; Zondagsbl. v. Het Volk, 1906, p. 114: Men bedenke evenwel, dat er verscheiden redevoeringen waren, waar geen punt aan was, andere waar maar een punt aan gedraaid was. Aan geen enkele viel een punt te zuigen; Nkr. V, 13 Mei, p. 6; 9 Sept. p. 2; VII, 9 Aug., p. 5; VIII, 7 Nov., p. 2. Hiernaast een punt draaien (of zuigen) aan iets, er een mouw aan passen, een kop klinken aan iets, er raad op weten, er maar iets van maken; vgl. Het Volk, 5 Juni 1914, p. 1 k. 4: Men zou met zulk een verklaring dus genoegen kunnen nemen. De heiligheid is daarmee toch van de zoogenaamde christelijke politiek af. Maar neen, de ‘Standaard’ draait er toch weer een punt aan; Nw. School, IV, 212: ‘Op een stroowisch komen aandrijven’, heeft K. ook opgenomen en als aan alles weet hij ook daaraan een punt te zuigen, maar ook als elders slaat hij den bal mis; VII, 179: De heer B. heeft op zich genomen de brochurenreeks ‘Schoolhervorming’ te openen. En dat was nou weer net iets voor hem, hè. Hij zou d'r wel eventjes een punt aan kletsen, dacht-ie; en hij hééft er een punt aan gekletst; VIII, 259: ‘Je hebt d'r 'n aardige punt aan gekletst’, zei de eenBij een proefles over ‘de visscherij in ons land’.. ‘Zeker zelf nooit gehengeld hè, vroeg de ander; Nkr. VI, 8 Juni p. 4: Om 't kiesrecht was de zaak begonnen, want Theo had zich goed bezonnen: Dàt stel meneeren, lieve man, dat draaide er wel een puntje an. Vgl. ook Lvl. 12: Wat hei-je nou eigenlik willen beweren? Verdomd as 'k 'r 'n woord van kan navertellen, je lult er godoome 'n punt aan; D.H.L. 39: Geeg effe jouw jas, dan ziet-i me tenminste als korporaal, anders begint-i te ouwehoeren en dan is-i vanavond nog niet klaar; je weet m'n vader is dominee en die lullen d'r altijd 'n punt an; Scharten, 't Geluk hangt als een Druiventros, bl. 101: Toen Angelo met een zoetsappig langs-zijn-neus-weg gezegd zinnetje.... slechts een ontwijkend grijnsje kon ontlokken, wist hij, om een directe weigering te voorkomen, dadelijk een pointe aan zijn verhaal te zuigen. Een punt aan iets draaien of zuigen (onder invloed van iets uit zijn duim zuigen) beteekent dus eig. een pointe er bij verzinnen of er uithalen; in algemeenen zin: iets klaar spelen; onze uitdr. je kunt er een punt aan zuigen wil dan zeggen: probeer er een punt aan te zuigen (maar het lukt je toch niet); ge kunt trachten dat ook klaar te spelen, doch daartoe zijt ge niet in staat.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

lei-3 ‘schleimig, durch Nässe glitschiger Boden, ausgleiten, worüber hinschleifen oder -streichen, auch glättend worüber fahren; andrerseits schleimig = klebrig’, vielfach auch slei-, leiu̯o- ‘glatt’, loi-mo- ‘feuchte Erde’, loisā ‘Lehm’, lei-m-āk- ‘Schnecke’

1. Ai. linā́ti (gramm.), láyatē, līyatē līyati ‘schmiegt sich an, liegt an, bleibt stecken, versteckt sich, verschwindet’; līna- ‘sich anschmiegend, anliegend’;
gr. ἀλί̄νω (-ῑν- aus -ῐνι̯-) ‘bestreiche, salbe’; über līmus s. unten;
lat. linō, -ere, lēvī (*leiuai; von dē-lēvī scheint dēleō ausgegangen), lĭtum ‘beschmieren, bestreichen’, liniō, -īre ds.;
air. lenaid, Perf. rolil ‘folgen’ (eigentlich ‘klebt an einem’; cymr. can-lyn ‘folgen’ besser zu glynu, ir. glenaid ‘steckenbleiben, anhaften’), air. lenomnaib ‘lituris’, abret. linom ‘litura’, air. as-lenaim ‘besudle, oblinō’;
lat. līmus ‘Bodenschlamm, Kot, Schmutz’ (*loimos) = ahd. leim ‘Lehm’, nhd. Lehm, ags. lām ‘Lehm, Humus’, ahd. leime ‘Lehm’, nhd. Leimen, ablaut. ahd. ags. aisl. līm ‘Leim, Kalk’ (‘*Erdmasse zum Verkleben’); auf einem es-St. *loi̯es- beruht aisl. leir n. ‘Lehm’ (lajiz-), leira (*laizōn) schwach. Fem. ‘lehmiger Strand’
und apr. layso f. (*laisā) ‘Letten, Ton, Tonerde’; in ders. Bed. von einer d-Erw. apr. laydis ‘Lehm’ und alb. leth ‘feuchter Ton’;
lit. laistaũ, -ýti ‘verkleben, mit Lehm oder Kalk verschmieren’, vgl. auch ai. lindu- ‘schleimig, schlüpfrig’;
2. als Bezeichnung schleimiger Fische:
gr. λινεύς ‘Schleimfisch’, ahd. slīo, ags. slīw, slēo ‘Schleie’, lit. lýnas, lett. lînis, apr. linis ‘Schleie’, russ. linь usw. ds.;
3. als Bezeichnung des ‘(schleimig) Glatten’: gr. λεῖος ‘glatt’: lat. lēvis (*leiu̯is) ‘glatt’, gr. λῑτός ‘glatt, schlicht’, λῑτός und λί̄ς, -τός ‘glattes Tuch’, λισση πέτρα ‘glatter Pels’; λίσπος, att. λίσφος ‘glatt, gerieben’ sind unklar; lat. līma ‘Feile’ wohl aus *(s)lī-mā oder*(s)lei-mā (vgl. ahd. slīm ‘Schleim’, slīmen ‘glatt machen, blank schleifen’, auch gr. λείμαξ ‘Schnecke’);
4. mit anlautendem sl-:
kelt. *sli-m-no- ‘glitschig’ in air. slemun ‘glatt, schlüpfrig’, cymr. llyfn ‘glatt, eben’, acymr. limnint ‘sie glätten’, abret. gur-limun ‘glätten’, mbret. di-leffn ‘hart’;
ags. aisl. nfries. mnd. mhd. slīm ‘Schleim’ (ahd. slīmen ‘glätten’); vgl. aisl. slȳ n. ‘schleimige Wasserpflanzen’;
lett. sliẽnas f. Pl. ‘Speichel’ (*slēinās), aksl. sliny, serb. slȉne ‘Rotz’, russ. slína ‘Speichel’;
5. mit k-Suffix:
gr. λείμαξ ‘nackte Schnecke’ (daraus lat. līmāx ds.) = russ. slimák ‘Schnecke’; vgl. apr. slayx m., lit. sliẽkas m., lett. sliêka f. ‘Regenwurm’ und lett. sliẽkas f. Pl. ‘Speichel’; vielleicht auch lit. séilės, lett. seilas f. Pl. ‘Speichel’ (aus *slēilās?).
6. Erweiterungen:
(s)leib- ‘schleimig, schlüpfrig, gleiten, darüber streichen, glätten’.
Gr. ὀλιβρός ‘schlüpfrig, glatt’ Hes., ὀλιβάξαι· ὀλισπεῖν Hes.;
vielleicht cymr. llym ‘scharf’, bret. lemm ‘scharf; Schneide eines Messers (als *slibsmós);
ahd. slīfan ‘gleiten, ausglitschen; glättend schärfen’, nhd. schleifen, mnd. slīpen ‘schleifen, glatt machen; intr. schleichen’, ags. tōslīpan ‘zergehen’; aisl. slīpari ‘Schleifer’, sleipr ‘schlüpfrig, glatt’ = mhd. sleif ds., ags. slipor, ahd. sleffar ds., norw. slipra ‘gleiten’, Kaus. mnd. slēpen ‘schleppen, schleifen’ (daraus nhd. schleppen), ahd. mhd. sleifen ds., mhd. eine burc sleifen ‘sie dem Erdboden gleich machen’, Intens. ahd. slipfen ‘ausgleiten, ausschlüpfen’, mhd. slipfec, slipferic ‘schlüpfrig’;
daneben mit germ. -bb-: ndl. slib, slibbe ‘Schlick, Schlamm’, slibberen ‘gleiten’, mnd. slibber, -ich ‘schlüpfrig’.
(s)leidh- ‘schlüpfrig, gleiten’, s. unter eigenem Schlagwort.
sleig- ‘schleimig, gleiten, glätten’:
Gr. λίγδην ‘die Oberfläche streifend’, λίγδος, λίγδα ‘Reibstein, Mörser’;
air. sligim, fo-sligim ‘linō’, adslig ‘lockt an’ (cymr. llith ‘Lockspeise’, llithio ‘ködern’ < *slig-t-), vielleicht - als ‘streichen = schlagen’ = air. sligim ‘schlage’, dazu slige ‘Straße’ (?); air. sliachtad ‘das Glätten, Ebnen’; air. slige ‘Kamm’;
aisl. slīkr ‘glatt’, slīkisteinn ‘Schleifstein’, ahd. slīhhan ‘schleichen’ (= ‘gleiten’), sleihha ‘Schleife, Schlitten’, mnd. slīk, slick, mhd. slich ‘Schlick, Schlamm’; Partiz. *slihta- ‘geglättet’ in got. slaíhts ‘schlicht, eben’, aisl. slēttr ‘glatt, eben, gerade’, ahd. slëht ‘gerade, eben, schlecht’, nhd. schlicht und schlecht, ags. sliht, mengl. slight, sleght ‘glatt, eben’;
abg. slьzъkъ ‘εἰς ὄλισθον’, russ. slízkij ‘schlüpfrig’, slizь ‘Schleim’, slízy Pl. ‘eine Art Schleife’.
leip- ‘mit Fett beschmieren’, s. unter eigenem Schlagwort (leip-).
lei-t- ‘darüber streichen, sanft berühren, streicheln’: wahrscheinlich λιτή ‘Bitte’, λίσσομαι, λίτομαι ‘bitten, flehen’, λίτανος ‘flehend’, λιτανεύω ‘flehe’; lat. litāre ‘unter günstigen Vorzeichen opfern; sühnen, versöhnen’ (beruht auf *litā aus λιτή); lit. lytė́ti ‘berühren’, lett. làitît ‘streichen, streicheln’, lit. liečiù, liẽsti ‘berühren, betreffen’.

WP. II 389 ff., WH. I 789, 801, 802, 807 f., Trautmann 148, 162, 269, 270; anders über 3. und 4. lei- EM2 553 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal