Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slijm - (halfvloeibaar afscheidingsproduct)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

slijm zn. ‘halfvloeibaar afscheidingsproduct’
Mnl. slijm ‘modder, slijk’ in dat slim dart in leghet ‘de modder waar het (schaap) in ligt’ [1287; VMNW], een mensche ... van slijm der eerden ‘een mens uit het slijk der aarde’ [1400-50; MNW], in dat slijm des afgronts, daer gheen fondament en is ‘... waarin geen bodem is’ [ca. 1450; MNW]; vnnl. slijm ‘modder, slijk’ [1573; Thes.], ‘slijm’ [1599; Kil.], Snot, en Slijm door den Neus [1642; iWNT].
Mnd. slīm; ohd. slīm (nhd. Schleim); nfri. slym; oe. slīm (ne. slime); on. slím (nde. slim); < pgm. *slīma- ‘kleverige vloeistof’; met andere ablaut ozw. slēmber ‘slijm’ < *slaima- (nzw. slem).
Verwant met: Grieks leĩmax ‘naaktslak’; Russisch dial. slimák ‘slak’; en met andere nasaal: Lets sliẽnas ‘slijm’; Oudkerkslavisch slina ‘slijm’ (Tsjechisch slina ‘speeksel’). Wrsch. zijn dit allemaal uitbreidingen van een wortel pie. *(s)lei- ‘smeren, kleven’, waarbij dan mogelijk ook → slijk, → slib, → lijm (maar zie aldaar voor een andere mogelijkheid) en → leem horen, en verder onder meer: Oudhoogduits plint-slīhho ‘regenworm’, Litouws slíekas ‘id.’, Lets sliẽkas ‘slijm’. Hierbij hoort wrsch. ook een West-Germaanse en Balto-Slavische visnaam voor ‘zeelt’ (< ‘slijmerige vis’): Duits Schleie, Litouws lýnas en Russisch lin'.
In het Middelnederlands heeft dit woord een redelijk algemene betekenis ‘halfvloeibare, kleverige substantie’, meer in het bijzonder ‘modder’, soms ook ‘drek’ of ‘(niet nader gedefinieerde) kleverige vloeistof uit, op of in de aarde’. Hetzelfde geldt voor de corresponderende woorden in de andere Germaanse talen. De huidige betekenis ‘slijm, speeksel, halfvloeibare afscheiding van de slijmvliezen’ verschijnt in het Engels al in de 13e eeuw (OED), in het Nederlands bij Kiliaan (1599) en in het Duits pas in de 18e eeuw (Grimm). Het is onduidelijk hoe deze betekenis precies is ontstaan, maar de oorspr. betekenis is er in het Duits en het Nederlands wel door verdrongen. Het gewone Middelnederlandse woord voor ‘slijm, speeksel’ in het kader van de humorenleer was → fluim. Mogelijk heeft de nevenvorm vlyme [1567; Nomenclator 23b] van dat woord volksetymologische invloed uitgeoefend op slijm. Engels slime heeft overigens, naast andere betekenissen, de betekenis ‘slijm, speeksel’ al vanaf ca. 1225 (OED).
slijmerig bn. ‘glibberig’. Mnl. slimich ‘id.’ in een vuyle stinckende krenghe ende een slimich aes der wormen ‘een vuil stinkend kadaver en slijmerig voer voor wormen’ [1437; MNW-P], slimerich in die onreyn slymericheit deser werelt [1439; MNW]; nnl. slijmerig, overdrachtelijk ook ‘kruiperig’ [1913; iWNT]. Afleiding met het achtervoegsel -erig, zie → -ig, van slijm in de oorspr. algemene betekenis ‘kleverige substantie’. De overdrachtelijke betekenis ‘kruiperig(heid)’ komt ook terug in enkele samenstellingen met slijm als eerste lid voor ‘kruiperig persoon, vleier’ en algemener ‘zeurpiet, vervelend persoon e.d.’: slijmgast [1809; iWNT slijmgast], slijmjurk [1948; iWNT slijm], slijmerd [1964; iWNT slijmen], slijmbal [1971; Leeuwarder Courant]. Hierbij ook de afleiding slijmen in de betekenis ‘kruiperig doen’ [1974; Koenen].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slijm* [kleverig vocht] {1287 in de betekenis ‘slijk, drek, slijm’} middelnederduits, middelhoogduits, oudengels, oudnoors slīm; buiten het germ. latijn limax [slak], limus [modder], grieks limnè [moeras], russisch slina [speeksel]; verwant met slijk, slak1, leem1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slijm znw. o. m., mnl. slijm o. ‘slijk’, Kiliaen ‘slijk, slijm’, mnd. slīm, mhd. slīm (nhd. schleim) ‘kleverig vocht, slijk, slijm’, oe. slīm (ne. slime) ‘slijk’, on. slīm o. ‘slijm’. — lat. līmus ‘slijk’, limax, gr. leimaks ‘naakte slak’ = russ. slimák m. ‘slak’. — Idg. grondvorm *leim, afl. van *lei. — slijm is de vorm met mobiele s naast lijm.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slijm znw. (het, de), mnl. slijm o. (m.?) “slijk” en blijkens Kil., die deze bet. “vetus” noemt, ook “slijm”. = mhd. slîm (nhd. schleim) m., mnd. slîm m. o. “kleverig vocht, slijk, slijm”, ags. slîm (o. m.? eng. slime) “slijk”, on. slîm o. “slijm”. Van de idg. basis (s)li- “glad zijn, glijden”, waarvan met m-formans nog komen: lat. lîmax, gr. leímax, russ. slimák “slak”; voor verdere verwanten zie leem, slee II. Voor verlengde bases zie slecht, slede, slib, slijk, slijpen. Vgl. de bases slu-, sluk- enz. “glijden”, bij slooien en de daar opgenoemde woorden besproken. De basis sli- voert men op sale-i- terug, ier. sail “stremsel”, salach “sordidus”, lat. salîva “speeksel” e.a. woorden combineerend. De basis gli- (zie klei) is niet oerverwant.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slijm o., Mnl. id. + Mhd. slîm (Nhd. schleim), Ags slím (Eng. slime), On. slím (Zw. slem, De. slim) + Gr. leĩmax, Lat. limax, Ru. slimak = slak, Osl. slina = speeksel: Idg. stam *slei̯m- van wrt. slei̯ = glad zijn; z. ook lijm.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slijm, afl. op m van den Germ. wt. sli (bijvorm van slik, zie Slijk). Vgl. ’t Lat. limax = slak (in ’t Lat. wordt sl vooraan l) en lima = vijl, als gladmaker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slijm ‘kleverig vocht’ -> Negerhollands slim ‘kleverig vocht’; Papiaments sleim (ouder: slijm) ‘kleverig vocht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slijm* kleverig vocht 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

lei-3 ‘schleimig, durch Nässe glitschiger Boden, ausgleiten, worüber hinschleifen oder -streichen, auch glättend worüber fahren; andrerseits schleimig = klebrig’, vielfach auch slei-, leiu̯o- ‘glatt’, loi-mo- ‘feuchte Erde’, loisā ‘Lehm’, lei-m-āk- ‘Schnecke’

1. Ai. linā́ti (gramm.), láyatē, līyatē līyati ‘schmiegt sich an, liegt an, bleibt stecken, versteckt sich, verschwindet’; līna- ‘sich anschmiegend, anliegend’;
gr. ἀλί̄νω (-ῑν- aus -ῐνι̯-) ‘bestreiche, salbe’; über līmus s. unten;
lat. linō, -ere, lēvī (*leiuai; von dē-lēvī scheint dēleō ausgegangen), lĭtum ‘beschmieren, bestreichen’, liniō, -īre ds.;
air. lenaid, Perf. rolil ‘folgen’ (eigentlich ‘klebt an einem’; cymr. can-lyn ‘folgen’ besser zu glynu, ir. glenaid ‘steckenbleiben, anhaften’), air. lenomnaib ‘lituris’, abret. linom ‘litura’, air. as-lenaim ‘besudle, oblinō’;
lat. līmus ‘Bodenschlamm, Kot, Schmutz’ (*loimos) = ahd. leim ‘Lehm’, nhd. Lehm, ags. lām ‘Lehm, Humus’, ahd. leime ‘Lehm’, nhd. Leimen, ablaut. ahd. ags. aisl. līm ‘Leim, Kalk’ (‘*Erdmasse zum Verkleben’); auf einem es-St. *loi̯es- beruht aisl. leir n. ‘Lehm’ (lajiz-), leira (*laizōn) schwach. Fem. ‘lehmiger Strand’
und apr. layso f. (*laisā) ‘Letten, Ton, Tonerde’; in ders. Bed. von einer d-Erw. apr. laydis ‘Lehm’ und alb. leth ‘feuchter Ton’;
lit. laistaũ, -ýti ‘verkleben, mit Lehm oder Kalk verschmieren’, vgl. auch ai. lindu- ‘schleimig, schlüpfrig’;
2. als Bezeichnung schleimiger Fische:
gr. λινεύς ‘Schleimfisch’, ahd. slīo, ags. slīw, slēo ‘Schleie’, lit. lýnas, lett. lînis, apr. linis ‘Schleie’, russ. linь usw. ds.;
3. als Bezeichnung des ‘(schleimig) Glatten’: gr. λεῖος ‘glatt’: lat. lēvis (*leiu̯is) ‘glatt’, gr. λῑτός ‘glatt, schlicht’, λῑτός und λί̄ς, -τός ‘glattes Tuch’, λισση πέτρα ‘glatter Pels’; λίσπος, att. λίσφος ‘glatt, gerieben’ sind unklar; lat. līma ‘Feile’ wohl aus *(s)lī-mā oder*(s)lei-mā (vgl. ahd. slīm ‘Schleim’, slīmen ‘glatt machen, blank schleifen’, auch gr. λείμαξ ‘Schnecke’);
4. mit anlautendem sl-:
kelt. *sli-m-no- ‘glitschig’ in air. slemun ‘glatt, schlüpfrig’, cymr. llyfn ‘glatt, eben’, acymr. limnint ‘sie glätten’, abret. gur-limun ‘glätten’, mbret. di-leffn ‘hart’;
ags. aisl. nfries. mnd. mhd. slīm ‘Schleim’ (ahd. slīmen ‘glätten’); vgl. aisl. slȳ n. ‘schleimige Wasserpflanzen’;
lett. sliẽnas f. Pl. ‘Speichel’ (*slēinās), aksl. sliny, serb. slȉne ‘Rotz’, russ. slína ‘Speichel’;
5. mit k-Suffix:
gr. λείμαξ ‘nackte Schnecke’ (daraus lat. līmāx ds.) = russ. slimák ‘Schnecke’; vgl. apr. slayx m., lit. sliẽkas m., lett. sliêka f. ‘Regenwurm’ und lett. sliẽkas f. Pl. ‘Speichel’; vielleicht auch lit. séilės, lett. seilas f. Pl. ‘Speichel’ (aus *slēilās?).
6. Erweiterungen:
(s)leib- ‘schleimig, schlüpfrig, gleiten, darüber streichen, glätten’.
Gr. ὀλιβρός ‘schlüpfrig, glatt’ Hes., ὀλιβάξαι· ὀλισπεῖν Hes.;
vielleicht cymr. llym ‘scharf’, bret. lemm ‘scharf; Schneide eines Messers (als *slibsmós);
ahd. slīfan ‘gleiten, ausglitschen; glättend schärfen’, nhd. schleifen, mnd. slīpen ‘schleifen, glatt machen; intr. schleichen’, ags. tōslīpan ‘zergehen’; aisl. slīpari ‘Schleifer’, sleipr ‘schlüpfrig, glatt’ = mhd. sleif ds., ags. slipor, ahd. sleffar ds., norw. slipra ‘gleiten’, Kaus. mnd. slēpen ‘schleppen, schleifen’ (daraus nhd. schleppen), ahd. mhd. sleifen ds., mhd. eine burc sleifen ‘sie dem Erdboden gleich machen’, Intens. ahd. slipfen ‘ausgleiten, ausschlüpfen’, mhd. slipfec, slipferic ‘schlüpfrig’;
daneben mit germ. -bb-: ndl. slib, slibbe ‘Schlick, Schlamm’, slibberen ‘gleiten’, mnd. slibber, -ich ‘schlüpfrig’.
(s)leidh- ‘schlüpfrig, gleiten’, s. unter eigenem Schlagwort.
sleig- ‘schleimig, gleiten, glätten’:
Gr. λίγδην ‘die Oberfläche streifend’, λίγδος, λίγδα ‘Reibstein, Mörser’;
air. sligim, fo-sligim ‘linō’, adslig ‘lockt an’ (cymr. llith ‘Lockspeise’, llithio ‘ködern’ < *slig-t-), vielleicht - als ‘streichen = schlagen’ = air. sligim ‘schlage’, dazu slige ‘Straße’ (?); air. sliachtad ‘das Glätten, Ebnen’; air. slige ‘Kamm’;
aisl. slīkr ‘glatt’, slīkisteinn ‘Schleifstein’, ahd. slīhhan ‘schleichen’ (= ‘gleiten’), sleihha ‘Schleife, Schlitten’, mnd. slīk, slick, mhd. slich ‘Schlick, Schlamm’; Partiz. *slihta- ‘geglättet’ in got. slaíhts ‘schlicht, eben’, aisl. slēttr ‘glatt, eben, gerade’, ahd. slëht ‘gerade, eben, schlecht’, nhd. schlicht und schlecht, ags. sliht, mengl. slight, sleght ‘glatt, eben’;
abg. slьzъkъ ‘εἰς ὄλισθον’, russ. slízkij ‘schlüpfrig’, slizь ‘Schleim’, slízy Pl. ‘eine Art Schleife’.
leip- ‘mit Fett beschmieren’, s. unter eigenem Schlagwort (leip-).
lei-t- ‘darüber streichen, sanft berühren, streicheln’: wahrscheinlich λιτή ‘Bitte’, λίσσομαι, λίτομαι ‘bitten, flehen’, λίτανος ‘flehend’, λιτανεύω ‘flehe’; lat. litāre ‘unter günstigen Vorzeichen opfern; sühnen, versöhnen’ (beruht auf *litā aus λιτή); lit. lytė́ti ‘berühren’, lett. làitît ‘streichen, streicheln’, lit. liečiù, liẽsti ‘berühren, betreffen’.

WP. II 389 ff., WH. I 789, 801, 802, 807 f., Trautmann 148, 162, 269, 270; anders über 3. und 4. lei- EM2 553 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal