Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slenteren - (langzaam lopen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

slenteren ww. ‘langzaam lopen’
Vnnl. slinderen, slidderen ‘kruipen, slingeren’ [1599; Kil.], slenderen, slenteren ‘blijven toeven, treuzelen, zich doelloos voortbewegen’ in ook op werkeldagen gaen sy ledig ... en slenderen om heer ‘ook op werkdagen doen ze niets en lopen ze maar wat rond’ [1642; iWNT vuilik], van de wijn bestoven blijft zitten slenteren ‘door de wijn beneveld blijft zitten treuzelen’ [1664; iWNT]; nnl. meestal alleen nog slenteren in Die ... na 't hemelblaaw gewelf Geslentert is ‘die rustig naar de hemel is gegaan’ [1701; iWNT], Zy slentert met Cootje overal heen [1782; iWNT overal I].
Mnd. slenteren, nnd. slendern (vanwaar door ontlening (v)nhd. schlendern), en met afwijkend vocalisme sluntern, slündern; nfri. slinterje; nde. slentre; alle ‘slenteren, glijden e.d.’.
Misschien frequentatieven bij pgm. *slantjan-, waaruit on. (zwak ww.) sletta ‘werpen, spuiten’ (< ‘laten glijden’?), nzw. (dial.) slänta ‘glijden; slenteren’, nhd. (dial.) schlenzen ‘id.’, een causatief van *slintan ‘glijden’, waaruit on. (sterk ww.) sletta ‘id.’, nzw. slinta ‘id.’; daarnaast nzw. (dial.) slanta ‘slenteren’; met een andere ablaut (nultrap): nzw. (dial.) slunta ‘id.’; nhd. (dial.) schlunzen ‘id.’ (zie ook → slons), met daarbij de intensiverende afleidingen nno./ nzw. (dial.) sluntra ‘id.’; nd. sluntern ‘id.’.
Verdere herkomst onduidelijk. Men beschouwt pgm. *slint- meestal als variant van de wortel pie. *sleidh- ‘uitglijden’, zie → sle(d)e. Zie ook → verslinden.
Er bestond ook een zn. vnnl. slenter ‘flard, vod’, dat al Middelnederlands moet zijn gezien de afleiding slenterlinghe ‘vodden, oude lappen’ [15e eeuw; MNW]. De herkomst hiervan is onbekend (zie ook → slet), maar wrsch. is er geen direct etymologisch verband met slenteren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slenteren* [langzaam lopen] {1664 in de betekenis ‘treuzelen, blijven hangen’; de huidige betekenis 1701} vgl. slinderen [kruipen] {1599} nederduits slendern (vgl. slenter).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slenteren ww. eerst nnl., vgl. nnd. slendern (> nhd. schlendern sedert 1652 vooral in studententaal), daarnaast met afwijkende klinker Kiliaen slinderen ‘kruipen’ en oostfri. sluntern ‘slenteren’, westf. slündern, slünnern ‘op het ijs glijden’, fri. slinterje ‘slenteren’ (on. slentr is overgenomen uit mnd.). — Zonder iteratief-vorming nog nhd. schlenzen ‘slenteren’, schlunzen ‘slordig lopen’, on. sletta (< *slantjan) ‘werpen, spuiten’, caus. van *slintan vgl. nzw. slinta ‘glijden’. — Van idg. *slind-, dat men als vorm met n-infix van *sleid(h) kan opvatten, (IEW 961).

Mogelijk behoren daarbij ook Kiliaen slinder ‘dun’, ne. slender ‘dun’, dit laatste zeker niet als combinatie van slim en tender op te vatten. — Misschien is een ander woord slenter ‘lap, flard’, vgl. mnl. slenterlinghe en sleenderlinghe ‘vodden’, dat een anlautsvariant van flenter zou kunnen zijn. Maar zie ook: slet.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slenter (lap, flard), niet uit ’t Mnl. of Kil. bekend. Wel laat-mnl. slenterlinghe naast sleenderlinghe “vodden”. Hoort samen met het ww. slenteren, nog niet bij Kil. Vgl. mhd. slenzic “traag”, nhd. schlenzen en (oorspr. ndd.) schlendern “lanterfanten, slenteren”, md. 1422 slinderen “sluipend kruipen”, Kil. slinder “dun” (“vetus”), slinderen “kruipen”, oostfri. sluntern “slenteren”, westf. slündern, slünnern “op ’t ijs glieren”, ndd. slunte “lap, vod”, fri. slinterje “slenteren”, slanters “gestorte spijs- of vetdroppels”, eng. slender “dun”, on. sletta (sterk) “zinken, glijden”, (zwak) “slaan, smijten”, laat-on. slentr o. “het slenteren”, zw. dial. slant, slunt “lummel, dagdief”. Of al deze woorden bij elkaar hooren, is onzeker, maar ’t is best mogelijk (vgl. bij slieren); zeker echter komt een deel er van, waaronder ndl. slenter, slenteren, van een basis slaxnt- (slaxnd-) “slap zijn, zich slap bewegen”, die wsch. jong en onder invloed van synonieme bases met gelijken an- of auslaut opgekomen is. Vgl. nog lunderen en flenter (ook voor de wisseling van nt en nd) en zonder nasaal slet. Zie ook slons.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

slenter znw., slenteren ww. Vgl. nog nnl. slender, slenter ‘sleur’.
Een combinatie buiten het Germ., die althans mogelijk moet heten, is die met obg. o-chlędanije ‘negligentia’, waarbij ook wel obg. *chlǫdŭ, ksl. chlud ‘virga’ (‘de buigzame, slappe’?) wordt gebracht.- Ook zou men aan verwantschap met lit. lendù, lĩ̦sti ‘kruipen, sluipen’ (zie verslinden) kunnen denken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

flenteren, flenderen, flanteren, ww.: slenteren. Met klankexpressieve fl naast Ovl. lenteren, lanteren ‘talmen, traag werken, lui zijn’, vgl. lanterfanten. Ook sl/fl-wisseling met slenteren.

flenderen, flenteren, flenkeren, ww.: slenteren, drentelen. Variant van slenteren (fl/sl) of van fledderen met n-epenthesis.

slabanteren, ww.: slenteren. Met expressief ingevoegd -ba- uit slenteren.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

slenteren (W), ww.: zedeloze praat vertellen. Pej. betekenisverschuiving van Ndl. slenteren, D. schlendern 'drentelen, treuzelen', dial 'slabakken, slap maken, slingeren'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1flenter ww.
Rondslenter, doelloos rondloop.
Uit gewestelike Ndl., o.a. in N.Holland en verskillende S.Ndl. dialekte flenteren, 'n wisselvorm van slenteren. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
Vgl. 2slenter.

2slenter ww.
Gemaklik, lui of doelloos rondloop.
Uit Ndl. slenteren (1664), 'n jong afleiding (ná 1599) van die verouderde, gewestelike Ndl. slenter (al Mnl.) 'flenter, vodde', waarvan die stam die bet. 'slap wees of beweeg' het. Andersyds kan slenteren mntl. verband hou met slinderen (1599) 'kruip'.
Vgl. 1flenter.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

slenter: langsaam doelloos beweeg; draal; Ndl. slenteren (na Kil) wsk. uit Ned. slenderen (wu. sedert 1652 in Hd. studt. as schlendern), mntl. verb. m. Kil se slinderen, “kruip”, maar verb. m. Kil se slinder, “dun”, en m. Eng. slender, “skraal”, twyfelagtig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slenteren ‘langzaam lopen’ -> Duits schlendern ‘langzaam lopen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors slentre ‘langzaam en ontspannen lopen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds släntra ‘langzaam lopen’ (uit Nederlands of Nederduits); Jakartaans-Maleis selinteran ‘in het rond lopen zonder doel’; Papiaments slènter ‘langzaam lopen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slenteren* langzaam lopen 1701 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)leidh- ‘schlüpfrig, gleiten’, Erweiterung von lei-3, slei- oben S. 662 f.

Ai. srédhati ‘gleitet ab, geht fehl, irrt’; gr. ὀλισθάνω, Aor. ὤλισθον ‘gleite’, ὀλισθηρός ‘schlüpfrig’, ὄλισθος m. ‘Glätte, Schlüpfrigkeit’ (*lidh-to-s) beruhen auf einem -dhō- oder -tō- Präsens; Anlaut wie in ὀλιβρός von der verwandten Wurzel (s)leib-, oben S. 663;
mir. slōet ‘Floss’, nir. slaod ‘gleitende Masse’, mit unklarem dd;
ags. slīdan, mhd. slīten ‘gleiten, rutschen’, ags. slide m. ‘Ausgleiten, Fall’, ahd. slito, aisl. sleði ‘Schlitten’ (vgl. lett. slidas ‘Schlittschuhe’), ags. slidor ‘schlüpfrig, glatt’, slidrian ‘ausgleiten’, nd. slidderen, nhd. schlittern;
lit. slýstu, slýdau, slýsti ‘gleiten’, lett. slist, slīst ds., slîdēt ‘rutschen, gleiten’, lit. slidùs ‘glatt, schlüpfrig’, lett. slids ds., slidas Pl. ‘Schlittschuhe’, slaids ‘abschüssig, glatt’, sliẽde ‘Spur, Geleise (vom Wagen)’; apr. slidenikis ‘Leithund’;
aksl. slědъ ‘Spur’, russ. slěd ds., sležý, sledítь ‘spüre, folge’ usw.
dazu wohl n-Präsens sli-n-dhō in lit. lendù, lindaú, līsti, lett. lìenu, lìdu, lìst ‘kriechen, hineinschlüpfen’, und durch Ablautentgleisung germ. *slind-, sland-, slund- in got. fra-slindan ‘verschlingen’ (eigentlich ‘gleiten lassen’), ahd. slintan ds., mhd. slint, slunt Schlund’, ändl. slinderen ‘gleiten, kriechen’, mhd. lendern ‘schlendern’, ndl. lunderen ‘zaudern’;
vgl. mit anderer Erweiterung sli-n-dō, germ. *slint- in aisl. sletta slatt ‘sinken, gleiten, hängen’ (*slintan), sletta ‘schlagen, werfen, spritzen’ (*slantjan), schwed. slinta ‘fallen, gleiten’, schwed. dial. släntra = nd. slentern, ndl. slenteren, nhd. schlenzen ‘schlendern’, ablaut. norw. dän. sluntre ‘unordentlich sein’, nd. sluntern ds., nhd. schlunzen ‘nachlässig gehen’;
falls lat. lumbrīcus m. ‘Wurm’ auf *londhr-īko- zurückginge, könnten obige n-Formen auch auf eine Wurzel (s)lend(h)- ‘gleiten’ zurückgeführt werden.

WP. II 707 f., 715, Trautmann 269, Vasmer 2, 658 f., Johannesson 922 f., 931 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal