Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sleepruim - (heester, vrucht daarvan)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sleepruim* [heester, vrucht daarvan] {slee 1340-1350, sleepruyme 1599} eigenlijk een tautologische samenstelling, want het eerste lid betekent ook ‘pruim’; vgl. middelnederduits slē, oudhoogduits sleha (hoogduits Schlehe), oudengels slāh (engels sloe); buiten het germ. russisch sliva [pruim] (vgl. slivovitsj). Misschien genoemd naar de kleur en dan verwant met latijn livēre [blauwachtig zijn], oudiers , welsh lliw [kleur].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slee znw. m. ‘pruim, sleedoorn’, mnl. slee (sleen) v., mnd. slē, ohd. sleha (nhd. schlehe), oe. slō v. (ne. sloe), ouder-de, slaa, nzw. slå(n) < germ. *slaihōn of wegens ohd. slēwa < *slaihwōn < idg. *sloi-k()o- met -ko afgeleid van de stam *slōi, waarnaast *(s) ‘blauwachtig’, waarvoor zie oiers ‘kleur, glans’, kymr. lliw ‘kleur’ en lat. līvor ‘blauwachtige kleur’, asl. sliva ‘pruim’ (> lit. slyvà); vgl. IEW 965.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slee II (pruim), mnl. slee (sleen) v. = ohd. slêha (nhd. schlehe), mnd. slê, ags. slâ v. (eng. sloe), ouder-de. slaa “slee”, germ. *slaiχ(w)ôn-, idg. *sloi-qâ- of -qâ-. Verwant met ksl. sliva, lit. slyvà, slỹvas “pruim” en Kil. sleeuwe, ohd. slêwa v. “slee”. Voor de formantia vgl. lit. slë̃kas, opr. slayx “regenworm”: ohd. slîo m. (nhd. schleie v., schlei m.), Kil. slye (“Germ. Sax. Sicamb.”; ndl. slij), mnd. slî m., ags. slîw, slêo m. “zeelt”. Deze laatste woorden komen wsch. van de idg. basis slī̆- “glad zijn” (zie slijm), slee enz. misschien eveneens, echter is een grondbet. “de blauwe” en verwantschap met ier. “kleur, glans”, lat. lîvor “blauwe kleur, loodkleur” nog waarschijnlijker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

slee II (pruim). Adde: owvla. (herb.) slê ‘atrile’.- Men houdt de balt. woorden voor ‘pruim’ gewoonlijk voor ontleend aan het Slav.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slee 1 v. (pruim), Mnl. id. + Ohd. slêha (Mhd. slêhe, Nhd. schlehe), Ags. slá (Eng. sloe), Zw. slän, De. slaaen + Osl. sliva, Lit. slywa = pruim; verder Lat. livor = loodkleur, Oier. = kleur.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

sleen, zn.: sleepruim. Var. van slee met eind-n uit de meervoudsvorm. Vnnl. slee, sleeuwe, sleepruyme (Kiliaan). Sleeuw is de verbogen vorm van slee, dat op zichzelf al ‘pruim’ betekent. Ohd. sleha, Mnd. slê, Mhd. slêhe, D. Schlehe, Oe. slâ(h), E. sloe, Zw. slån. Germ. *slaihôn < Idg. *(s)lî-, *(s)ləi- ‘blauwachtig’. Verwant met Russisch sliva, šljiva ‘pruim’, dat we herkennen in slivovitsj ‘pruimenjenever’. Idg. *(s)lîuo-.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

sleeuwpruim (Asper), sleeuwbees (Zegelsem), sneeuwpruim (Zaamslag), zn. v.: sleepruim. Vnnl. slee, sleeuwe, sleepruyme (Kiliaan). Sleeuw is de verbogen vorm van slee, dat op zichzelf al 'pruim' betekent. Ohd. sleha, Mnd. slê, Mhd. slêhe, D. Schlehe, Oe. slâ(h), E. sloe, Zw. slån. Germ. *slaihôn < Idg. *(s)lî-, *(s)lǝi- 'blauwachtig'. Verwant met Russisch sliva, Servokroatisch šljiva 'pruim', dat we herkennen in slivovitsj 'pruimenjenever'. Idg. *(s)lîuo-.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

sneeprume (DB), zn. v.: sleepruim. Volksetymologische associatie van slee met snee ‘sneeuw’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sleepruim heester, vrucht daarvan 1599 [Kil.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)lī- (: slǝi- oder slōi-), slī-u̯o- ‘bläulich’

Lat. līveō, -ēre ‘bleifarbig, bläulich sein’, līvor ‘bläuliche Farbe’, līvidus ‘bläulich’ (beruhen auf einem Adj. *slī-u̯os oder *lī-u̯o-s);
air. ‘Farbe, Glanz’, cymr. lliw, acorn. liu, ncorn. lyw ds., abret. nbret. liou ‘Farbe’ (‘Farbe’ aus ‘blau’ verallgemeinert), abret. liou ‘naevum’, da-liu (lies du-liu) ‘fuscus’; gall. PN Līvō; aber lat. Līvius vielleicht etrusk.
russ.-ksl. slíva ‘Pflaume’ usw., woraus lit. slyvà, apr. sliwaytos ds. entlehnt; slov. slȋv ‘bläulich’ ist Rückbildung aus dem Pflaumennamen;
mit Formans -ko-: ahd. slēha, slēwa (*sloi-ko-), ags. slāh (engl. sloe), nhd. ‘Schlehe’, schwed. slå(n) ds.; vgl. Martinet Word 12, 4.

WP. II 715 f., WH. I 816, Trautmann 269 f., Vasmer 2, 660.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal