Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slieren - (glijden, slepen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slieren* [glijden, slepen] {1630 in de betekenis ‘glijden’; de betekenis ‘slepen’ 1836-1838} van middelnederlands slid(d)eren vgl. slidderen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slieren ww. eerst na Kiliaen, ontstaan uit mnl. slideren, waarvoor zie: slidderen. — Maar men kan slieren ook onmiddellijk als klinkervariant met sleuren verbinden, evenals sliederen naast slodderen.

In het germ. staan naast elkaar:
*slīðan vgl. oe. slīdan, mnl. slideren
*slauðan vgl. nnl. dial. slooieren ‘zich voortslepen’
*sluðrōn vgl. nnl. slodderen, on. sloðra
Dit zullen klinkervariaties binnen het germ. zijn, vgl. J. de Vries PBB 80, 1958, 15-16.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slieren ww., nog niet bij Kil. Een voortzetting van mnl. slîderen “glijden, sluipen”, evengoed als vla. slijderen (vgl. vla. sleeren naast slederen “slieren”; zie slede). In de bet. “sleuren, sleepen” (waarbij zich ’t znw. slier(t) aansluit) desnoods van een grondvorm met eo: bij sleuren; eer echter moeten we eenvoudig beïnvloeding door sleuren, eventueel nog door andere synoniemen met sl- zooals slepen aannemen. Met den anlaut sl- schijnt ons taalgevoel de voorstelling zoowel van slepen als van glijden te verbinden; ook semantisch liggen trouwens “glijden” en “(zich) slap voortbewegen”, “slepen” niet ver van elkaar; vgl. de bij slenter geciteerde woorden. Dial. glieren zal wel jonger zijn (vgl. bij glibberig).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slieren ono.w., uit Vla. slijderen, Mnl. slideren of Vla. slidderen + Hgd. schlittern: frequent. van *slijden, Mnl. sliden + Mhd. slîten, Ags. slídan (Eng. to slide) + Skr.wrt. sridh = dwalen. Gr. olisthánein = glijden, Mier. sláet = slierbaan, Lit. slidus = glad, Lett. slidas = schaats.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sleren, ww.: glijden, baantje glijden. Zie sleer.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

slieren, ww. slenteren; glijden. Zie slidderen.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

slieren 1 ww.: glijden, uitglijden; (overdr) aan de zwier zijn. Soms sloeren, sluren. Ook Vl. sli(d)eren, sle(d)eren, slidderen. Uit Mnl. slideren ‘(uit)glijden’, freq. van Mnl. sliden ‘glijden’. Vnnl. slidderen ‘glisser ou griller’ (Lambrecht), 1579 verboden op het ijs der vestingen te spelen noch te sledderen, Gent (LC), slidden, slidderen, sledderen ‘glijden’ (Kiliaan). Me. slidere, Oe. sliderian, E. to slither, Ndd. sliddern ‘glijden’, D. schlittern, freq. bij Oe. slîdan, E. to slide ‘(uit)glijden’, Mhd. slîten. Vgl. Lit. slysti ‘glijden’. Van sliden ook Ndl. zn. slede, slee. Ook Zuid-Wvl. sleren wellicht veeleer door d-syncope < freq. slederen. Samenst. slierbane ‘glijbaan’.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

sleren (DB, K, M), ww., scherplange e: glijden, uitglijden. Zie slieren. Afl. slerig (K, M) ‘glad’; samenst. sleerpoeier (K) ‘talk’.

slieren (DB, B, O), slideren (P, DB), slederen (DB), sieren (DB, D, I, K), ww,: glijden, uitglijden. Door d-syncope uit Mnl. slideren ‘(uit)glijden’, freq. van Mnl. sliden glijden’. Vroegnnl. slidderen ‘glisser ou griller’ (Lambrecht), slidden, slidderen, sledderen ‘prolabi’ (Kiliaan). E. to slide ‘(uit)glijden’, Oe. slîdan, Mhd. slîten ‘glijden’, Me. slidere, Oe. sliderian, E. to slither, Ndd. sliddern ‘glijden’, D. schlittern. Vgl. Lit. slysti ‘glijden’, slidus ‘glad, glibberig’. Idg. *(s)leidh ‘glad, glijden’. Sleren (K), met scherpl. e, veeleer uit var. slederen. Van sliden ook Ndl. znw. slede, slee.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slieren, staat voor slidderen (Hgd. schlittern = op ’t ijs glijden; vgl. Schlittschuh = schaats), frequ. van slidden = glijden; zie Slede.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slieren ‘glijden, slepen’ -> Deens dialect slire ‘touwen laten vieren of glijden; een vaartuig over de boden laten schuren’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal